Klimmen naar de kapel, met een brok in mijn keel

Links de bergwand. Rechts het Comomeer. We razen met vijftig kilometer per uur over de kennelijk schilderachtige weg langs het water. Geen tijd om te kijken. Concentratie in de hectiek op deze slingerweg.

De dag is zonovergoten. Dat is in oktober vaak wel anders, als onze mannelijke collega's in de Ronde van Lombardije over deze weg koersen, richting de beklimming naar het kapelletje van de Madonna del Ghisallo. Dan liggen er herfstbladeren op de weg. De zon schijnt laag door de nevel boven het meer, of het regent. De renners veranderen in grijze schimmen, enkel oplichtend door de koplampen van de volgwagens.

Vandaag spatten de kleuren er vanaf. Alles staat in bloei, onze koerspakjes een werveling van kleuren. Ook wij slaan dadelijk af, op de rotonde in Bellagio. Omhoog gaat het dan. De mannen rijden door op de top. Voor ons ligt de finish bij de kapel. Daar eindigt deze laatste etappe van de Giro voor vrouwen. Bij de Madonna, beschermheilige van de wielrenners, worden we verlost van de pijn en de vermoeidheid van tien dagen koersen.

Maar nu moeten we nog even volhouden. Doorbijten. We willen onze kopvrouw zo goed mogelijk afzetten aan de voet van de beklimming, dus we rijden met een trein op kop van het peloton. We gaan voluit, in de hoop dat de klimsters van andere teams door de hoge snelheid niet meer naar voren kunnen komen en aan het begin van de klim al veel energie moeten stoppen in een inhaalslag. Hoger wordt het tempo. Achter ons geschreeuw. De paniek is hoorbaar. We lanceren onze kopvrouw. Voor ons, knechten, ligt de finish op de rotonde in Bellagio.

De rotonde waar Johnny Hoogerland in 2009 aanviel. Het was een week na de dood van Frank Vandenbroucke, in een hotel in Senegal. Hoogerland bereikte als eerste de kapel. Daar ritste hij zijn trui open. Eronder werd een zweetshirt zichtbaar, met de tekst: Per te VDB. Voor jou, VDB. Altijd was hij fan geweest van Frank. Dit was zijn eerbetoon. Een eerbetoon bij de kapel, waar een eeuwige vlam brandt voor alle gestorven wielrenners.

Daar is de rotonde. De koers ontploft. Ik zak naar achteren en zie met een paar ploegmaats hetzelfde gebeuren. Ons werk zit erop. Wij mogen naar boven peddelen. Op adem komen. Rondkijken. Prachtige vergezichten over het Comomeer, het is precies zoals alle verhalen over deze klim vertellen. Verder is het een gewone weg. Gewoon asfalt. Gewoon steil. Maar als je weet wat hier gebeurd is, zie je alles anders.

In de laatste anderhalve kilometer horen we plots klokken luiden. De klokken van de kapel. Ik krijg kippenvel. Ze luiden ook voor ons! Net als in de Ronde van Lombardije. Net als in 2006, toen Paolo Bettini hier al zijn verdriet en wanhoop omzette in bovenaardse kracht.

Een maand eerder was Bettini wereldkampioen geworden. Zijn broer Sauro zou een feest voor hem geven, maar kreeg een auto-ongeluk en overleed. Paolo wilde zijn fiets aan de kant gooien, nooit meer koersen. Voor zijn broer stapte hij toch op in de laatste klassieker van het seizoen. Hij won, solo, huilend, wijzend naar de hemel. Terwijl ik de laatste kilometer in ga, met het klokgelui in mijn oren, denk ik aan die beelden. Brok in mijn keel.

De Britse Emma Pooley wint de etappe. Onze kopvrouw wordt zevende. Marianne Vos krijgt de laatste roze trui van 2014 om haar frêle schouders getrokken, ze mag de beker meenemen naar huis. In 1962 was Jo de Roo de eerste Nederlander die de Ronde van Lombardije won. Tegenwoordig staat de beker die hij toen kreeg naast zijn voordeur, hij doet dienst als paraplubak. Zo heilig is het wielrennen dus ook weer niet. Over vijftig jaar moet iemand maar eens bij Vos op bezoek. Kijken waar haar beker van 2014 staat.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden