Kleine uitblinker van Moskou

In Moskou wordt het eeuwfeest van het Poesjkinmuseum gevierd. Het museum is veel kleiner dan de Sint-Petersburgse Hermitage, maar de plannen voor een 'Poesjkin-museumstad' zijn rond.

'Kijk eens wat een schitterend zelfportret van Samuel van Hoogstraten, een bekende leerling van Rembrandt. Dat hebben we uit het museum van Voronezj gehaald speciaal voor onze jubileumexpositie." Niet zonder trots wijst Vadim Sadkov op de beeltenis van de jonge Van Hoogstraten die een prominente plaats inneemt in de Rembrandtzaal van het Moskouse Poesjkinmuseum. 'Een prachtstuk', oordeelt Sadkov, die in het museum de scepter zwaait over de Nederlandse en Vlaamse kunst.

Sadkov weet als geen ander welke werken uit de school van Rembrandt te vinden zijn in de Russische provincie en doet zijn best die doeken naar het Poesjkinmuseum te halen. "In de provincie zijn natuurlijk geen echte Rembrandts te vinden. Maar wel werken van zijn leerlingen en tijdgenoten die door hem zijn beïnvloed."

Zelf werkte Sadkov vijf jaar in het regionale museum van Serpoechov, alvorens alweer dertig jaar geleden aan de slag te gaan in het Poesjkinmuseum, een imposant gebouw op een steenworp afstand van het Kremlin. Het Poesjkinmuseum viert dit jaar zijn honderdjarig bestaan. Het eeuwfeest van een van Ruslands belangrijkste musea kan in Moskou vrijwel niemand zijn ontgaan. Al maandenlang is het museum niet van het televisiescherm te branden en onderwerp van diepgravende documentaires en nieuwsreportages op televisie. Er werd een marathoninterview uitgezonden met de 90-jarige directeur Irina Antonova, die met haar frêle gestalte al sinds 1961 onafgebroken aan het roer staat. 'Onze onvervangbare directeur', zeggen ze in het museum.

Aan de meeste gebouwen in de omgeving van het museum hangen bordeauxrode spandoeken die kond doen van het jubileumjaar. Al dat onroerend goed moet straks deel gaan uitmaken van een door de Britse architect Norman Foster ontworpen 'museumstad' die hier voor 2018 moet verrijzen. Die beoogde uitbreiding was alleen mogelijk dankzij het gezag en de invloed van Antonova, zegt hoofdcurator Tatjana Potapova. "Antonova is een autoriteit waar niemand omheen kan."

Dat het Poesjkinmuseum in zijn ontwikkeling wordt gehinderd doordat het zo lang onder leiding staat van een en dezelfde persoon gelooft Potapova niet. "Natuurlijk komt er een moment waarop veranderingen gewenst zijn, maar als het gaat om bepaalde moderne uitdrukkingsvormen, dan accepteert zij die, ze past zich aan. Zeker, onze permanente tentoonstelling is archaïsch. Er is heel veel geld nodig om dat allemaal anders te doen. We hebben onvoldoende ruimte om onze collectie in zijn geheel te laten zien. Dat merken we iedere keer als we een grote tentoonstelling hebben, dan moet een deel van de zalen dicht en moeten we andere zalen opnieuw inrichten."

In de nieuwe 'museumstad' zal veel te zien zijn dat nu nog aan het zicht is onttrokken. "De plannen zijn nog niet definitief goedgekeurd door de overheid, maar de financiering van de 'Poesjkin-museumstad', zoals het complex officieel gaat heten, is rond", zegt Potapova. "Daar zal er dan eindelijk ruimte zijn voor nieuwe informatietechnologie, audiovisuele presentaties, allemaal dingen die we tot nu toe niet konden realiseren omdat we er de ruimte niet voor hadden."

Het Poesjkinmuseum behoort samen met de Tretjakovgalerij, de Sint-Petersburgse Hermitage en het Russisch Museum tot de topmusea van Rusland. "Maar een Hermitage is het niet", erkent Vadim Sadkov. Dat zei directeur Antonova hem al bij zijn aantreden en Sadkov onderschrijft die woorden. "Ze zei ook: wat we tekortkomen in de collectie moeten we aanvullen met onze activiteiten." Dat zijn tentoonstellingen, maar ook talrijke educatieve programma's en het publiceren van catalogi.

"We mogen qua omvang en kwaliteit dan onderdoen voor de Hermitage, een kleiner museum heeft ook zijn voordelen", zegt Sadkov. "Het is veel eenvoudiger je eigen collectie grondig te bestuderen. Neem het Museum Bredius in Den Haag. Dat is ook niet groot, beschikt over ruim honderd werken én een uitgebreide wetenschappelijke catalogus. Het Rijksmuseum is daar nog maar net mee begonnen. Wij liggen op dat vlak ver voor op de Hermitage. Niet omdat wij zo slim zijn, maar omdat we minder museumstukken hebben."

Bij de opening in 1912 - in aanwezigheid van tsaar Nicolaas II - heette het Poesjkinmuseum voluit nog Museum voor Schone Kunsten. De vernoeming naar de dichter Aleksandr Poesjkin volgde pas veel later, in 1937. Het geesteskind van professor Ivan Tsvetajev was oorspronkelijk bedoeld als studiecentrum voor de Moskouse universiteit. De collectie groeit in de jaren daarna snel met authentieke kunst, dankzij de verwerving van enkele grote privéverzamelingen.

Pre-revolutionaire Moskouse kooplieden als Sergej Sjtsjoekin en Ivan Morozov hadden een fijne neus voor beeldende kunst uit het buitenland. De beste delen van hun verzamelingen kwamen terecht in het Staatsmuseum voor Nieuwe Westerse Kunst, dat in 1948 werd gesloten. Ze vonden daarna deels hun weg naar het Poesjkinmuseum, al kon veel 'bourgeoiskunst' aanvankelijk niet worden getoond, zoals Franse meesterwerken uit de negentiende en twintigste eeuw. Tegenwoordig zijn die juist de trots van het Poesjkinmuseum.

"Samen met de verzameling oud-Egyptische kunst maken die werken van de impressionisten, post-impressionisten, de vroege avant-garde, werken van Picasso, Matisse, Chagall, het Poesjkinmuseum tot een museum van wereldformaat", zegt Sadkov. In 1949 verdween de permanente expositie om plaats te maken voor een wanstaltige tentoonstelling van geschenken van Sovjetleider Stalin, naar aanleiding van diens zeventigste verjaardag. Niemand durfde hardop zelfs maar te vragen hoe lang de tentoonstelling zou duren. De vrees bestond, herinnerde Antonova zich later, dat die 'misschien wel voor altijd' zou zijn.

Met de dood van Stalin in 1953 viel ook het doek voor de tentoonstelling en kon het Poesjkinmuseum zich weer met kunst bezighouden. In de jaren die volgden werd het voor de Moskovieten een virtueel venster op Europa, in de Sovjettijd voor de meesten een verre, onbereikbare wereld. De eerste grote tentoonstelling van Picasso in 1956 zorgde voor een cultuurschok bij het Moskouse publiek en leidde tot enorme rijen. Die tijden leken pas even te herleven met de grote Dali-tentoonstelling in 2011, die in drie maanden tijd meer dan 270 duizend bezoekers trok.

Vadim Sadkov laat de pronkstukken zien uit de verzameling Nederlandse en Vlaamse meesters, al tientallen jaren zijn primaire werkterrein. "We hebben ongeveer duizend werken uit de Lage Landen, als we ook de negentiende en twintigste eeuw meetellen." Daaronder vallen óók tekeningen uit de zogeheten Koenigscollectie, die na de Tweede Wereldoorlog als 'trofeeënkunst' in de Sovjet-Unie belandde. Een deel van de collectie, bijeengebracht door de Haarlemse kunstverzamelaar Franz Koenigs, werd in 1941 illegaal doorverkocht aan de nazi's. Tientallen jaren was onduidelijk waar de tekeningen zich bevonden. Pas na het uiteenvallen van de Sovjet-Unie kwam er schot in de zaak en bleek een groot aantal werken zich in het Poesjkinmuseum te bevinden. Nederland wil de collectie terug, maar Moskou beschouwt de trofeeënkunst als rechtmatige compensatie voor de tijdens de oorlog geleden zware menselijke en materiële verliezen. "Er is een catalogus uitgebracht en de werken zijn tentoongesteld", zegt Sadkov. "Nu zijn ze weer opgeborgen, want grafiek mag je niet langer dan drie maanden achtereen exposeren. Maar of en wanneer de Koenigscollectie ooit wordt teruggegeven, dat hangt niet van ons af, dat wordt op een véél hoger niveau beslist."

"We hebben een prachtige collectie Hollanders", verzuchtte directeur Antonova eerder dit jaar. "Alleen een Vermeer hebben we niet." "Niet meer, althans", corrigeert Sadkov met een wrange glimlach. "Sjtsjoekin bezat een schilderij, 'De allegorie op het geloof', met daarop een handtekening die eerst werd gelezen als 'Eglon van der Neer'. Moskouse kunstkenners zeiden dat dat niet klopte, dat het schilderij het niveau van de collectie omlaag haalde en dat Sjtsjoekin het maar liever moest verkopen. Hij vroeg Abraham Bredius om raad, de toenmalige directeur van het Mauritshuis en een groot Vermeerkenner. Die bevestigde dat het geen Van der Neer was en zei het wel te willen kopen, voor een schappelijke prijs."

Sjtsjoekin deed het doek voor een vriendenprijs van de hand, waarna de sluwe Bredius het terug in eigen land onmiddellijk presenteerde als een echte Vermeer. Sadkov: "In Nederland was hij een held, want hij bracht een meesterwerk naar Nederland terug. Maar wij denken er met treurnis aan terug. Het doek hangt nu in het Metropolitan."

undefined

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden