Kleine theologie van de kwetsbaarheid

'Zijn gezichtje, in de schaduw, straalt, hij houdt in elk handje een klein verdord takje omhoog, heel precies, tussen duim en wijsvinger, en beweegt alleen zijn handjes. Omdat ik snel dichterbij kom, zie ik nu dat hij héél zachtjes voor zich uit prevelt, zijn lipjes bewegen in het witte gezichtje, en hij beweegt de takjes heen en weer, in spiegelbeeld, alsof hij een voor ons onzichtbaar elfenorkestje dirigeert, en meezingt met de melodie.' Dichter Maria van Daalen zag een 'heel kleine eeuwigheid' in een jongetje dat met twee stokjes zwaait bij een grasveldje, een man met een onbeantwoorde brief en een bronzen vrouwenbeeld voor een spiegel.

Laat op de dag, tegen etenstijd, ga ik nog even de deur uit om boodschappen te doen. Ik sla de hoek om van de kleine straat waar ik woon, en daar is het grasveldje, en de kinderspeelplek. Er is een wip en zo'n gekleurd huisje, en een tafeltennistafel, maar alles is verlaten. Bijna tenminste. Er staat één vader, verveeld, met de handen in de zakken, bij een klein jongetje. Hij laat zijn zoon uit, denk ik onwillekeurig. Er is genoeg te spelen voor een kind, er is alle ruimte om rond te rennen en te voetballen, maar het jongetje staat heel stil, vlak voor zijn papa. Zijn hoofdje is verscholen in de enorme capuchon van een te grote jas, en hij beweegt alleen zijn twee handjes. Zijn vader kijkt nors op hem neer, hij had liever met een pilsje voor de tv gezeten, denk ik, maar mama heeft gezegd 'Ga jij nou nog even met hem naar buiten', en nu staat papa te wachten tot het kind is uitgespeeld.

Het is alsof het jongetje door die norse man achter hem niet meer speelruimte heeft dan de schaduw van de man. Maar hij maakt er met heel zijn kinderziel het beste van. Zijn gezichtje, in de schaduw, straalt, hij houdt in elk handje een klein verdord takje omhoog, heel precies, tussen duim en wijsvinger, en beweegt alleen zijn handjes. Omdat ik snel dichterbij kom, zie ik nu dat hij héél zachtjes voor zich uit prevelt, zijn lipjes bewegen in het witte gezichtje, en hij beweegt de takjes heen en weer, in spiegelbeeld, alsof hij een voor ons onzichtbaar elfenorkestje dirigeert, en meezingt met de melodie.

Het jongetje is geen drie turven hoog, en als ik vlakbij ben, kijkt hij op. Hij staat precies in de weg. Ik zie de man achter hem een gebaar maken en verwacht dat die 'Ga eens opzij!' gaat zeggen, maar het blijft stil. Ook het kind maakt geen enkel geluid, maar de extatische blik in zijn ogen doet me even de adem inhouden. Het jongetje kijkt me recht aan. En dan, met een uiterst koninklijk gebaar, reikt hij mij één van de stokjes aan, alsof dat van goud is, alsof hij er plechtig de scepter van de hele wereld mee in mijn handen legt. Net zo plechtig neem ik het aan, ook tussen duim en wijsvinger, en beweeg het stokje net zoals hij. Daar staan wij, in stilte, en dirigeren tweestemmig een onhoorbaar melodietje. De man achter ons staat verstijfd, het is alsof hij versteend is, alsof wij ons in een heel andere tijd bevinden dan hij. Na korte of langere tijd geef ik het stokje zwierig terug, en word beloond met een samenzweerdersglimlachje van het kind. De vader zegt nog altijd niets. Misschien heeft hij er toch meer van begrepen dat ik gedacht heb.

Het heilige speelt

Alles bij elkaar heeft het misschien een halve minuut geduurd, maar het heeft een intensiteit die mij tot weken later bijblijft. Wat is er gebeurd? In de korte tijd van een tiental stappen vanaf de hoek van de straat, bestond er een kwetsbaarheid die zo sterk was, dat ze de tijd leek stil te zetten, de kwetsbaarheid van het oneindige goddelijke, dat even een aureool om een hoofdje tekent. Ik heb het heilige gezien. Niet een heilige of de heilige, maar het verschijnsel zelf, dat de wereld transformeert. Dat kan alleen maar heel kort. Daarna vallen de twee werelden weer uiteen. Het heilige speelt. Het is schijnbaar zonder doel. Het is uiterste kwetsbaarheid en die verandert een halve minuut lang de werkelijkheid in Ja, waarin? In een soort vakantie, maar dan niet met de betekenis van vacare, leeg worden. Het is uiterste volheid. Een halve minuut lang heeft alles betekenis. Welke? Die van zichzelf. Een heilig nu, waarin de tijd heel even niet belangrijk is. En niet een 'heilig moeten', maar een spel. Misschien is dat wat Kerstmis betekent. Elke godsdienst heeft z'n heilige geboorte. Komt dat omdat elke geboorte die kracht bezit die de wereld verandert? Toen ik mijn kind kreeg waren er mensen die zeiden, 'Nou, een kind op deze wereld zetten, jij durft, hoor!' Alsof je een kind krijgt om stoer te doen. Met dat ene kind dat jij een gelukkig thuis kan geven, wordt de harde werkelijkheid een heel klein beetje beter. En wie weet wat voor goede gevolgen dat over honderd jaar heeft.

Op dit punt aangekomen stuurt iemand mij een familiefoto met een baby'tje erop. Het is geboren op 4 mei jl., vlak voor acht uur. Dat is wonderlijk. Je zou bijna denken dat er een voorouder is teruggekomen, en dat die maar dadelijk de datum heeft uitgezocht waarop wij weggevoerde en vermoorde voorouders herdenken. Waar was ik op die vierde mei?

Een onbeantwoorde brief

Ik zat naast een oude man die mijn taal niet sprak, en die mij een brief voorhield van zestig jaar geleden, een brief van 22 juli 1945, die geschreven was door een jonge vrouw uit Nederland. Hij droeg die brief op zijn hart, en zei, hulpeloos, 'Ik heb nooit teruggeschreven En nu, ik zou zo graag willen weten' 'Of ze nog leeft?', vulde ik aan. Waar was het, die vierde mei, ruim anderhalve maand geleden? Het was in Montréal, Frans-Canada, in het grote stadhuis, vlakbij de haven, in een hoge zaal met houten lambrisering en koperen kroonluchters, bij een rechtstreekse uitzending van de dodenherdenking op de Dam in Amsterdam. In Nederland liep het tegen acht uur 's avonds. In Montréal was het bijna twee uur 's middags, op een koude, gure dag, en de zaal was vol oude Canadese veteranen, met al hun medailles opgespeld, en er waren cameraploegen en fotojournalisten. Er waren weinig Nederlanders. Natuurlijk de Consul Generaal, Albert Moses, en de Consul, Fred de Bruin, en andere medewerkers van het Nederlandse Consulaat Generaal, die dit hadden georganiseerd als een van de evenementen waarmee ons land Canada wilde bedanken op deze zestigste verjaardag van de bevrijding. Rondkijkend ontdekte ik ook dichter Erik Lindner, die drie maanden in Montréal is met een reisbeurs. Twee Nederlandse dichters op enige honderden Frans-Canadezen. Erik wuifde uit de verte naar me. 'Ik kom alleen om jou het Wilhelmus te horen zingen', zei hij later, met die wonderlijke Pierrot-glimlach van hem. Naast me zat de man. Hij is een oude Frans-Canadese veteraan. 'Komt u echt uit Nederland?', vroeg hij vriendelijk in zijn zachtsuizende québécois-tongval. 'Kent u dan misschien Groningen? Daar was ik op 5 mei 1945, ziet u.' 'Ik wóón in Groningen', antwoordde ik. Hij keek mij sceptisch aan, alsof hij dacht dat ik hem voor de gek hield. Toen begon de klok van Amsterdam ook in Montréal te beieren, ik zag op het enorme videoscherm de koningin uit het Paleis komen, en in de zaal werd het stil.

Maar niet de twee minuten van dodenherdenking waren het kwetsbaarste moment van die dag, al maakte het indruk op me, dat Albert Moses, de stijlvolle CG, diep ontroerd raakte, zodat Erik en ik hem tijdens de receptie een tijdje tussen ons in hielden, als om hem lijfelijk te steunen. Nee, maar dat de veteraan naast me opeens die oude brief uit zijn jaszak haalde, en smekend tegen mij zei: 'Leest u die eens alstublieft!' En dat de brief dateerde van 22 juli 1945, en geschreven was door een jonge vrouw uit Arnhem, een Nederlands meisje dat verliefd was geworden op haar Canadees, Gerry uit Québec. De brief was in een kinderlijk Engels gesteld, in een letterlijk vertaald Nederlands, en doorliep het hele bloedende scala van verlangen, onzekerheid, verdriet, en hopen-tegen-hopen. 'Dear Gerry I hope you will write me back In what country and what town are you living now? I do not know what to write now and I must finish, for I have to eat.' In de brief is sprake van 'father, mother and Riet'. De jonge schrijfster heette Wil van Leunen, en woonde op Raapopseweg 24 te Arnhem. (Voor een foto van brief en inhoud, zie www.mariavandaalen.nl onder 'agenda')

Iemand in een ver buitenland, die een onbeantwoorde brief zestig jaar lang bewaart. En die brief dan meeneemt, en op zijn hart draagt, omdat het opnieuw mei is, en de Nederlanders een herdenking organiseren. Niet eens in de stad waar hij woont, hij moet er een uur voor rijden, en dan is het nog maar de vraag of tijdens die bijeenkomst van oud-strijders en consulair personeel, iemand er tijd en aandacht voor heeft. De kwetsbaarheid, en het onmogelijke. Een oude man uit Canada zit naast me, en houdt me een brief voor. Er zit 3,50 aan zilverbonnen uit 1938 en één gulden papiergeld (met koningin Wilhelmina erop) uit 1943 bij ingestoken door de schrijfster, die haar gunner Gerry nog iets wilde geven, toen, in 1945. Hij zegt zacht: 'Ik wás al getrouwd, vlak voordat ik naar de oorlog in Europa ging. Mijn verloofde dacht dat dat beter was. Het duurde vier jaar voordat ik weer thuis was. Italië. Duitsland. Nederland. En nu ben ik gescheiden. Ik wou' Ik neem een foto van de brief, zeg ik. En dan zal ik het in de krant zetten. Misschien is er wel iemand die het zich herinnert. 'Na zestig jaar nog?', twijfelt hij. 'U leeft toch ook nog?', zeg ik. Zijn handen beginnen te trillen.

Pats!

Een deel van alles wat weerloos is, kan een enorme kracht ontwikkelen, omdat het waardigheid bezit, en waarheid. Welk deel? Het deel dat, moreel gezien, deugt. Misschien is morele deugd wel dat wat de kracht uitmaakt van grote kunst.

Ik geloof niet dat je je 'kwetsbaar kunt opstellen'. Kwetsbaar gebeurt. Het is argeloos, het gaat vanzelf. Eventjes. Daarna bedenk je ineens dat je nu zo kwetsbaar bent, en pats!, slaat het venster dicht. Kwetsbaar is, dat Petrus uit de boot stapt, het deinende wateroppervlak op, omdat hij de geliefde Ander over het water ziet lopen, en een ogenblik lang die diepste ontroering voelt die hem lichtvoetig maakt en zwevend, zonder gewicht. 'Ik kom naar je toe!' En voor de duur van die emotie kan het ook.

Ik wil bij je zijn en ik kom naar je toe. Kwetsbaarheid is nabijheid. Ik wil even met jou in het nu zijn. Ik laat daarvoor even alles los.

Op mijn schrijftafel staat een bronzen vrouwenbeeld van beeldhouwster Natasja Bennink. Een 'De Venus van Antwerpen', ongeveer 30 cm hoog, op een stenen sokkel van 5 cm. Ik heb mijn twee handen nodig om haar op te tillen. De kunst kan bar zwaar zijn. En toch is zij kwetsbaar en zij ontroert mij zo, dat ik haar voor een spiegel heb gezet, en nu kan ik haar altijd van twee kanten zien, wanneer ik aan het werk ben. Telkens als ik naar haar kijk, ben ik even in het nu van de ontroering. Even alles los, even opgetild. Het paradijs is niet ver weg. Het ziet er precies zo uit als hier, alleen een heel klein beetje anders. Maar dat hele kleine beetje 'anders' is zo moeilijk te bepalen dat iemand ons moet helpen. Een kunstenaar. Een dichter. Een kind. De messias. Iemand vertelt het zo: 'Een rabbijn, een echte kabbalist, zei eens: om het rijk van de vrede te vestigen is het niet nodig alles te vernietigen en met een compleet nieuwe wereld te beginnen; het volstaat om dat kopje of dat boompje of die steen een klein beetje te verplaatsen, en zo is het met alles. Maar dat kleine beetje is zo moeilijk te realiseren, en de afmeting ervan zo moeilijk te bepalen, dat, wat de wereld betreft, de mensen er niet toe in staat zijn, en het nodig is dat de messias komt.'

De jonge Italiaanse filosoof Giorgio Agamben legt het mij uit, door te vertellen over de aureool.1 Een aureool is iets heel kleins in de kerkgeschiedenis, het is alleen maar dat gouden cirkeltje om het hoofd van een heilige. Het is met die volmaakte werkelijkheid als met het spel van die kleine jongen, alles is heel even heilig. Denk je nu hetzelfde in, maar dan is die verandering, dat een situatie heilig wordt, iets dat nooit meer ophoudt. Alsof er iets met het licht gebeurt, alsof er een kleine trilling van licht, een regenboogschijnsel, te zien is langs de randen van elk voorwerp. Zo onopvallend en zo overal aanwezig is de meerwaarde van het nieuwe, in de nieuwe hemel en de nieuwe aarde. Twee heel verschillende dingen gaan door elkaar lopen, tintelend, de eeuwige zaligheid waarin alles en iedereen samenvalt met God, en de eigen persoonlijkheid van die ene heilige. Of je zou kunnen zeggen, dat de aureool een zone is waarin mogelijkheid en werkelijkheid tegelijk bestaan. Of, nog anders, een zone waarin de toekomst en het verleden tegelijk aanwezig zijn. Want alle mogelijkheden openhouden, dat is de toekomst. En dat wat gebeurd is, dat is het verleden. De aureool is nu, en steeds maar nu, en dat bestaat in deze wereld niet. Maar in de messiaanse tijd kan het wél.

Zodra ik nu 'Nu!' zeg, is het al verleden tijd.

voorbij: het nu

is zo klein als het geledigd kwadraat

van een vallende klinker

(Dichtregel van Gerrit Kouwenaar, uit 'zonder namen', Querido 1962).

Een oog om te zien

Elk nu is een heel kleine eeuwigheid. Even de adem inhouden. Een klein jongetje dat zachtjes met twee stokjes zwaait bij een grasveldje. Een man die mij een brief voorhoudt van zestig jaar geleden, maar die hem nog net zo ontroert als toen hij die opende. Een bronzen vrouwenbeeld voor een spiegel, dat elke ochtend als ik de kamer binnenkom, mij even zo'n klein schokje geeft, zo'n gevoel alsof ik word opgetild. Wie is de messias, die nodig is om de ons bekende werkelijkheid een heel klein beetje te wijzigen zodat het een 'rijk van de vrede' wordt? Iemand die met zijn of haar levende aanwezigheid voor mij de verbinding legt tussen straks en daarnet, die even betekenis verleent, de betekenis van aanwezigheid zelf. Iemand die even het nu uitlicht, net als beeldende kunst dat kan doen, of een gedicht, of een klein kinderspel. En het oog om het te zien. Een oog zoals dat van een fotograaf die door een lens kijkt, en een foto maakt van een leeg zwembad. Er is niets. Er is alles. Er is geen water, maar je ziet kinderen spatten en spelen en zwemmen, je hoort wat er niet is, vanwege de overvolle leegte. In de afgelopen jaren maakte ik deel uit van de jury die jaarlijks het kunststipendium à 5000,> euro toe mocht wijzen aan inzender(s), studenten van de Rijksuniversiteit Groningen. De bedoeling van het stipendium is dat studenten daadwerkelijk kunst 'maken'. Terugkijkend zie ik hoe we nog elke keer een inzending beloond hebben die blijk gaf van kwetsbaarheid.

Onderzoek door en in de kunst is essentieel anders dan wetenschappelijk onderzoek in die zin, dat het de discussie kan aangaan met alles om zich heen, dat het daarin geen beperkingen kent, en dat het niet noodzakelijk binnen het vakgebied de beste plaats heeft, of in het laboratorium. Kunst speelt. Dat is niets nieuws. Kunst herstelt mijn emoties. Het kunstvoorwerp wil met mij in contact treden, en tussen mij en het nog dode ding ontstaat even die mengvorm, 'handeling van verwarring', de ontroering bedoel ik, die de opening biedt voor nieuwe inspiratie, dat is, dat ik de kwetsbaarheid wil toelaten. Waarom? Om zichzelf. Om dichtbij de Ander te zijn, hoe kort ook.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden