Kleine rugbylanden willen in Europese competitie groeien

De voorzitter van de Nederlandse Rugby Bond wil Nederland geen 'B-land' noemen. DIOK-coach Snijders vindt het verschil met het Engelse spelpeil helemaal niet zo groot, maar volgens HRC-teammanager Truijens loopt het Nederlandse rugby tientallen jaren achter. Toch liegen de plannen er niet om: vanaf volgend jaar doen twee Nederlandse rugby-teams mee aan een internationale competitie. Nou ja, voorlopig slechts met Belgische en Duitse clubs. Rugby goes Europe.

Niet in elke sport bereiken Nederlandse clubs Europese successen. Voor Den Helder en Aalsmeer, respectievelijk basketbal- en handbalkampioen van 1995, duurde de deelname aan het Europa Cuptoernooi slechts één ronde. Maar of zo'n toernooi nu een titel of een teleurstelling oplevert, één ding is zeker: Europa lonkt, een Europese competitie geeft een sport uitstraling, meedoen aan zo'n competitie geeft iedere deelnemer een kick. Daar kan geen sporter omheen. Ook een rugbyer niet.

Rugby? Jazeker, rugby. De kleine teamsport met het bescheiden aantal van tussen de negen- en tienduizend beoefenaars kent met ingang van het nieuwe seizoen ook z'n eigen internationale competitie. Eigenlijk was die er al, maar niet voor Nederlandse clubs. Daar gaat verandering in komen. Vanaf volgend jaar spelen twee Nederlandse clubs ieder in een poule tegen een Duitse en een Belgische tegenstander.

In het Europese rugby is de hiërarchie keurig geregeld. Engeland en Frankrijk zijn de top-of-the-bill, gevolgd door andere Britse landen: Wales en Schotland. Verder spreken Ierland en tegenwoordig ook Italië een woordje mee. Deze zes landen hebben sinds vorig jaar een internationale clubcompetitie opgezet, voor de eerste maal gewonnen door het Franse Toulouse.

De minder bedeelde rugby-landen kijken met afgunst naar deze zes toppers. Deelnemen aan een of ander Europees toernooi, internationale ervaring en contacten opdoen, zich koesteren in de stralen van een Europa Cup, dat willen zij ook wel. Nochtans kan van een krachtmeting met de grote zes geen sprake zijn; daarvoor is het verschil te groot.

“Laten we reëel zijn”, bepleit Joop Roozeboom, voorzitter van de Nederlandse Rugby Bond (NRB). “We groeien in Nederland regelmatig naar de Europese A-landen toe. Dan steken we even het koppie op en zakken daarna weer terug.”

De NRB constateerde dat het vaderlandse rugby bezig was steeds verder van de wereldtop (Zuid-Afrika, Nieuw-Zeeland, Frankrijk, Engeland) weg te groeien. “Wij hebben vastgesteld dat het gat te groot wordt. Daarom hebben we contact gezocht met de internationale bond. We hebben ons daar geprofileerd als ontwikkelingsland. De IRFB ging met die voorstelling akkoord en zegde ons geld toe uit het ontwikkelingsfonds. Daarmee kunnen we vooruit met de plannen die we hebben bedacht. ”

Met Duitsland en België werkte de NRB het plan uit om te komen tot een internationale clubcompetitie. Ieder land levert twee deelnemers. De wedstrijden vinden in het najaar plaats. Voor 1997 staat een uitbreiding op de rol met clubs uit Denemarken en Tsjechië; de bonden uit die landen hebben deelname al toegezegd. Roozeboom: “Als over drie jaar blijkt dat het een succes is, kan de winnaar misschien wel deelnemen aan het toernooi van de grote landen.” Een Europa Cuptoernooi voor 'B-landen' dus. Roozeboom: “Zo wil ik het niet noemen; 'B-land' klinkt zo negatief.”

De deelnemende clubs voor Nederland zijn landskampioen DIOK en HRC, de ploeg die als tweede in de competitie gaat eindigen. Gisteren speelden beide ploegen in Leiden tegen elkaar in de kwartfinale voor de nationale beker. DIOK verloor voor de eerste keer dit seizoen. Met 20-16 gingen de Leidenaren na een 12-3 achterstand bij rust ten onder.

“De wedstrijden tussen DIOK en ons worden nooit ruim gewonnen”, zegt Ruud Truijens, teammanager van HRC, “maar vandaag was de winst verdiend. Onze driekwarten speelden met meer resultaat dan hun voorwaartsen en dat was precies het verschil.”

Truijens vindt de komende Eurocup een goed initiatief. “Wil je rugby laten groeien, dan moet je tegen betere ploegen spelen.” Vind je die dan in België of Duitsland? Truijens: “Nou nee, dat niet. Maar tegen de Engelsen spelen is ook geen oplossing; dan worden we geveegd. Het probleem is dat we in Nederland tientallen jaren achter lopen.”

Paplepel

DIOK-coach Theo Snijders ziet dat anders. De ex-bondscoach kent de internationale krachtsverhoudingen. “Het verschil met Engeland is dat daar de jeugd rugby met de paplepel ingegoten krijgt”, meent hij. “We lopen dus inderdaad achter, maar dat liepen de voetballers van Malta en Cyprus ook. En kijk nu eens. Veel winnen doen ze nog niet, maar ze maken het de gevestigde voetballanden al knap moeilijk.” Snijders denkt dat er niet zo veel tijd nodig is om de marge met de grote Europese rugby-landen te overbruggen. “De verschillen tussen ons en de Engelse clubteams zijn echt niet zo groot”, verzekert hij.

In de visie van Snijders is de Europese competitie dan ook het begin van een onomkeerbare ontwikkeling. “Rugby professionaliseert. Dat gaat razendsnel. Dit plan is een voorbode voor een grotere Europese competitie. Wij spelen in Nederland nog geen grote rol, omdat we een trainingsachterstand hebben, maar dat gaat veranderen, omdat de clubs visies gaan ontwikkelen. DIOK loopt daarin voorop. Als clubtrainer heb ik gesteld dat we volgend jaar viermaal per week gaan trainen.”

Truijens weet ook wel een oplossing om in korte tijd het Nederlandse rugby op een hoger niveau te brengen. “Dan moet je er veel geld in pompen. Dat is in Italië ook gebeurd. Vind maar net zoals daar een sponsor die zo gek is erg veel geld op tafel te leggen. Als dat er is, kun je goede spelers aantrekken.”

Dat is nu net niet de 'HRC-methode', waar men sterk voor eigen kweek is, in tegenstelling tot DIOK. De Leidse ploeg struint de regio af om talentvolle spelers te vinden en aan zich te binden. Truijens: “Bij HRC doen we dat niet. We hebben een Nieuw-Zeelander, maar die is aan komen lopen. We ontmoetten hem op een toernooi in Luxemburg en hij wilde naar Nederland. HRC regelde werk en een huis voor hem. Maar hij betaalt gewoon contributie.”

Snijders schampert: “HRC haalt ook spelers bij andere clubs vandaan, hoewel HRC meer op stabiliteit is gericht, op houden wat je hebt. Dat is niks voor mij, ik ben voor lef.”

Truijens is wel benauwd dat goede Nederlandse spelers hun heil elders gaan zoeken als ze Europese aandacht krijgen. “Die kans zit erin, dat je ze via die contacten kwijtraakt. Het voordeel is dat de club later veel profijt van zo iemand kan hebben als hij terugkomt.”

Roozeboom gelooft er niet in dat Nederlandse rugbyers in de markt zijn voor een buitenlands avontuur. “De kloof is te groot en iedereen die dat ontkent, ontkent de realiteit. Wie zegt dat we spelers voor de wereldtop hebben, verliest de realiteit uit het oog.” Snijders: “Ik zie ze wel. Het zijn er niet veel, maar ze zijn er. Hier lopen wel degelijk grote talenten rond.”

De NRB-preses ziet andere positieve effecten. “We krijgen tv-exposure. Rugby is visueel erg attractief; daar valt op tv heel veel van te maken. Door die internationale competitie komt er meer tv, daar ben ik zeker van. De NOS moet dat voetbalgat opvullen en daar past rugby mooi in.” Truijens beaamt dat en Snijders ook, al voegt hij, hamerend op zijn stokpaardje, eraan toe: “Dan moet wel het spel aantrekkelijker worden. Dat betekent meer trainen, meer activiteiten richten op de jeugd, beter scouten, de achterstand met de A-landen inlopen. Rugby is een fantastisch produkt, dat veel aandacht verdient, maar dan moet het volwassener, professioneler worden. Dat zie ik als mijn strijd.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden