Review

Klassieke dierfiguren inspireren nog altijd

Joyce Dunbar: 'Muis en Mol' en 'Muis en Mol vieren feest', ill. James Mayhew, vert. Pieter van Oudheusden, Casterman, ¿ 19,95; Russell E. Erickson: 'Dinsdag eet ik je op' en 'Wie verjaagt de boskat?', ill. Lawrence di Fiori, vert. Tjalling Bos, Ploegsma, ¿ 23,50, alle vanaf 5 jaar.

Toppers uit de laatste twintig jaar van deze traditie zijn bijvoorbeeld de verhalen over 'Kikker en Pad' (1980-1985) van Arnold Lobel, de dierensamenleving uit 'Het onbegonnen feest' (1984) en 'De olifantsberg' (1985) van Els Pelgrom en natuurlijk de reeks Kikkerboeken van Max Velthuijs (1989-heden).

Je moet wel lef hebben om in deze rijke traditie nog met iets nieuws te willen komen. Joyce Dunbar en James Mayhew draaien er met hun recent verschenen prentenboeken 'Muis en Mol' en 'Muis en Mol vieren feest' niet omheen: ze zijn expliciet aan Kikker en Pad opgedragen. Dat is terecht, want Muis en Mol zijn een aan Kikker en Pad verwant duo; de opzet - korte verhalen die los van elkaar gelezen kunnen worden - is vergelijkbaar, en er spreekt eenzelfde vriendelijke onbevangenheid uit. Toch weet Dunbar in haar acht verhalen twee sterke eigen karakters te creëren: Mol als de passieve, luie, consumptieve, domme, ijdele, en Muis als de aktieve, bedachtzame, wijze, die zich echter één keer niet bedwingen kan en de picknickmand leegsnoept als Mol er even niet is.

De verhalen zijn geestig, met een goede plot en sterke dialogen. In de meeste verhalen hebben Muis en Mol het druk met zinloze dingen, zoals teveel eten, filosoferen over het al dan niet plukken van een narcis, snorharen bijknippen tot er niets meer van over is, nadrukkelijk iets niet verwachten. Alleen het slot van de verhalen is soms slap, omdat Dunbars tekst te lang doorgaat. Zoals in het verhaal 'Opruimen', waarin steeds ruimte gemaakt wordt om iets te kunnen doen, wat inhoudt dat rommel van de ene naar de andere kamer verplaatst wordt. Tenslotte gaat alles van de keuken naar de slaapkamer om pannenkoeken te kunnen bakken. Maar ja, dan zijn ze moe van al het sjouwen en willen gaan slapen... Daarhad het verhaal kunnen stoppen, maar dan volgen er nog vier regels. Lobel gaat in dat opzicht economischer met zijn tekst om. Jammer, want verder zijn het puike verhalen, die hun plek in de Grahame-traditie waard zijn. Het is dan ook uitkijken naar de twee nieuwe 'Muis en Mol'-boeken die in het najaar verschijnen en evenals de eerste twee door de VPRO als animatiefilmpjes zullen worden uitgezonden.

Twee andere dierenboeken die in deze traditie lijken te staan zijn 'Dinsdag eet ik je op' en 'Wie verjaagt de boskat?' die de Amerikaan Russell Erickson al in de jaren zeventig schreef, maar die nu pas in het Nederlands vertaald zijn. Beide verhalen - er komen er meer - beginnen met de twee paddenbroers Mort en Wart die in een huis onder de grond wonen. Maar wie verwacht dat het verhaal over die twee gaat, heeft het mis.

In beide verhalen gaat Wart op een lange, avontuurlijke tocht naar zijn tante Tulia, om haar allerlei lekkers te brengen: keverknispers, muggensaus, gekruide rupsen en zoetzure slakken. Mort komt er dan niet meer aan te pas. Onderweg stuit Wart op gevaarlijke vijanden als een uil en een boskat, maar door zijn goedheid en slimheid redt hij zichzelf en anderen uit de penarie. In deze verhalen gaat het dus niet om psychologisch raak uitgewerkte karakters met een knipoog naar volwassenen. Het zijn pure kinderverhalen, vol dreigend gevaar en spannende achtervolgingen, maar ondanks de titels vrij soft en met een gelukkige afloop en positieve moraal, zoals: je hoeft kwaad niet altijd met kwaad vergelden, en: je kunt ook iets voor een ander doen zonder er iets voor terug te vragen. Wat wél aan Grahame en Lobel doet denken is hetzelfde knusse getuttel, en de stijl van de illustraties.

'De wind in de wilgen' leverde namelijk ook een zeer herkenbare illustratie-traditie op (waarvan alleen Velthuijs afwijkt): realistisch, maar met aangeklede dierenduo's die in knusse huisjes wonen en steevast - het is bijna jatwerk - thee drinken bij de open haard, zoals uit bijgaande illustraties blijkt. Overigens kwam die traditie niet uit de lucht vallen: Grahames illustrator Ernest Shepard, die in de jaren twintig ook Winnie de Poeh tekende, had illustere voorgangers als Beatrix Potter (van 'Pieter Konijn').

In de 'paddenboekjes' volgt illustrator Lawrence di Fiori de pentekentraditie van Shepard in een iets getailleerdere, minder uitgesproken stijl. James Mayhew geeft in zijn wat streperige kleurenillustraties Muis en Mol weer meer pit en humor, maar opvallend blijft de overeenkomst tussen Shepard (1908), di Fiori (1974), Lobel (1976) en Mayhew (1993): overal die open haard, schoorsteenmantel met klok, leunstoelen en een sfeer van gezelligheid-kent-geen-tijd.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden