Klaas Dijkstra en zijn eigen platte wereld

De meeste bewoners van deze wereld weten hoe het zit. We leven op een bol, niet op een pannekoek. Oude verhalen over een platte aarde, rustend op olifanten, stieren of een soepschildpad hoor je niet meer. We weten dat de aarde rond de zon draait, we hebben van Newton en Einstein, van zwaartekracht en tijdruimtekromming gehoord, en we maken ons niet ongerust dat neef in Nieuw-Zeeland er misschien afvalt, zo ondersteboven.

NICOLAAS KLEI; ROB SCHOTEN; RUUD VERDONCK

Maar wacht. Niets is zeker. In 1963 verscheen van Klaas Dijkstra het boekje 'Pleidooi voor de platte aarde', en daarin bewijst hij dat wij, de bollandisten, het mis hebben. De aarde is een platte schotel. Geen voetbal, maar een frisbee. Volgens de blurb (de wervende tekst op de achterkant van een boek die de lezer moet overtuigen dat hij hier iets bijzonders heeft) 'doseert (sic) de denker KLAAS DIJKSTRA aan de hand van de laatste ontwikkelingen en ervaringen van ruimtevaarders en ontdekkingsreizigers zijn moeilijk te weerleggen stellingen.'

Die stellingen staan aan op bladzij vijf. Het zijn er zes, genummerd 1, 2, 3, 4, 5, 7: De aarde draait niet en beweegt zich niet om de zon. We hebben geen tegenvoeters en er is ook geen sterrenhemel onder de aarde. De zon is kleiner dan de aarde en veel dichterbij dan aangenomen werd. We zien niet met, maar IN het oog.

Vliegtuigen, kunstmanen en astronauten cirkelen, net als zon en maan, om en nabij de aquatoriale zone met het oude noordpoolgebied als centrum. De maan werkt als een spiegel waarin de ganse aarde zich in het plat reflecteert.

Verval

Dijkstra begint zijn boek aan het Noordzeestrand. Als we, zo zegt hij, aannemen dat de wereld een bol is, met een omtrek van 40 000 en een doorsnee van 13 000 kilometer, dan moet er een verval van de curve zijn. Professor Pannekoek in 'De Wonderbouw der Wereld' en professor Oswald Thomas in 'Astronomie' hebben uitgerekend dat er na acht kilometer een verval van vier meter is.

Een schip dat op die afstand van het strand vaart ligt dus, door de kromming van de aardbol, vier meter lager dan waar wij staan. 'Op grond van deze theoretische berekening zou men zich al gelukkig mogen prijzen als men op een afstand van acht kilometer nog de horizon zou zien. Nietwaar? Realiseert u zich dit even goed!'

Toch zien wij in de verte de Piet Hein van het koninklijk gezin varen, - 'de Prins staat als een stoere zeeman aan het stuurwiel' - zien we vanuit Staveren Enkhuizen, en vanaf de Martinitoren het eiland Borkum, 41 kilometer verderop. Was de aarde een bol, dan konden we dat niet zien, want de bolling van de aarde zou tussen ons en de Piet Hein, Enkhuizen en Borkum liggen. Een straaljager met een uursnelheid van duizend kilometer, zou vliegend over de ronde wereld elke honderd kilometer een paar honderd meter moeten vallen om bij de wereld te blijven. Als de piloot rechtdoorvloog, zou hij spoedig via de stratosfeer in het heelal verdwijnen.

Vleugeltjes

Om Dijkstra weer met beide benen op de grond te brengen hebben de bollandisten op deze redenering argeloos de zwaartekracht genoemd. Nee, zegt Dijkstra, die geldt wel voor een ballon, of een pijl uit een boog, 'maar wanneer men nu eens een met vleugeltjes toegeruste pijl afschoot, zou de zwaartekracht geen invloed hebben.

De vleugeltjes zouden kaarsrecht door de lucht snijden zonder zich iets van een bolrondheid van de aarde aan te trekken, waardoor het hoogteverschil met de kromming van de aarde steeds groter werd om pas in een hoge ijle luchtlaag iets naar omlaag te vallen. Dat een straaljager tijdens de vlucht Schiphol-New York niet tweeduizend kilometer met de bolling van de aarde mee naar beneden gaat - 'wel nee, ik vlieg rechtdoor!' zei een onzer straaljagerpiloten - bewijst dat de aarde plat is.

Die bolle aarde zou zes quadriljoen kilogrammen wegen en met honderdzesduizend kilometer per uur rond de zon stormen. Er om heen draait tegelijkertijd de maan (vierenzeventigduizend triljoen kilogram). De zon vliegt met twintigduizend kilometer per seconde door de ruimte. Het hele stelsel blijft door de zwaartekracht bij elkaar. En dat moeten wij geloven? De trekkracht van de maan zou enorme vloedgolven in de zeeen teweegbrengen, de trekkracht van de zon, zo ontzaggelijk dat de aarde in haar baan blijft, zou alle water en lucht naar een kant van de aarde zuigen.

Roerloos

En toch, de waterplassen liggen roerloos stil, geen zuchtje wind beweegt de boombladeren. Het is dus zo: De noordpool is het centrum van onze aarde.

Daar omheen liggen de continenten en oceanen. De aarde wordt begrensd door een dijk van ijsbergen - het gebied waarvan wij denken dat het de zuidpool is. Op zo'n plat vlak liggen de werelddelen op het zuidelijk halfrond uiteraard veel verder uit elkaar dan op een globe. En dat klopt ook! Dijkstra heeft het nagemeten, met een passer en de vaartijden van oceaanstomers. Een reis van Kaapstad naar Kaapstad, via Melbourne, Wellington en Kaap Hoorn duurt 56 dagen, terwijl New York-New York maar 28 dagen kost. Op een bolle aarde zou ook de cruisereiziger Kaapstad-Kaapstad maar twee weken weg zijn. Dat er in de zuidelijke ijszeeen zoveel walvisvaarders zoveel walvissen kunnen vangen en elkaar toch niet voor de voeten varen is alleen te verklaren als die zeeen daar aanzienlijk uitgestrekter zijn dan die rond de Noordpool.

Boven onze platte aarde - hij ziet eruit zoals de wereldkaart die in de kinderkamer van het Paleis te Soestdijk te vinden is - cirkelt een kleine zon in de vorm van een plafoniere. Een kom, van onder rond, van boven afgeplat, die alleen naar beneden licht en warmte schijnt, naar de aarde. Dit is alleen al waar omdat een zon zoals de bollandisten het zich voorstellen bijna een goddeloze gedachte is.

Verspilling

Want die zon zou 1 300 000 maal groter zijn dan de aarde, en dat kan toch niet. Wat een roekeloze verspilling! Gedoogt zulk een enorme, spilzieke, zon dat wij ons in de wintermaanden arm stoken. Dat er ginds een hittegolf is, terwijl wij tegelijkertijd in de zomer de kachel warm stoken? Er klopt dan of bij de grote Schepper of bij de kleine mens iets niet. Gelukkig werd het Dijkstra gegeven te weten dat de aarde niet rond maar plat is.

Naast de plafoniere-zon is er nog de maan. De maan weerspiegelt de platte aarde. Rechtsboven, in die donkere vlek, het oog van het mannetje in de maan, is ondersteboven de wereldkaart te zien. En wat er verder nog op de maan te zien is, dat is een weerspiegeling van de andere plateaus van de platte aarde.

Want we wonen hier niet in ons eentje. Buiten de rand van ijsbergen die de ons bekende wereld begrenst zijn nog zes plateaus, opklimmend in hoogte. Aan het enorme aantal kraters op de maan kan men zien 'hoe ontzettend uitgestrekt de ganse platte aarde is'. Want kijk, dr Wilhelm Meijer heeft 32 856 kraters op de maan geteld. Aangezien op onze continenten lang niet zoveel kraters zijn, zijn die maankraters dus een weerspiegeling van de kraters op de buitenste plateaus van onze platte wereldschotel.

Tegen het einde van zijn studie wordt Dijkstra met drieste stappen dapperder. Hij heeft steeds minder bewijs nodig om steeds grotere filosofieen van zijn wereldbeeld te concipieren. Er zijn dus zes plateaus, buiten het onze, bevolkt met verschillende beschavingen. Twee lagere beschavingen op de terrassen vlak naast ons, wilde volkeren, vier hogere beschavingen op de andere plateaus. Daar komen de vliegende schotels van.

Nerveuze weduwe

Dijkstra heeft er zelf een gezien, op de Loosdrechtse heide. Hij kan het juiste huis aanwijzen waar een mannetje van de schotel naar binnen ging, maar om de zeer nerveuze weduwe die er in woont niet te verontrusten noemt hij het adres niet. Het zevende plateau houdt zich niet bezig met het versturen van vliegende schotels naar denker Dijkstra, want daar bevindt zich het Paradijs.

Nu is de lezer misschien geneigd dit niet direct serieus te nemen, zelfs niet na het lezen van alle uitvoerige bewijzen die Dijkstra biedt. Maar er zijn meer mensen die weten dat de aarde plat is. Het wordt echter geheim gehouden. Er zijn proefnemingen gedaan, Russen en Amerikanen hebben gegevens over raketvluchten waarbij wonderlijke dingen gebeurden, dingen die alleen zijn te verklaren als de aarde plat is. Een kennis van Dijkstra (een niet onbekende ten Paleize) weet hier meer van, maar hem werd gevraagd erover te zwijgen. Het is 'strategisch geheim'.

Een ding vind ik jammer. Dijkstra belooft in begin van 'Pleidooi voor de platte aarde' later uit de doeken te zullen doen waar onze platte aarde op rust. Een platte aarde heeft als groot nadeel dat hij niet zomaar door de ruimte kan draaien. Hij moet ergens op staan. Op buffels of een soepschildpad bijvoorbeeld.

Maar Klaas Dijkstra vertelt niet waar zijn wereld op gebaseerd is.

Wat je zegt ben je zelf!

In mijn verhandeling over de eerste en laatste koning van Corsica van vorige week viel weer eens het woord 'Mof' voor Duitser, een van onze meest geaccepteerde en getolereerde uitingen van vreemdelingenhaat. Een hele generatie behandelt de Duitsers voornamelijk onder hun bekendste scheldnaam. Zo herinner ik me van mijn grootvader dat hij alle oosterburen, tenzij een of andere onmetelijke verdienste iemand daarvan vrijwaarde, als 'Moffen' beschouwde. Of hij zich over de herkomst van ons meest nationale scheldwoord bekreunde, weet ik niet, wel dat de meeste Nederlanders niet weten waar het schimpende 'Mof' eigenlijk vandaan komt.

Welnu, met de losse, gevoerde mouw van diezelfde naam heeft onze 'Mof' in elk geval niets te maken. Het is veel waarschijnlijker dat de Duitsers zelf hun scheldnaam in de Nederlanden hebben geimporteerd. Men kent het woord bij ons sedert de zestiende eeuw, toen het vooral gebruikt werd voor Duitse soldaten, die zelf het oorspronkelijke Duitse woord 'Muff' in hun ransel hadden. 'Muff' is Duits voor een stuk chagrijn en het gebruikelijker adjectief 'muffig' betekent iets als ongemanierd en slecht gehumeurd.

Moffemaf

Het woord 'Mof' en zijn varianten deed ook vroeger niet in de eerste plaats dienst als vleiend epitheton, zoals blijkt uit de citaten die het Woordenboek der Nederlandsche Taal geeft:

'Sal dan de grove Mof dit schoone land besayen? / En sal de wreede Wael dees vruchtbaer ackers mayen?' of 'Wat al vys gesnabbel / Moffe-maff spreeckt brobbel-brabbel'.

Overigens verstond men onder 'moffen' zeker niet alle Duitsers; het woord werd aanvankelijk vooral gebruikt voor de Westfaalse bedienden die in groten getale bij de welvarender Hollanders in dienst waren. Eigenlijke Hollanders gebruikten de term ook wel voor de bewoners van de oostelijke provincies Overijssel en Gelderland. (Terzijde, in het Duitse OostFriesland noemt men de Nederlanders ook wel 'Moffen'.)

De betekenis van 'Mof' was voor de tweede wereldoorlog overigens niet zo uitsluitend negatief als erna. Op elkaar schelden was vroeger in het algemeen meer een ingebakken volksgewoonte, die door isolement en bekrompenheid gevoed werd, dan de uiting van een al dan niet ergens op stoelende afkeer. In het W. N. T. lezen we onder het lemma 'Mof' zelfs (het artikel werd ver voor de Duitse bezetting geschreven): 'Tegenwoordig worden de Duitsers over 't algemeen anders beoordeeld, en is de term mof, hoe gemeenzaam ook, dikwijls vrij van minachting.' Zo schrijft Multatuli: "Die 'Moffen' hebben verstand van regeeren, dat kan ik verzekeren."

Schimpscheuten

Niet bekend

Waar of niet, onze taal en geschiedenis kent een imposante lijst van schimpscheuten voor alles wat ons niet zinde: Hoeken en Kabeljauwen, papen, Schieringers en Vetkopers, Keezen (de Patriotten wier mascotte, een zeker hondje, sindsdien het 'keeshondje' werd), malcontenten, Doelisten en Bijltjes, Federalisten en Moderaten en gaat u maar door. Tussen dat onverbeterlijk gekanker hoort ook het woord 'Mof' thuis.

Dat de term 'Mof' in en na de tweede wereldoorlog zo'n wijde verbreiding vond in alle sociale lagen, zal niet in de laatste plaats samenhangen met het feit dat zelfs koningin Wilhelmina het woord via Radio Oranje wel eens in de mond nam: 'Sla de mof op zijn kop!'

Karakteristiek voor de oorspronkelijk wat neutralere betekenis van 'Mof' is dat men in de oorlog het woord op zichzelf niet voldoende scheldkracht toemat, en daarom bij voorkeur van 'rotmof', of nog beter 'vuile rotmof' sprak.

Vreemd is overigens dat in het boekje 'Scheld-, schimp- en spotnamen, voorheen en thans' van A. Hallema, dat pal na de oorlog, in 1946, verscheen, het woord 'Mof' niet een keer valt. Geheel vruchteloos is lezing van dit boekwerkje overigens niet. Men leert er over Ketelschijters, Kluinkoppen, Stinkende hondskonijnen, leuningbijters, het Hallelujajezusje (voor een heilssoldate) en Kaatjes gajes (voor rooms katholieken).

Arm en kaal

Onze hedendaagse hekel aan 'Moffen' lijkt vooral gevoed door een combinatie van ressentiment aan de tweede wereldoorlog en ergernis vanwege het Wirtschaftswunder; dat laatste lijkt reeds voorzien in deze oude op rijm gezette waarheid:

'Wanneer de mof is arm en kaal, dan spreekt hij een bescheiden taal. / Doch komt hij in een goeden staat, dan doet hij God en mensen kwaad.'

Over de hedendaagse verspreiding van het woord 'Mof' bestaat weinig informatie. De indruk bestaat dat het gebruik wat afneemt. Toch scoorde het lemma 'Mof'in de Frequentielijst van Nederlandse woorden, die opgesteld werd in de jaren zeventig en gebaseerd is op representatief gesproken en geschreven Nederlands in alle soorten en maten, tamelijk hoog. Met een score van 8 op de om en nabij 720 000 getelde en gerubriceerde woorden, evenaart 'Mof' woorden als 'kleurig', 'kei' en 'aantekening'.

Ter vergelijking: in hetzelfde materiaal treffen we het woord 'bil' zesmaal aan, en het woord 'neuken' slechts tweemaal. Wie echt exclusief wil zijn, mijde dan ook het woord 'Mof'. Met 'Keynesiaan' of 'kippekontje' komt u leuker uit de hoek; die woorden werden elk slechts een keer aangetroffen.

Heeroom

Veel hadden wij ons thuis van het leven voorgesteld - maar nooit dat heeroom nog eens zou figureren in het dagblad Trouw. Een dag of tien terug was hij er ineens, ruim twintig jaar na zijn overlijden, maar toch. In een verhaal over het pestkerkhof te Alphen (NB) dat er nog zo perfect bij ligt, was uitgebreid sprake van pastoor W. C. J. Binck, 'een verwoed amateur-archeoloog'. Heeroom dus.

Er bestaan niet veel heerooms meer, en nog minder heerbroers, heerzoons en heerneven, dat leren de statistieken van de rooms-katholieke kerk; de tijd van 'Een hengst op stal en een zoon op het seminarie' is lang voorbij. Een heeroom is een oom die priester is geworden. Pastoor Binck was een priester en een oom van onze moeder. Voor de kinderen was het dus geen echte heeroom (officieel een oud-heeroom of een heer-oudoom), maar je wilde toch met iets voor den dag kunnen komen, dus spraken wij graag en liefst quasi terloops over het bezit van kortweg een heeroom.

Niet te verwarren uiteraard met onze tante nonneke, die voor onze generatie ook eigenlijk een oudtante nonneke was, van vaders kant. Ze was, de keer dat ik haar bezocht, oud en niet echt goed aanspreekbaar meer, maar wel in het klooster waar zij non was, te zien als bewijsstuk van de stamboom. Veel families met nog een originele tante nonneke in de gelederen zul je ook niet meer hebben.

Vliegen

De laatste keer dat ik heeroom zag, was ergens begin jaren zestig, toen ik in Etten-Leur 'bij de boer' vakantie vierde. Wij hadden zo wat boeren in de familie- en kennissenkring waar je in de zomer een paar weken doorbracht. Heeroom kwam naar Etten-Leur omdat er iets heemkundigs te vieren was. Pas op: in zijn geboortedorp (1882) Leur beschikken ze inmiddels over een Pastoor Binckstraat, het was wel iemand. Te Alphen hebben ze wel een Tempeliersdreef maar niks met Binck erin.

Etten-Leur leent zich uitstekend voor heemkundige vieringen. Je hebt er, zonder volledigheid na te streven, de oude veemarkt, de brouwerij van Cambrinus, je vindt er een antieke molen, er is een prachtig hofje en Vincent van Gogh heeft er nog enige tijd gewoond. De opening van de festiviteiten zou plaatsvinden vanaf het bordes van het gemeentehuis; vergat ik nog, Etten-Leur heeft ook een fraai gemeentehuis.

Op de afgesproken tijd verscheen heeroom, vergezeld van de burgemeester en alle daarvoor in aanmerking komende plaatselijke heem- en sibbekundige grootheden. Heeroom hield het niet bij een sober openingswoord, hij kreeg ter plekke de geest en begon te gebaren als was hij eigenlijk van plan een stukje te gaan vliegen.

Snelweg

Het mager opgekomen publiek - het was ook de aarbeientijd - kon hem vanwege een niet adequate geluidsinstallatie nauwelijks volgen. Bovendien bevond zich tussen hem en zijn gehoor de snelweg die midden door Etten en met een geniepige bocht voor het gemeentehuis, van Roosendaal naar Breda liep. Het verkeer daverde tijdens de toespraak gewoon door - menige vrachtwagenchauffeur heeft een meter of honderd verderop nog wel eens bemerkt dat hij zijn lading onder aan het bordes had afgeleverd.

Op enig moment besloot heeroom er dan toch een einde aan te maken. Hij drukte zijn bonnet vast op het hoofd en maakte zich uit de voeten - anders valt zijn tred niet te duiden, ter verontschuldiging geldt dat hij altijd zo liep. Hij had veel te doen.

De duiding amateur-archeoloog doet niet helemaal recht aan zijn betekenis. Zo vond ik dat hij reeds ver voor deze in de mode geraakte de high-five toepaste. Indien hij op de fiets een bekende passeerde en er geen tijd was voor een praatje, dan moesten toch altijd even de handen tegen elkaar gekletst worden. Het zal er minder swingend hebben uitgezien dan de huidige uitvoeringen op de sportvelden, maar toch.

Het klinkt wat Don Camillo-achtig, maar in publicaties over heeroom komt de vergelijking met de door Fernandel vorm gegeven schepping van Giovannino Guareschi regelmatig terug. Een zorgzaam zieleherder, maar met het hart op de tong en altijd midden tussen de mensen. Heeroom was ook een sportief type. Hij gaf de stoot tot de oprichting van de Rooms-Katholieke Voetbalbond in het bisdom Breda.

'De brakken'

Als kapelaan te Breda, wij hebben het nu over de periode 1913-1926, trachtte hij de jongens ('de brakken') van de straat te houden met behulp van de voetbal. Daar was enige durf voor nodig, want voetbal was nog niet echt het vermaak van het gewone volk en zeker niet van het r.-k. deel daarvan. Hij kreeg voor zijn aanpak dan ook veel kritiek van kerkelijke en burgerlijke autoriteiten. Maar heeroom was tamelijk eigenwijs en drukte zijn plan door. 'De voetbalkapelaan van Breda', dat is hem dus ook.

Het is niet uitgesloten dat het einde van die voetbalbond tegelijk de aanzet heeft gegeven tot de oprichting van Brabants Heem, waar heerooms naam vast mee verbonden is. In 1940 werden alle voetbalbonden door de Duitsers ondergebracht in een nationale bond, de Nederlandse Voetbal Bond. Er waren nogal wat van die onderbonden, clubs als HBC en natuurlijk Volendam vormden het r.-k. boegbeeld in hun Inter Diocesane Voetbal Bond; een bond inclusief interlands voor r.-k.-landenteams. Het verdween in eind '40 om nooit meer terug te keren.

De bezetter gaf heem- en sibbekunde een zekere prioriteit, daarin werd immers de voedingsbodem gevonden die nauw aansloot bij de nationaal-socialistische ideeen en symbolen. 'Die heren van Baldur (von Schirach van de Hitlerjugend en Reichsstatthalter in Wenen) zullen met hun poten van ons eigen Brabant afblijven!', sprak heeroom vastberaden tijdens de bijeenkomsten die hij overal in de provincie hield en afsloot met een 'Edel Brabant, Were Di'. Zo ontstond in '41 Brabants Heem, weggesleept voor de grijpgrage klauwen van de NSB. (Dat van die toespraak te Etten-Leur zal dus 1961 zijn geweest: 20 jaar Brabants Heem).

Alle wegen

De archeologie was zijn grote passie, waar hij zoveel mogelijk dorpsgenoten in Alphen, hij was er in '32 pastoor geworden, in meesleepte - zie Trouw van donderdag 30 januari 1992. Het was heerooms overtuiging, dat Alphen op het kruispunt lag van alle wegen die naar Rome hadden geleid, althans tenminste twee heirbanen. Bij elke spade die de grond in ging, kwam er wel een interessante potscherf tevoorschijn, had hij meer bewijzen nodig? De heemkunde heeft hem onmatig geboeid, tot aan zijn dood in december 1971.

Bij heerooms begrafenis werd de baar geflankeerd door leden van de bond oudstrijders. Wie de positie kent die een pastoor innam in een dorp als Alphen, kan bij benadering zijn rol in het verzet duiden. Toen de commandant van de Poolse divisie eind oktober '44 onder meer de bevolking van het juist bevrijde Alphen opdracht gaf naar Turnhout te evacueren, aldus dr. L. de Jong in zijn 'Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog', bleek dat onder de 1 200 Alphenaren die te voet op weg gingen zich niet minder dan 130 onderduikers bevonden. En meneer pastoor natuurlijk.

Meijers

In ons O. O. derde jaargang nr 25 is een storende fout geslopen in de studie 'Rome in het voorjaar van 1954', over de bemoeienissen van prof. Meijers met het Nieuw Burgerlijk Wetboek. De datum op het cruciale Document 146 is 25 juni 1954 en niet, zoals gemeld, 25 juni 1951.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden