Kitty Verbeek 1919-2007

Kitty Verbeek ging de verpleging in om aan haar ouderlijk huis te ontkomen. Vervolgens bracht ze het vak op een hoger plan.

Waarom vraag je me niet waarom ik niet getrouwd ben en geen kinderen heb, vroeg Kitty Verbeek aan de interviewer.

Hij was langsgekomen om haar te portretteren: er moest een documentaire komen – al is die tot dusver nooit verschenen – over de grote figuren in de verpleging in de laatste vijftig jaar. Ze hadden lang over het vak zitten praten en ze waren, dacht hij tenminste, wel zo’n beetje klaar.

Dat vind ik eigenlijk zo’n onbetamelijke vraag, zei hij.

Toch wil ik daar iets over zeggen, zei zij. En ze vertelde. Dat haar moeder, Kitty van den Boogaard, zo jong gestorven was aan de ziekte van Weil – toen de vier kinderen nog klein waren. Dat haar vader, Rob Verbeek, economisch directeur van het psychiatrisch ziekenhuis in Santpoort, snel hertrouwde. Dat het tussen Kitty en die vrouw niet boterde – zacht gezegd. De manier waarop ze het woord ’stiefmoeder’ uitsprak zei al zo veel. Dat ze dáárom nooit kinderen had gewild. Om te voorkomen dat die ooit in dezelfde, beschadigende, situatie konden belanden.

Kitty Verbeek ging eind jaren dertig de verpleging in, om een reden die ze gemeen had met zo veel jongeren: het was een van de weinige geaccepteerde mogelijkheden om het ouderlijk huis uit te gaan. Het was ook meteen de reden waarom zoveel verpleegsters na een paar jaar afhaakten.

Zij niet. Ze ging de psychiatrische verpleging in; ze wilde de gevoelens van mensen beter begrijpen. In Santpoort raadde geneesheer-directeur prof. dr. G. Kraus haar aan om buitenlandse ervaring op te doen. Dat deed ze: tussen 1946 en 1952 werkte ze in Londen, Caïro en Parijs. In Parijs maakte ze kennis met een verpleegsysteem waarbij één verpleegkundige voor vier of vijf patiënten alles deed. Dat vond ze stukken beter dan de versnipperde, contact-armoedige werkverdeling in Nederland: de ene verpleegster komt bij de patiënt eventjes dit doen, de andere dat. Een onveilige werkwijze. Bovendien heeft de verpleging er zo geen belang bij dat de patiënt zich op z’n gemak voelt – terwijl dat voor diens herstel juist heel belangrijk is.

Toen ze weer terug was in Nederland, ging ze een betere opleiding tot psychiatrisch verpleegkundige opzetten. Kraus nam haar mee naar een congres van de World Health Organization. Daar sprak ze het congres toe over die betere opleiding. Het was voor India aanleiding om haar te vragen hetzelfde te doen in Bangalore. Toen ze in 1960 uit dat land terugkwam – president Nehru zwaaide haar op het vliegveld uit – werd ze directeur van het net opgerichte Praktisch Seminarium voor Gezondheidszorg in Utrecht.

Nederland moest af van de eigen verpleegopleidingen van ieder ziekenhuis, vond Kitty Verbeek. Ze wilde echte dagscholen, die onafhankelijk moesten zijn van de ziekenhuisdirecties en niet te lijden hadden van de acute werkdruk in de praktijk, waar leerling-verpleegsters te snel en te zwaar werden ingezet. Bovendien, vond ze, ontbrak het in de verpleging aan leiderschap. De scholen voor leidinggevenden in de verpleegkunde kwamen er, in de jaren zeventig. Dat lag niet in de laatste plaats aan de overtuigingskracht van Kitty Verbeek.

Ze was een krachtige persoonlijkheid. Je moest van goeden huize komen om niet te vinden wat zij vond. Ze had er ook nooit enige moeite mee om met artsen en andere academici op gelijke voet te overleggen. Tegelijk ook was ze streng. Als ze het met iemand oneens was, schroomde ze niet om dat en public te zeggen. Je was al gauw ’een beetje dom’ als je haar tegensprak.

Sinds het Seminarie onderdeel werd van de Hogeschool Utrecht en in Leusden kwam, woonde ze daar. Ze kwam er op het idee om asielzoekers, die tot nietsdoen veroordeeld worden, in te zetten in de thuiszorg – een idee waarvoor ze, van oudsher liberaal en daarom van de VVD, in 2001 zelfs PvdA-lid werd. Thuis had ze een enorme verzameling beeldjes van uilen. Niet voor niets heet een nieuwe prijs, voor „de psychiatrisch verpleegkundige van het jaar”, de Kitty Verbeek Uil.

Voor de vraag of de verpleging door haar toedoen werkelijk is verbeterd had ze de laatste tien jaar niet meer zoveel belangstelling. Tot die tijd wel; het was een pijnpunt. Jawel, de cao’s zijn beter, de beroepswet BIG is er gekomen, de sociale positie van verpleegkundigen is verbeterd. Maar aan Kitty Verbeeks credo dat de verpleging primair een sociaal en invoelend beroep hoort te zijn, kan nog veel worden verbeterd – dat wist ze zelf ook. Ook in de winter van haar leven vond ze dat „er nog veel moest gebeuren”.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden