Kitaj: 'Soms kokhalzen mijn schilderijen' beeldende kunst

T/m 4 sept. in de Tate Gallery in Londen, geopend ma-za 10-17.50 uur, zo 14-17.50, cat. pond 19,50 (Fl. 54,60); tot 9 okt. in Victoria & Albertmuseum, ma 1218, di-za 10-18, zo 14-18; tot 20 aug. in de Marlborough Gallery, 6 Albemarle Street. Cat. pond 10 (ca. Fl. 28).

De Amerikaan die sedert 1957 in Londen woont, wordt tot de belangrijkste figuratieven van deze tijd gerekend. Hij is dan ook 'onbetaalbaar', maar toch is er voor Fl.1260 (excl. BTW) nog een etsje te koop uit 1991, oplage 20 stuks. Het is een portretje van zijn moeder.

In de Tate ondergaat men allereerst het doordringende van de kleuren en kleurcontrasten, dan de directe nabijheid van de hectische voorstellingen.

Kitaj - die in Ohio als Ronald Brooks werd geboren maar die de naam van zijn stiefvader aannam - is de volkomen tegenpool van zijn landgenoot Don Judd, die alles verwerpt wat eigen is aan Europese kunst. Judd stelt daar zijn doosachtige constructies tegenover. Kitaj daarentegen vond dat hij als 'provinciaal' een grote culturele achterstand moest inlopen ten opzichte van kunstenaars die in Europa opgroeien. Met een ontzaglijke gretigheid heeft hij zich op de literatuur en de kunstgeschiedenis gestort terwijl hij ook politieke wederwaardigheden in vele gebieden volgde. Op een hoogst persoonlijke manier heeft hij een encyclopedische kennis verwerkt. Zijn schilderijen zijn daar de neerslag van.

Hij wilde er vaak meer in kwijt dan doenlijk was. “Soms kokhalzen mijn door kunst en boeken gevoede schilderijen”. Het overzicht begint met enkele doeken waarin als op een blad uit een plakboek voorstellingen, knipsels en cryptische motiefjes zijn verwerkt. De samenhang kan alleen voor de schilder duidelijk zijn. Daarom geeft hij verbale toelichtingen, die ook zijn aangebracht naast de schilderijen en in de catalogus. Achteraf voldeed ook hemzelf het fragmentarische van die vroege doeken niet. Hij liet vervolgens zulke losse fragmenten fuseren tot een picturale eenheid. Hun samenhang bleef soms ondoorgrondelijk.

Kitaj ervoer dat zelf als een probleem, want het was hem niet om een autonoom vormenspel te doen. Hij wilde met zijn werk anderen deelgenoot maken van wat hem bewoog. Toch werken zijn doeken door hun beeldende kwaliteit ook zonder de uitleg die hij er bij bleef leveren. In 1970 vond ik bij het zien van zijn tentoonstelling in Museum Boymans-van Beuningen in Rotterdam dat hij 'berust in het onvermogen expliciet te zijn over ingewikkelde samenhangen.' Later verklaarde hij dat hij op die manier een onvervalst equivalent gaf van zijn levensgevoel en bewustzijnsinhoud. Hij ging er van uit, dat hij aldus ook namens geestverwante tijdgenoten schilderde. “Hij schilderde op één doek op tien verschillende manieren en strooide ideeën als confetti”, verklaarde zijn studiegenoot, de filmer Peter Greenaway.

Ook mèt de toelichtingen vergt het 'lezen' van zijn schilderijen een niet geringe eruditie. Hij geeft de kijker, voorzover die zijn literaire en kunsthistorische associaties kan thuisbrengen, dezelfde voldoening als Umberto Eco de lezer van 'De slinger van Foucault'. Zijn grote voorbeeld op dit gebied is echter Ezra Pound, die de lezer van zijn 'cantos' op tekststukjes in velerlei talen onthaalt. Kitaj wilde - naast sprakeloze verfdieren en theoretiserende conceptuele dogmatici - zowel een culturele vrijbuiter zijn als een pictor doctus, een kennismolen. Maar in 1982 verzuchtte hij dat zijn schilderijen kennelijk te moeilijk waren.

Zijn werk is vaak 'literair' genoemd. Als een schilder die zozeer uitgaat van kennis, vindt hij dat geen woord van afkeuring. Hij is niet in één rubriek onder te brengen met andere belangrijke figuratieven. Wel verkeerde hij met Britse popart-kunstenaars, maar zijn werk is van andere aard, individualistischer vooral. Toch wilde hij blijkbaar graag tot een richting behoren. Vandaar dat hij de term 'Londense school' opperde. Hij rekende daar naast zichzelf onder anderen Bacon toe en Lucien Freud, die er geen prijs op stelden.

Als een Amerikaan in Londen - 'expatriate' zoals ook Hemingway, Eliot en Pound - en als jood heeft hij zich steeds ietwat ontheemd gevoeld. Uit zijn thema's sprak altijd al een sociale bewogenheid, maar in de loop van de jaren zeventig ging hij zich in het bijzonder verdiepen in het joodzijn. Op de tentoonstelling in de Tate geeft een schilderij van 183 x 183 cm het joodse huwelijk weer dat hij in 1983 met Sandra Fischer sloot.

De schilderijen in de Marlborough Gallery zijn ontstaan nadat in 1989 een lichte hartaanval hem aan zijn sterfelijkheid herinnerde. Ze zijn homogener van voorstelling en losser van penseelvoering, over een gefixeerde tekening heen. In de jaren zestig al werd hij, blijkens zijn deelname aan de Documenta te Kassel, tot de meesters van de tekenkunst van deze eeuw gerekend. De laatste jaren is hij weer meer gaan tekenen. Behalve portretten zet hij oud-Testamentische figuren op het blad, soms in een rembrandtieke trant.

De prenten in het Victoria & Albertmuseum getuigen vooral van zijn bibliofiele enthousiasme. Hij drukte bijvoorbeeld in sterke vergroting titelbladen uit zijn bibliotheek af. Een blad dat van de andere afwijkt wijst op een tijdelijke verwantschap met Paolozzi. Van zijn grafiek zijn de portretten verreweg het beste.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden