Kindermoord / De buren merkten er niets van

Wat drijft ouders tot het ultieme kwaad: het doden van hun eigen kinderen? Een misplaatst gevoel van mededogen bijvoorbeeld, of wraak, of een psychose. Nieuw Nederlands onderzoek werpt licht op de motieven van de dader.

Iris Pronk

Hij gebruikt geen drugs, is geen zuiplap, heeft geen strafblad, draagt geen bord met ’gevaarlijk’ op zijn buik. De gezinsmoordenaar is vaak een gewone man, die zijn auto wast, zijn gras maait, zijn kinderen naar school brengt en zijn hond uitlaat als hij ’s avonds thuis komt van kantoor.

En dus komt zijn gruweldaad als een volslagen verrassing. ’Nooit iets gemerkt’, ’Keurig gezin’, ’Wij zijn totaal verbijsterd’, zeggen de buren op een kwade dag, als de politie de straat heeft afgezet omdat deze man zijn vrouw en zijn twee kinderen heeft vermoord.

Dat de buren niets merkten, is niet zo gek, zegt psycholoog en criminoloog Marieke Liem. Zij onderzocht – samen met forensisch psycholoog en criminoloog Frans Koenraadt – 250 gevallen van kinderdoding in gezinsverband: 160 dossiers van het Pieter Baan Centrum en 90 dossiers van vergelijkbare klinieken in het buitenland. In 23 gevallen ging het om ’familicide’, een meervoudige moord op eigen kinderen én (ex)partner, vaak gevolgd door zelfmoordpoging van de dader.

Elk dossier is anders en dé dader bestaat niet, benadrukt Liem. Maar de familicidepleger onderscheidt zich wel op een aantal punten van andere kinderdoders. Hij is altijd een man, hij is de dertig ruim gepasseerd, hij plant meestal zijn misdrijf (bepaalt het tijdstip, typt een afscheidsbrief) en hij mishandelde zijn kinderen niet. Zijn geschiedenis was ’blanco’, vandaar dat de omgeving geen waarschuwingssignalen kreeg. De crisis die leidde tot deze meervoudige moord, speelde zich onzichtbaar af in zijn hoofd.

Een dreigend ontslag zou daarvan de oorzaak kunnen zijn, zegt Liem, die uit privacy-overwegingen niet op een bestaande zaak wil ingaan. Maar een fictieve casus wil ze wel beschrijven. „Stel je een man voor die graag controle wil hebben over zijn gezin, die denkt dat zijn vrouw en kinderen totaal van hem afhankelijk zijn. Gaat het slecht met zijn bedrijf, staat zijn baan op de tocht, dan ontwikkelt hij een tunnelvisie. Langzaam raakt hij ervan overtuigd dat de dood de enige oplossing is: hij wil zijn gezinsleden voor armoede, schande en erger behoeden.”

Naast dit semi-altruïstische motief – waarbij de dader denkt dat hij zijn slachtoffers redt door ze te doden – kan wraak een rol spelen bij familicide. Vader is ontzettend kwaad of verdrietig omdat zijn vrouw hem wil verlaten, hij ervaart ’een narcistische krenking van de trots’, zegt Liem. En dan besluit hij om haar te straffen op de allerergste manier: via haar kinderen, die hij ziet als verlengstuk van de partner. Dit heet het Medea-scenario, naar de heldin uit Euripides’ tragedie die haar eigen kinderen doodde om zich te wreken op haar overspelige man Jason.

Medea liet Jason in leven, en dat gebeurt in de moderne werkelijkheid ook meestal: in de overige dossiers van daders die Liem en Koenraadt bestudeerden, was geen sprake van partnerdoding en dus ook niet van familicide. Wel van neonaticide (de moord op een pasgeborene, vaak binnen 24 uur na geboorte), infanticide (kinderen tot 1 jaar) en filicide (van 1 tot 12 jaar).

Het doden van heel jonge baby’s is vooral een vrouwenmisdrijf, de familicide is dus typisch manlijk, maar verder troffen de onderzoekers zowel moeders als vaders aan: de verdeling is ongeveer fifty-fifty. Zij handelen doorgaans niet weloverwogen maar in een fatale opwelling; daarom luidt het oordeel van de rechtbank meestal ’doodslag’. Een vuurwapen grijpen de daders slechts een enkele keer; meestal brengen ze hun kroost om door het te wurgen of te verstikken, het te steken met een mes of het te slaan met een hamer of ander slagwapen.

En ook dit komt geregeld voor, zegt onderzoeker Koenraadt: de kindermoord als ’een zeer drastisch ongeluk’. Ze hadden de dood niet gepland of bedoeld, de (stief)ouders die hun kinderen zo vaak en hard mishandelden dat ze eraan overleden. Dit type dader is meestal een man, zegt Koenraadt, „die zijn zoon of dochter hard wil disciplineren en niet in staat is zijn fysieke kracht af te stemmen op de kwetsbaarheid van het kind.”

De dood van dat kwetsbare kind heeft ook andere oorzaken, die te herleiden zijn tot de tijdelijk of langdurig ontregelde psyche van zijn vader of moeder. Die wordt, behalve door wraak of misplaatste altruïstische gevoelens, ook vaak gedreven door een depressie of psychose: dan handelt de dader onder invloed van wanen of hallucinaties.

Ook verlatingsangst is een motief, zegt Liem. „Het zijn bijvoorbeeld vrouwen die volledig afhankelijk zijn van hun kind. Zij voelen zich in hun bestaan bedreigd zodra dat ouder wordt en zijn eigen weg gaat zoeken. Ze doden hun kind en plegen daarna vaak zelfmoord, vanuit de gedachte: de enige manier om nog samen te zijn is in de dood.”

In de 250 dossiers kwamen Koenraadt en Liem nog veel meer motieven tegen: jaloezie van de vader bijvoorbeeld, die zich door zijn vrouw verwaarloosd voelt en zijn kinderen als concurrenten ziet. Of het ’Münchhausen by proxy syndroom’, waarbij de ouder zijn kind systematisch ziek maakt of (fataal) verwondt, om zelf te kunnen gloriëren in de rol van de barmhartige verzorger.

Een depressieve moeder, al bekend bij de jeugdzorg; een gewelddadige stiefvader; een psychotische drugsverslaafde of alcoholist; een ’mercy-killer’ die zijn kinderen uit mededogen doodt; een keurige buurman die wraak wil nemen op zijn ex-vrouw – uit dit grote onderzoek in Nederland rijst geen eensluidend, herkenbaar profiel op van dé kinderdoder.

Maar drie algemene conclusies kan Koenraadt wel trekken. Ten eerste: „Hoe jonger het kind, des te meer risico het loopt.” De meeste slachtoffers zijn kinderen van enkele uren, dagen, weken of maanden oud. En heel vaak zijn zij ongewenst – omdat ouders de zorg niet aan blijken te kunnen, of omdat moeder sowieso niet zwanger had willen zijn.

Opvallend is tenslotte dat veel daders hun kinderen zozeer als een verlengstuk van zichzelf beschouwen, dat ze hen als het ware meezuigen in hun eigen zelfmoord. ’Extended suicide’ (uitgebreide zelfdoding), zo luidt de term voor dit fenomeen. Vader of moeder ziet voor zichzelf geen andere uitweg en denkt: ’Dan heeft mijn kind dus ook geen leven meer.’ Dit speelde in twintig procent van de 250 zaken, zegt Koenraadt.

Pleegt de dader geen zelfmoord, of overleeft hij zijn poging, dan slaat hij later, als hij bijvoorbeeld medicijnen slikt tegen zijn psychose, vaak alsnog de hand aan zichzelf. Dat is ook wel begrijpelijk, zegt Liem. „Het is een enorme klap als zij zich realiseren wat ze hebben gedaan." Buitenstaanders zijn vaak woedend op de daders en ook dat is begrijpelijk. Maar Liem zegt dat we ons ook moeten realiseren: kinderdoders zijn vaak dader en slachtoffer tegelijk.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden