Kinderkamer

Met een tas vol boodschappen loop ik over straat, wanneer mijn aandacht wordt getrokken door een houten speelgoedtrein. Die bevindt zich in de vensterbank van een raam dat ik passeer. De locomotief is felrood, de wagentjes erachter zijn groen, blauw en geel. Verrast blijf ik staan. Ik kijk naar binnen. Daar ontdek ik een kinderbed, bevolkt door lappenbeesten. Op de vloer een blokkendoos, een poppenhuis, een bromtol. Aan de muur tekeningen met een grote lachende zon in de bovenhoek. En ook een blad papier waarop geschreven staat: roos, vuur, vis. Bij het herkennen van die woorden krijg ik een brok in mijn keel.

Terwijl ik mijn weg vervolg, raak ik bestormd door herinneringen van twintig jaar en langer geleden. Ik zie me weer op zomeravonden door de polder fietsen, met mijn zoon Aron in een stoeltje aan het stuur. Ik hoef me maar voorover te buigen om mijn neus in zijn krullen te duwen en om zijn geur op te snuiven: dat geheimzinnige vanille van onbedorvenheid. Ik hoor weer zijn heldere kinderstem. 'Welterusten koeien', roept hij. 'Welterusten paarden, welterusten ganzen.' Hij is ervan overtuigd dat zij de slaap niet kunnen vatten zonder dat hij hen persoonlijk een goede nacht heeft toegewenst. Het is een taak die hij dodelijk ernstig opvat. Geen dier mag worden overgeslagen. 'Welterusten kikkers. Welterusten wormen. Welterusten spinnen. Welterusten mieren.'

Als zijn werk erop zit, rijden we naar huis. Daar laat hij zich uitgeput wassen en naar bed brengen. Op het voeteneinde van het bed zing ik liedjes.

Bij jouw joodse wiegje

staat een sneeuwwit geitje.

Dat geitje is gaan handelen

in rozijntjes en amandelen

Rozijntjes en amandelen,

dat wordt jouw beroep.

Nauwelijks ben ik aan het tweede lied begonnen, of zijn ogen vallen dicht. Maar ik kan me niet dadelijk van hem losmaken. Ik blijf nog een poos naar hem kijken, zoals hij daar weerloos ligt. Ik neem zijn rimpelloze voorhoofd in me op, de gave bogen van zijn wenkbrauwen, de tere wimpers, de gekrulde lippen. Hoeveel uren heb ik zo bij mijn slapende zoon doorgebracht? Ik ken zijn gezicht oneindig veel beter dan het mijne, alsof het met de fijnst mogelijke naald in de plaat van mijn geheugen staat geëtst. Hoe vaak heb ik de wacht bij hem gehouden en gebeden dat het kwaad hem niet zou vinden? Want moeders bidden wat af. Het dondert niet of ze ergens in geloven, ze smeken alle machten op aarde en in de hemel om het behoud van hun kinderen. Het moederschap maakt zeloten van zelfs de meest verstokte goddelozen.

Plotseling voel ik een doffe pijn in mijn hartstreek, een stompzinnig heimwee naar de tijd dat mijn zoon nog met treintjes speelde, naar de tijd dat ik hem nog in mijn armen kon tillen, naar de tijd dat hij nog paste op mijn schoot. Nee, nu niet gaan huilen, niet hier op straat. Maar het is al te laat. De tranen stromen over mijn wangen en druppelen in mijn hals. Beschaamd vlucht ik in een portiek. Daar klem ik de volle boodschappentas aan mijn borst en snik ik het uit. Totdat iemand luidruchtig zijn keel schraapt. Als ik snotterend het hoofd hef, sta ik oog in oog met een wildvreemde. Ik blijk de deur te versperren waardoor hij, met zijn sleutel in de aanslag, naar binnen wil. 'Wat is er aan de hand?', vraagt hij vriendelijk. Zonder te antwoorden ga ik opzij. Mijn verdriet is niet voor uitleg vatbaar. Bovendien ben ik niet tot spreken in staat. Zwijgend maak ik me uit de voeten. Maar de hele verdere weg naar huis blijft het in mij jammeren: 'Roos, vuur, vis. Roos vuur, vis'.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden