Review

Kinderen van James Baldwin

Schrijven zwarte Amerikanen anders dan hun witte fellow Americans? Tegen dat idee verzette James Baldwin zich al in 1953. Zijn personages zijn 'mensen die allereerst mensen zijn en bijna toevallig ook negers'. Maar dat credo raakte in de decennia van civil rights movement en zwart zelfbewustzijn grondig verdacht. Hoe 'zwart' zijn de nieuwste 'Afro-Amerikaanse' romans eigenlijk nog? Komen ze overeen in stijl, stem of thematiek?

Wie zijn de grote Amerikaanse schrijvers van onze tijd? Tien tegen één dat de namen vallen van John Updike, Philip Roth, Joseph Heller, Susan Sontag misschien. Of als je het wat meer in de tegenwoordige tijd zoekt: Brett Easton Ellis, Paul Auster, Donna Tartt. Allemaal blanken. Maar hoe zit het eigenlijk met het zwarte schrijven in de Verenigde Staten, of wat tegenwoordig correcter heet de Afro-Amerikaanse literatuur?

Wie over populaire cultuur nadenkt, ziet natuurlijk allerlei zwarte Amerikaanse ikonen opdoemen, zo beroemd dat ze ook in Nederland wekelijks het scherm vullen: Oprah Winfrey, Bill Cosby. Om maar te zwijgen van de zwarte invloed in de muziek: jazz, soul, hiphop. Maar literatuur? In 1993 kreeg de zwarte Amerikaanse schrijfster Toni Morrison de Nobelprijs voor literatuur,maar ik vraag me af of iemand een titel van haar paraat heeft. We kennen natuurlijk wel 'The Color Purple' van Alice Walker, maar dan weer eerder de film dan het boek. Leeft de Afro-Amerikaanse literatuur eigenlijk wel, kun je je afvragen.

Sommigen vinden van wel, bijvoorbeeld Kevin Young, de samensteller van de bloemlezing 'Giant Steps – The new Generation of African American Writers', verschenen in 2000. De titel zegt veel, ze is ontleend aan een album van jazzcoryfee John Coltrane en het is ook steeds de muziek, de cultuur van jazz en hiphop die ter sprake komt als het om de jongste zwarte literatuur gaat. Alsof de hedendaagse zwarte letteren voornamelijk staan in de grote voetstappen van de muziek en de popcultuur.

Decennia geleden had je natuurlijk James Baldwin, de auteur van de grote roman 'Go tell it on the Mountain' uit 1953, dat niet zomaar een boek is over een grootsteedse zwarte Amerikaanse proletarische familie met haar wortels in het zuiden, maar vooral een poging om de zwarte literatuur te bevrijden van haar al te voor de hand liggende protestkarakter: ,,Het is een opzettelijke poging om uit te breken uit wat ik altijd noem de kooi van de negerliteratuur. Ik wilde dat mijn mensen allereerst mensen waren en bijna toevallig ook negers.”

Dat was wel nodig ook. ,,The white folks aint never gimme a chance! They ain never give no black man a chance!”, schreef Richard Wright nog in 'Native Son', een roman uit 1938 die model staat voor het soort literatuur waar Baldwin zich tegen afzette. Niet langer stond bij hem de discriminatie door blanken op zijn programma, maar de psychologie van de moderne (zwarte) mens. Baldwin wilde met Camus vergeleken worden, niet met Oom Tom.

In de ogen van een volgende generatie moest zo'n boek welhaast een te nette Bildungsroman zijn, die geen zoden aan de dijk zette in de burgerrechtbeweging van de jaren zestig. Er ontstond, in het kielzog van de Black Panther-beweging van de militante zwarte leider Malcolm X (en vooral ook na de publicatie van 'The Autobiography of Malcolm X') een heel anders getinte zwarte literatuur, niet over gevoelige zwarte jongetjes en breekbare banden met een niet zo ver slavenverleden, maar over agressief zelfbewustzijn, zwarte trots, en de schoonheid van wat op een ander werelddeel de Senegalese president Senghor (zelf deeltijd-dichter) négritude noemde. Veel opstandige boeken en autobiografieën zagen het licht, van Eldridge Cleaver bijvoorbeeld of de autobiografie van Angela Davis.

Maar inmiddels is met de rassenstrijd zelf ook de literatuur van de opstandige babyboomers allang weer geluwd. De zwarte schrijvers van nu behoren tot het post civil rights-tijdperk. ,,Wij zijn kinderen van James Baldwin”, roept de samensteller van 'Giant Steps' veelbetekenend, en dat betekent veel aandacht voor de eigen roots, existentieel-psychologische problemen in een moderne tijd maar ook ironie en belangstelling voor de popcultuur.

Bij elkaar lijkt er de afgelopen honderd jaar in de zwarte literatuur onmiskenbaar sprake van een golfbeweging met achtereenvolgens: zuchten onder blanke onderdrukking, psychologisering van de eigen problematiek, emancipatie en zelfbewustzijn, zoeken naar je eigen identiteit.

Wie bij de jongeren rondneust wordt opmerkelijk genoeg vooral getroffen door het alledaagse of zelfs huiselijke karakter van hun werk; het lijkt wel of deze schrijvers de hele dag naar 'Sanford & Son' of de 'Bill Cosby Show' hebben zitten kijken. Hier een dichtregel van de jong zwarte dichter Thomas Sayers: ,,My father and I have my mother in common. She does all the talking.” Maar ook andere schrijvers laten zien dat ze liever thuis rondhangen dan op straat. Allison Joseph: 'Home Girl talks Girlhood', Natasha Tampley: 'Girl in the Mirror'.

Bij al die hiphop en jazzinvloeden wemelt het toch vooral van ouders, grootouders, oude familiehuizen en culturele wortels. Dat geldt ook voor het werk van ZZ Packer, een jonge zwarte schrijfster die onlangs debuteerde met een verhalenbundel 'Drinking Coffee elsewhere', ontvangen als een van de grote verwachtingen in de Verenigde Staten. De hoofdpersonen zijn zwarte tienermeisjes in dagelijkse omstandigheden. Misschien dat Amerikanen subtiele verschillen met blanke tienermeisjes opmerken, maar voor een buitenstaander zijn het toch ook bijna universele geschiedenissen, over vroegtijdige zwangerschappen, avonturen op de campus, seks en religie. En de stijl is werelds, ironisch. Geen revoltes, eerder geestige verbazing. Waar komen we eigenlijk vandaan en hoe verhouden we ons tot ons verleden, dat lijkt de centrale vraag in de zwarte literatuur van het moment, en soms heb je het gevoel of je met die vragen in de Nederlandstalige literatuur verzeild bent geraakt, in een Afro-Amerikaanse variant van 'Het Verdriet van België' of 'Indische Duinen'.

Karakteristiek voor die eerder onderzoekende dan protesterende post civil rights-mentaliteit zijn twee binnenkort ook in het Nederlands verschijnende romans:

'Love' van de eerder genoemde Toni Morrison en 'John Henry Days' van Colton Whitehead, een nogal aanstormende jongere schrijver (geboortejaar 1970).

Hoofdpersoon in 'Liefde' is de rijke zwarte Bill Cosey, eigenaar van een fameus hotel ergens in Georgia. Hij is allang dood maar leeft nog altijd voort in de afgunsten en obsessies van de vrouwen om hem heen, schoondochter May, kleindochter Christine, Junior en Vida, L. (wier volle naam we niet te horen krijgen), Heed, Coseys tweede echtgenote. In negen hoofdstukken met titels die steeds een andere facet van Cosey benoemen (zoals 'Minnaar', 'Echtgenoot') doen ze stuk voor stuk hun zegje; het is aan de lezerom de ware geschiedenis bij elkaar te puzzelen. Geen gemakkelijke taak, want Morrison houdt de spanning erin door dingen te verzwijgen en te verkleuren. Je zou kunnen zeggen dat 'Liefde' een roman is die een zekere onkenbaarheid van de mens in beeld brengt. Zo kom je er niet achter wat voor vent die Bill Cosey eigenlijk is geweest, achter een vriendelijke facade lijkt er allerlei vuiligheid opgehoopt te liggen, van pedofilie tot verkrachting.

Het geheim van dit boek is dat het zich langzaam ontvouwt en nooit helemaal. Pas na een hele tijd ontdek je dat tweede echtgenote Heed pas elf jaar was toen Cosey met haar trouwde en dat ze, hoewel samenwonend met kleindochter Christine, ook met haar in een juridisch gevecht gewikkeld is over Coseys nalatenschap.

'Liefde' is een boeiend boek van een interessante schrijfster, maar is het ook uitgesproken zwarte literatuur? De personages zijn zeker zwart, maar afgezien van het feit dat je dat te weten komt (als je het niet al vermoedde vanwege de auteur) speelt huidskleur geen prominente rol. ,,Weet je dat elke wet in dit land gemaakt is om ons achterlijk te houden”, zegt Cosey ergens in de jaren zestig, maar erg gefrustreerd klinkt het niet, eerder obligaat. Het zwarte karakter van 'Liefde' is zo vanzelfsprekend dat het je niet meer opvalt.

Ook in 'John Henry Days' van Colson Whitehead speelt het verleden een grote rol. John Henry is een van die Amerikaanse mythische krachtpatsers om wie allerlei heldenverhalen zijn gesponnen. Hij was een zwarte spoorwegarbeider uit de 19de eeuw, zo geweldig sterk dat hij het bij het boren van een spoortunnel tegen een stoommachine opnamen, overwon en vervolgens dood neerviel.

De VS eren de legendarische zwarte heros met een postzegel, en het dorpje Talcott organiseert de John Henry-herdenkingsdagen, met veel kermisachtig vertier en snuisterijen. Hoofdpersoon is de flierefluiter-journalist J. Sutter, die het festival in kaart moet brengen voor een website op internet. Maar daarnaast spelen talloze andere personages een rol, zoals de dochter van de grootste verzamelaar van John Henry-parafernalia, of iemand die een liedje over de grote man opneemt; sommige karakters treden slechts eenmalig op. Daarmee is 'John Henry Days' in de eerste plaats een prismatisch werk, dat een hele cultuur in beeld tracht te brengen, vol ironie maar ook vol typisch Amerikaanse kritiek op de Amerikaanse oppervlakte.

Uiteraard speelt in 'John Henry Days' de zwarte huidskleur van de hoofdpersonen een rol. Sutter (van wie je in de slotzin het vermoeden krijgt dat ie naar John Henry vernoemd is) is hypergevoelig voor racistische suggesties, bijvoorbeeld als iemand vermoedt dat hij uit het Zuiden komt: ,,Maybe my ancestors were owned here at some point.”

Maar hoofdmoot is het zeker niet. In 'John Henry Days' duikt Whitehead in een stukje zwarte geschiedenis, maar zonder nog de vraag naar een zwarte identiteit te stellen. Het is een monumentaal boek, maar niet vanwege de huidskleur van de auteur of de hoofdpersoon.

Hoe verschillend qua opzet en verhaal ook, de romans van Morrison en Whitehead hebben veel gemeen. Het zijn allebei kaleidoscopische romans waarin met verschillende perspectieven en verfijnde verhaalstructuren wordt gewerkt. Daarin zijn het ook nadrukkelijk 'literaire' romans. En in beide boeken wordt teruggegrepen op het verleden, de hoofdpersonen spiegelen zich als het ware aan hun zwarte voorvader, of dat nu een onderdrukte arbeider in de 19de eeuw is of een rijkgeworden geluksvogel uit het Eisenhower-tijdperk.

Het zijn behalve romans ook cultuurhistorische ondernemingen, die de lezer confronteren met de effecten en gevolgen van de geschiedenis. Bovendien zijn ze opmerkelijk kleinsteeds, niet de hiphop van de grote stad staat op het menu, of de wereld van jonge, dynamische zwarten, maar de roddels, intriges en ridiculismen van een wat ingedutte wereld.

In wezen verschillen ze niet bijzonder van al die boeken in ons eigen taalgebied, waarin auteurs pogen hun verleden te reconstrueren. Misschien is dat tenslotte wel de grootste winst van de Afro-Amerikaanse letteren: dat ze niet langer opvallen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden