Kinderen in de etikettenmachine

(AFP)

Doordat ’hyperouders’ zoveel eisen, wemelt het volgens deskundigen van de kinderen met ADHD en dyslexie. Trouw-redacteur Lidwien Dobber probeerde die etiketten juist te ontlopen. „Hoe krijg ik dat plakkertje er weer af?”

Op een natte novemberavond zit ik met vier oud-collega’s aan een ronde tafel in een huiskamerrestaurant in Utrecht. Al kost het altijd moeite een datum te vinden, toch proberen we elkaar eens in het half jaar te zien. Een goed maal, een goed gesprek. Over het werk, daar kennen we elkaar tenslotte van, en dan de kinderen. Met zijn allen hebben we er zeven, vijf meisjes en twee jongens tussen de vijf en de tien jaar oud. Leuke kinderen, natuurlijk, al bezorgen ze ons bij tijd en wijle ook hoofdbrekens. Of slapeloze nachten.

Ergens tussen het hoofdgerecht en het toetje dringt plots tot me door dat van die zeven kinderen er vijf een ’labeltje’ hebben. Het lijstje klinkt als een bestelling: een keer ADD, een keer ADHD, twee keer dyslexie en een asperger.

Een van mijn oud-collega’s heeft geen kinderen, een heeft er twee die niets mankeren. Blijven over: drie hoogopgeleide, welvarende, werkende moeders met een score van honderd procent.

Voor ik kinderen had, zag ik zelden een medicus. Sinds ik ze heb, ben ik in menig behandelkamer verzeild geraakt: die van de fysiotherapeut, de logopedist, de KNO-arts, de kinderarts, de orthopedagoog, de psycholoog en zo kan ik nog wel even doorgaan. Soms vroeg ik me af wat ik daar deed, wat mij en mijn kind te wachten stond, of het echt nodig was dat wij daar waren, of het niet anders kon. Maar ik ben nooit weggelopen.

Mijn oudste zoon was vijf jaar toen ik hem op een balvaardigheidsclubje deed, als een eerste voorbereiding op tennis. Als hij het naar zijn zin had, kon hij het jaar erna zo doorstromen. Na een paar lessen nam de lerares mij apart. Mijn zoon had ’een bijzonder looppatroon’, vond ze. Ze had hem tijdens de les laten observeren door een bevriende fysiotherapeute. Dat deed ze vaker, om „problemen in de motorische ontwikkeling vroeg op te sporen”.

Ook de fysiotherapeute vond dat hij niet goed liep. Ik kreeg een uitnodiging voor een intake en ik ging, zoon achterop. Wat weet ik van kinderlijven? Misschien zag zij iets dat ik niet zag. Na een week kwam de uitslag: „Hij loopt op smal spoor, waardoor instabiliteit ontstaat, verder is de afwikkeling van beide voeten niet optimaal, waardoor struikelen ontstaat”. Advies: behandelen.

Wij, zijn ouders, zagen vooral een prachtig knulletje, met de spillebeentjes die horen bij jongens van zijn leeftijd, met armpjes zonder een spoor van biceps, al traint hij die bij vlagen fanatiek – tweemaal daags twintig keer opdrukken – als hij weer eens vastbesloten is om sterk te worden. Een tikje onhandig knulletje, dat wel. Hij viel vaak, moest steeds een nieuwe broek. Maar behandelen?

Wij besloten het jongetje te laten hollen, klimmen en klauteren, zodat hij vanzelf zou bijleren.

Twee jaar later, hij zat net in groep vier, liet de school de hele klas screenen op motorische achterstanden. Dat is een standaardprocedure, dat gebeurt elk jaar. Dus vond ik op een dag een briefje in zijn rugzak: de achterstanden van mijn zoon waren ’significant’.

Waren we wat te makkelijk geweest, die vorige keer? Weer kregen we het advies om hem therapie te geven. Dit keer deden we het maar. We wilden graag dat het jongetje mee kon met zijn klasgenootjes, dat hij niet dat kind werd dat in zijn eentje achterbleef op de rode lijn in de gymzaal, omdat hij wéér niet gekozen was. Elke maandag werd hij uit de les gehaald om beter te leren bewegen. En thuis gingen we oefenen: we gooiden met ballen, hinkelden de kamer rond, stonden op een been. Hij, ik én zijn jongere broertje – want ook die strandde het jaar erop in de screening.

Zijn broertje strandde in zelfs twee screenings. Hij sliste en had ’openmondgedrag’, bleek toen de school hem liet testen. Logopedie werd ons van harte aanbevolen. Wij twijfelden. Moet je een kind dat slist behandelen als hij nog al zijn melktandjes heeft? Lost wisselen het probleem niet vanzelf op? Maar inderdaad, dat mondje hing wel altijd open, uitnodigend voor elke passerende ziektekiem. Misschien was hij daarom wel zo vaak verkouden. Behandelen dus maar.

En zo gingen we elke woensdagmiddag naar de logopedist in het gezondheidscentrum om de hoek en speelden we thuis blaasvoetbal, met rietjes en een plukjes watten, en mocht hij dropveters naar binnen werken door alleen zijn lippen te gebruiken.

Niet lang na het etentje lees ik een interview met de vertrekkende hoogleraar kinderfysiotherapie Paul Helders. Driekwart van de kinderen die hij in zijn behandelkamer treft, mankeert niets, vertelde hij in de Volkskrant. De kinderen kwamen aan de hand van overbezorgde ouders die vonden dat hun kind niet tijdig fietste of achterbleef met zwemles. „Het lijkt alsof het kind vanaf de verlostafel zijn fietsje moet pakken of zijn rolschaatsen moet aantrekken. Geef dat kind nou eens de tijd. Kinderen zijn van nature onderzoekend. En toch zijn ouders constant bezig hun kind motorisch te stimuleren. Elke dag moet weer een nieuwe belevenis zijn. Hou daar toch eens mee op.”

Helders treft mijn achilleshiel. Waarom blijf ik uiteindelijk toch zitten in die wachtkamers waar ik zeg niet te willen zijn? Ben ik uiteindelijk toch ook zo’n hyperouder, die niet wil dat zijn kind uit de toon valt? Waarom doe ik ze tóch op balvaardigheid, op een snuffelcursusje ’kennismaken met muziek’, dan weer op capoeira, op taekwondo of op ’koken met koters’? In ieder geval niet voor dat boterhammenzakje met slap bladerdeeg en wat verdwaalde sliertjes rode en gele paprika erin, dat mijn chef-koks in de dop bij thuiskomst trots op het aanrecht leggen. Ik doe dat, omdat ik wil dat ze zich breed ontwikkelen, dat ze ontdekken waar hun talenten liggen. Tenminste, dat zou ik zeggen.

„Ouders vragen veel te veel van hun kinderen. Het kind moet perfect zijn.” Helders zegt het. Hij gaat met emeritaat, kijkt terug op een praktijk van jaren en jaren. Hij heeft heel wat van die ouders en kinderen gezien. Misschien heb ik niet in de gaten waar ik mee bezig ben.

Halverwege groep vier liep het spaak met mijn oudste zoon. Hij kreeg geen enkel werkje meer af, liep in de pauzes alleen over het schoolplein, diep weggedoken in zijn capuchon, soms achtervolgd door een klasgenootje dat riep: ’Ga toch met iemand spelen!’ Huilend kwam hij thuis.

Ik nam hem op schoot, troostte hem, probeerde met hem te verzinnen hoe we dit gingen oplossen. Of: we? Hij eigenlijk. Ik kon nog eens met de juf gaan praten, maar zijn werk afmaken moest hij echt zelf. Anders nam hij huiswerk mee? En op het schoolplein kon ik niet als een beschermengel achter hem aan lopen.

Dat ik hem zo slecht kon helpen, maakte me vrij wanhopig. Ik vreesde dat hij het niet zou redden, mijn kwetsbare kind. Er was iets mis, we hadden hulp nodig. We dachten aan een psycholoog, maar de juf, die in een klas met 28 kinderen maar weinig tijd heeft voor handenbindertjes, was ons voor. Zij kwam met het voorstel om de schoolbegeleidingsdienst in te schakelen. Prima, leek ons.

Onze zoon werd onderzocht. Wij koersten aan op zittenblijven – nieuwe klas, nieuwe kansen – en een therapie die hem zou leren het leven wat minder zwaar te nemen. Maar de juf zag een stoornis, de schoolbegeleidingsdienst zag een andere stoornis. We moesten door naar de jeugdhulpverlening.

De onderzoekers daar wilden heel graag weten waar zij hier nou precies mee te maken hadden. Mijn voorzichtige tegenwerpingen werden gehoord. „Er wordt gedacht aan ADHD/gedragsstoornis. Ouders herkennen dit niet”, staat er in het onderzoeksverslag. Maar naar ons werd niet geluisterd.

Dus heeft mijn zoon nu ADD.

In 2009 kregen 139.000 mensen methylfenidaat, dat vooral bekend is als Ritalin en ADD’ers én ADHD’ers bij de les houdt. In 2007 waren dat er nog 100.000, telde de Stichting Farmaceutische Kerngetallen. Het gebruik piekt in de categorie tien- en elfjarigen en de meeste gebruikers zijn jongen.

Onze oudste zoon is dus heel hip. En onze jongste zoon ook. Die heeft dyslexie. Een theorie die de geweldige juf die hij in groep vier kreeg al tijdens het eerste tienminutengesprek op tafel legde. Ik wilde geen kind met dyslexie want ik had er al een met ADD. Ik heb de boot een jaar af kunnen houden, maar aan het begin van groep vijf wachtte de nieuwe juf het tienminutengesprek niet eens af: of ik hem wilde laten testen op dyslexie. Nou oké dan. En niet veel later heb ik er een: een dyslexieverklaring voor mijn jongste zoon. Die geeft hem recht op meer tijd om zijn toetsen te maken en op extra aandacht op school. Tijd en aandacht, die gaan hem vast ten goede komen.

. Het College van Zorgverzekeraars, wiens leden de kosten voor dyslexiezorg dragen sinds die in 2009 in het basispakket belandde, schat dat er jaarlijks 7200 schoolkinderen de diagnose ernstige dyslexie krijgen, 3600 kinderen worden behandeld. Cijfers van vroeger zijn er niet. Toen werd er niet geregistreerd.

„Ik was laatst in een klas waar acht kinderen zaten die dyslexie hadden. Dat is statistisch gezien onmogelijk”, zegt ontwikkelingspsycholoog Steven Pont. Ik hoor hem op de radio reageren op de bevindingen van Helders. Ze zijn het eens: niet met die kinderen, maar met hun ouders is iets mis. Die kunnen hun kind niet laten gaan, raken in paniek als het niet presteert of iets afwijkt. Pont snapt wel hoe dat komt. We hebben veel rollen in het leven: we zijn buurman, tennispartner, ouder, et cetera. Misschien zijn we geen aardige buurman, dat mag, maar geen goede ouder zijn, dat mag niet. We hebben tegenwoordig niet alleen de plicht ons kind te voeden en te kleden, we dienen ook garant te staan voor zijn levensgeluk. „Er ligt een enorme hypotheek op het ouderschap.”

Dat van die hypotheek, dat onderschrijf ik onmiddellijk. Maar als ik het rondje langs mijn collega’s met de vele labelkinderen nog een keer maak, vind ik de beschuldigende vinger die deze deskundigen uitsteken wat al te makkelijk. Ik breek mijn hoofd over de vraag waarom ik ondanks al mijn weerstand in die wachtkamers van de etikettenfabriek ben blijven zitten, net als mijn collega-ouders. En zoals wij gewetensvolle opvoeders worstelen met de vraag of we het allemaal wel goed doen, zo zouden professionals – medici, leerkrachten, misschien vooral de Onderwijsinspectie met haar normen die zo strikt zijn dat een kind nauwelijks nog af mag wijken – ook eens kunnen kijken naar de fuik waar we met zijn allen het kind naartoe dirigeren.

Zijn kinderen er op de lange termijn bij gebaat dat wij ze meten, wegen, toetsen, testen, onder een vergrootglas leggen, binnenstebuiten keren, volgen, screenen en vervolgens een etiket op hun voorhoofd plakken? Maken we dingen niet groter dan ze zijn door ze zo nadrukkelijk te benoemen? En hoe komen ze weer van dat plakkertje af?

Lidwien Dobber is redacteur van Trouw

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden