kilometertellers, kniptangen en 'mijn stalen vriendin'

De ervaring heeft geleerd dat de bezoekers van het Noordelijk Busmuseum in Winschoten vooral toeristen zijn die in Drenthe op een camping zitten. “Maar we krijgen hier ook fantasten”, vertelt vrijwilliger P. Loppersum (68). “Er was eens een man die in een van de bussen klom en de hele middag met het stuur in zijn handen voor zich uit heeft zitten kijken.”

De oprichter van het museum, G. Talsma, lacht om het verhaal. Zelf weet hij hoe het is om echt een bus te besturen. In de jaren zestig was hij chauffeur in dienst van het Centraal Bureau Tour. Het reisbureau organiseerde zo'n 25 verschillende dagtochten door het hele land: naar de kaasmarkt in Alkmaar bijvoorbeeld, of naar Texel. Na één seizoen stapte Talsma over op het opstellen van dienstroosters, organiseren lag hem beter. Nu maakt hij zaalroosters, aan de Groningse universiteit. In zijn vrije tijd doet hij het secretariaat van het busmuseum.

Het is het enige museum in Nederland waar oud busmaterieel tentoongesteld wordt, maar het is Talsma (57) nooit alleen te doen geweest om het verzamelen van autobussen. “Ik wil een stukje geschiedenis bewaren, en daar hoort nu eenmaal een bus en een kniptang bij”, vertelt hij. Zelf is Talsma een fervent bus- en treinreiziger. “Als je gebruik maakt van collectief vervoer ontmoet je andere mensen en spaar je het milieu.” In 1986 opende het museum zijn deuren, in een oude Gado-garage aan de spoorlijn van Groningen naar Nieuweschans. Acht jaar eerder had Talsma de Stichting Noordelijk Busmuseum opgericht. Het startkapitaal van vijfhonderd gulden werd al snel gestoken in de aanschaf van het prototype naoorlogs materieel: de Gado-bus 4400.

“Destijds telde alleen al Noord-Nederland driehonderd particuliere autobusondernemingen. Er reden bussen in alle soorten en maten rond. Om de technische uitwisselbaarheid te vergroten en de chauffeursopleiding te vereenvoudigen, pleitte het landelijk streekvervoerbedrijf na de oorlog voor een uniforme bus.”

Talsma is nog altijd trots op de Gado 4400, hij noemt haar 'mijn stalen vriendin'. In totaal bezit het museum nu 26 autobussen, waaronder exemplaren van ESA (Elema Stollenga Autobusdiensten) uit het Groningse Marum, NOF (Noord-Oost Friesland) uit Dokkum, NTM (Nederlandse Tramweg Maatschappij) en Harmanni, de laatste particuliere stadsdienstonderneming van het land. De oudste bus is een Bedford uit 1936.

De medewerkers van het museum proberen de bussen, waarvan er door ruimtegebrek maar vijf tentoongesteld zijn, zo rijvaardig mogelijk te houden. De rest staat buiten of is opgeslagen in loodsen. Klein onderhoud wordt door vrijwilligers gedaan, grotere reparaties of restauraties gebeuren buitenshuis. Tientallen keren per jaar worden er trouwritten geboekt, en ook de donateurs trekken er geregeld met een oude bus op uit. Soms blijft het bij een rondje om de kerk, maar de reis kan ook naar Friesland gaan.

Het museum beschikt verder over een collectie chauffeurspetten, kilometertellers, vervoerskaartjes, kniptangen, foto's en miniatuurbusjes. Die worden geëxposeerd in een ruimte naast de busstalling, in een paar vitrinekasten. Het is er te klein om nog meer spullen te tonen, en ook de schat aan documentatiematiemateriaal ligt noodgedwongen in dozen opgeslagen.

Wel staan er wat tafeltjes en stoelen, om koffie te drinken of plakboeken te bekijken. Er liggen wel dertig plakboeken, sommige met krantenknipsels, andere helemaal vol strippenkaarten. “Soms komt iemand er de hele middag in bladeren”, zegt vrijwilliger Loppersum. “Meestal mensen wier vader of opa in het busvervoer heeft gezeten.”

Veel publiek komt er de laatste jaren niet naar het busmuseum. “Tweeduizend mensen per jaar”, zegt Talsma, “dat is natuurlijk niks.” Tien jaar geleden waren het er nog zesduizend. De terugloop heeft volgens Talsma te maken met de 'amateuristische uitstraling' van het museum. Aanvankelijk was de inrichting prima verzorgd, zegt hij. Inmiddels maakt het geheel, dat de medewerkers hebben willen opfleuren met overal plastic plantjes, een wat verwaarloosde indruk. De vloerbedekking is morsig, en het pand zit niet meer fris in de verf.

Toch ziet de oprichter de toekomst rooskleurig in. Kortgeleden heeft hij een groep nieuwe vrijwilligers, nieuwe bestuurleden en een conservator op Melkertbaan-basis aangetrokken. De veertig vrijwilligers komen uit het hele noorden. Talsma: “Ik wil ervoor waken dat het museum een puur Oost-Groningse aangelegenheid wordt.”

Er is bovendien een kans dat het museum een nieuw onderkomen krijgt, in de voormalige Pfaff-zoetwijnfabriek. Dit industriële monument wordt misschien verbouwd, zodat er plaats ontstaat voor zowel het busmuseum als het ook in Winschoten gevestigde Nationaal Ambulancemuseum. En, zegt Talsma: “Ik denk dat we zullen profiteren van de recreatieve ontwikkeling van dit gebied, waarvoor vergaande plannen bestaan.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden