Kijken mag, maar blijft u hier vooral weg

Een weergaloos mooi landschap. Delen of voor jezelf houden? Hoog in de Pyreneeën staat reisjournalist Flip van Doorn voor een dilemma. Vier andere redacteuren staan eveneens schoorvoetend hun goed bewaarde reisgeheimen af.

De mooiste plek die ik ken? Laat ik niet overdrijven. Het is de mooiste vallei die ik ken. Hoog weggestopt in de bergen van Aragon, tegen de Franse grens aan. De eerste keer dat ik er wandelde, zo'n twintig jaar geleden, moest ik af en toe stilstaan. De pas inhouden om rustig en met open mond te proeven van de schoonheid die mij van alle kanten overspoelde. Glooiende hellingen van het groenste groen, daarachter een kartelwand van besneeuwde granieten toppen. Kuddes grazende runderen, hun bellen die de vallei vulden met rustgevende achtergrondmuziek terwijl vale gieren hun cirkels door de wolkenloze lucht trokken. Het mooist van alles het riviertje. De meanders waarmee het water een weg door het gras zocht. Een riviertje dat steeds krachtiger werd en zich uiteindelijk met brede bochten een weg baande naar een waterval. Boven aan de waterval stond een dolmen, een monument van steen dat mensen meer dan tweeduizend jaar geleden daar neerzetten omdat die plek ook voor hen al magisch, sacraal was.

Een paar jaar na dat eerste bezoek had ik een boze droom. Ik reed naar de vallei. Niet over het onverharde pad dat ik kende, maar over een brede asfaltweg. Langs de weg stonden restaurants en souvenirwinkels. De rij parkeerplaatsen was onafzienbaar, zoals dat alleen in dromen kan. Er kwam werkelijk geen einde aan. Toen ik eindelijk een plekje voor de auto had gevonden, moest ik nog kilometers lopen langs een lang lint van souvenirwinkeltjes, restaurants, bazaars, ijskramen en frisdrankautomaten. Het angstzweet brak me uit. Het stenige pad naar de pas was voorzien van traptreden en leuningen. Op de plek waar ik mij een simpel hek herinnerde stond een tourniquet. Ik moest een kaartje kopen om mijn vallei te mogen betreden.

Twee decennia later ben ik met mijn gezin in de Pyreneeën. In het Franse deel wandelen we naar het Cirque de Gavarnie. Mythisch landschap. Een jonge Gustave Flaubert schreef er lyrisch over en Victor Hugo omschreef het keteldal als het Colosseum van de natuur. In reisboeken en wandelgidsen buitelen de superlatieven over elkaar heen en wanneer wij in de verte de rotswanden zien oprijzen worden we stil. De waterval lijkt niet meer dan een miezerig streepje wit in dit machtige decor. Mijn dochter weet te vertellen dat het mooi wel de hoogste van Europa is. Hoger dan de Eiffeltoren. Dat betekent dat we aankijken tegen steile granieten wanden van meer dan anderhalve kilometer hoog.

Maar dan het dorp. Gavarnie. Een pleintje met een souvenirwinkel en een café-restaurant. Zo zijn er meer, het oogt nog onschuldig. Daarachter beginnen de parkeerterreinen. Onafzienbaar. De auto's blijken tot langs de toegangswegen ver buiten het dorp te staan. Een constante stroom toeristen loopt langs het terras het straatje in dat voor autoverkeer is afgesloten. Bergschoenen, sandalen, espadrilles, slippers, hoge hakken. Een eindeloos defilé. Een processie langs nog meer terrassen, ijssalons, cafés, restaurants, hotels. Het kerkje staat er al sinds de 12de eeuw, maar verdwijnt langzaam achter ijsjes en crêpes, houten wandelstokken en rekken met ansichtkaarten. Ezels en paarden die wachten tot ze weer een ritje naar de waterval moeten maken, kinderen die jengelen of ze op een ezel mogen. Ik ben in mijn eigen boze droom terechtgekomen. Het Cirque blijkt een circus. Achter de glanzende façade gloort mijn schrikbeeld. Een tourniquet.

Ik besluit niet te wachten of dat er werkelijk staat en stel voor om te keren. We zijn het er allemaal mee eens. We willen niet verder. Meegaan in de toeristenstroom zal niets toevoegen. Vanuit de verte hebben we de schoonheid van het Cirque de Gavarnie gezien en beleefd, mooier zal het niet worden.

Bij de Pont d'Espagne en het Lac de Gaube, op de Col du Tourmalet en bij andere Grands Sites in de Pyreneeën, overal is het hetzelfde. Slagbomen, parkeerautomaten, kaartverkoop en drommen, drommen mensen. Natuurlijk komen ze het landschap bewonderen dat Hugo, Flaubert en zoveel anderen bezongen. Natuurlijk doen ze dat in de zomer, in hun vakantie. En natuurlijk hebben ze daar evenveel recht op als wij. Toch voelt het of er ergens iets vreselijk is misgegaan.

Ik houd mijn hart vast wanneer we aan de Spaanse kant van het gebergte naar mijn vallei rijden. Naarmate we dichterbij komen neemt een vreemde opluchting bezit van me. De toegangsweg is onverminderd smal en voert door een diepe kloof. Bij de eerste flinke kuilen in het asfalt zijn werklui bezig een vervallen camping nieuw leven in te blazen. Aan de overkant van de weg is een klimpark gevestigd, maar dan houdt de beschaafde wereld op. Het asfalt vertoont steeds grotere en diepere gaten, tot het uiteindelijk afbrokkelt en verandert in een laag steenslag.

Om mijn kinderen voor te spiegelen wat ze kunnen verwachten maak ik de vergelijking met het Rijksmuseum. "Denk maar aan de Nachtwacht", hoor ik mijzelf zeggen. "Dat is een heel mooi schilderij, sommige mensen vinden het zelfs het mooiste schilderij dat ooit gemaakt is. Deze vallei is net zo bijzonder als de Nachtwacht." Mijn woorden hebben het gewenste effect, zelfs op mijn lief. Er staat iets magisch te gebeuren.

We parkeren de auto op de plek waar een riviertje over het pad wordt geleid en wandelen verder omhoog. Diep beneden ons kolkt de rivier. Een dikke kilometer verder begint de klim. Langzaam voert het landschap de schoonheid op. Achter de pas worden de eerste rotspartijen zichtbaar en bij het toegangshek is het of we de eregalerij betreden. Een bord verzoekt ons het hek achter ons te sluiten. Loslopend vee. Gracias.

Een enorm rotsblok fungeert als bankje, het lijkt er speciaal voor ons te zijn neergelegd. We nemen de tijd. Veel keus hebben we niet want uit de vallei komen tientallen jongeren met rugzakken aanwandelen. Slaapmatjes, bungelende veldflessen, Baskische vlaggen. Van de andere kant komen vier mountainbikers. Heel even lijk ik alsnog in mijn boze droom te zijn beland.

Net als op het bankje voor de Nachtwacht zou ik willen dat al die anderen verdwijnen. Subiet. Alleen wij, oog in oog met deze ultieme schoonheid. Maar ik kan anderen onmogelijk die schoonheid ontzeggen, niet in een museum en niet in de natuur. En zoals kunsthistorici het meesterwerk van Rembrandt bewieroken, al is het gevolg dat ze met hun lofzangen de drommen naar het Rijksmuseum lokken, zo zou ik van de daken willen schreeuwen hoe weergaloos mooi het hier is.

Meer dan ooit ben ik me bewust van het dilemma van de reisjournalist. Het liefst zou ik pagina's volschrijven over deze vallei. Lyrisch, breeduit, meanderend als het riviertje door dat groene gras. De mooiste vallei die ik ken, puur en onbedorven. Maar al ben ik geen Victor Hugo, het risico bestaat dat mijn reportage enthousiast ontvangen wordt. En daaruit volgt het risico dat drommen nieuwsgierigen zullen afreizen naar mijn pure en ongerepte vallei. Zelfs wanneer ik met dit artikel niet meer dan één procent van de lezers van Trouw weet te inspireren er volgend jaar heen te gaan, wordt het daarboven dringen geblazen.

Zou ik willen dat foto's van de vallei op omslagen van reisgidsen, op covers van reisbladen en brochures komen te staan? Dat de hordes van Gavarnie rechtsreeks doorreizen naar dat ongerepte dal?

Als we teruglopen naar de auto komen we twee boeren tegen. Ze staan tussen hun koeien en discussiëren luid. Het zit ze niet mee, zo lijkt het. Het is niet vol te houden, roept de een tegen de ander. Ze noemen bedragen in euro's.

Ik kan me voorstellen dat veeboeren het hier moeilijk hebben, de onovertroffen schoonheid van hun weideland ten spijt. Zouden ze gebaat zijn bij meer toerisme, meer naamsbekendheid voor hun vallei? Het vlees van hun koeien zou dan een keurmerk kunnen krijgen, een appellation controlée. Streekproducten, lokale specialiteiten met rundvlees. Ze zouden dat vlees tot ver buiten de regio kunnen verkopen. Dat moet wel bijzonder lekker smaken, dus de prijs per kilo, per koe, kan omhoog.

De toegangsweg naar de vallei kunnen ze asfalteren om meer mensen te trekken. Misschien een verkoopstalletje, of twee, een grotere parkeerplaats, horeca erbij. Nog meer parkeerplaatsen, een paar souvenirwinkels, nog meer horeca. Een tourniquet.

Ik denk dat ik het de boeren gun, de bewoners van de regio. Een beetje meer welvaart, een hap uit de goedgevulde ruif van het toerisme.

Maar ik doe er niet aan mee. De naam van de vallei zal ik hier niet noemen. Dat hoeft ook niet. Wie zijn best doet kan hem zelfs met de schaarse aanwijzingen wel vinden. En daar gaat het om.

Om echte schoonheid te beleven moet je je best doen. De beloning is het grootst wanneer iets moeite kost. We hebben twintig kilometer gewandeld door de bergen, zijn meer dan acht uur onderweg geweest. We zijn kapot, maar meer dan voldaan. Samen hebben we de mooiste vallei bezocht die we kennen, de schoonheid ervan gezien, gevoeld, beleefd.

Op de terugweg stuur ik de auto met flinke meanders om de grootste steenbrokken en de diepste kuilen heen. Het duurt nog een paar kilometer voor de eerste strook verweerd asfalt in zicht komt. Dat moest maar zo blijven.

undefined

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden