Kijken en terugkijken

De zaal was tamelijk smal en veertig meter lang. Een van de lange wanden bestond uit ramen. Tegen de andere hingen de portretten, dichtbij elkaar.

'Een deftige parade' is de naam die het museum, De Lakenhal in Leiden, aan deze portrettengalerij gaf. Ondertitel: De selectie van Rudi Fuchs.

Zo'n dertig portretten, geschilderd tussen 1550 en 1820, koos de oud-museumdirecteur en kunstcriticus uit het depot van het museum. Kelderstukken. Niet de beste stukken. Hij koos ze om hun middelmatigheid. Het ging hem niet om de brille van de schilder of onze bewondering daarvoor. Het ging hem om het gewone. En het bijzondere daarvan.

De geportretteerden zelf zijn deftig, vandaar de deftige parade. Je moest wel deftig zijn, of vermogend, als je je in die eeuwen kon laten portretteren. Nog steeds trouwens. De mannen en vrouwen op de schilderijen waren allemaal werkzaam in Leiden. Als bestuurders, geleerden, predikanten, ondernemers of doktoren.

Het schilderij drukte die status uit, zij het op z'n Hollands; calvinistisch, zuinig, vooral niet uitbundig.

Op de zaal hing bij elk schilderij overigens alleen de naam van de schilder, de naam van de man of vrouw op het portret, en de (soms ruw geschatte) tijd van vervaardiging. Meer niet. Fuchs wilde ons alleen maar laten kijken. Zonder kennis. Onbevangen. Open.

Dat kijken leek niet al te moeilijk, ze hingen allemaal op ooghoogte. De meeste keken terug vanuit hun donkere nissen, door zwarte lijsten omrand. De blik ging naar hun gezichten, naar hun handen. Sommigen staken hun wijsvinger uit, gericht op iets wat we niet zagen, maar het kon ook zijn dat die uitgestoken wijsvinger een teken was, een symbool, een verborgen schunnigheid, maar daarvoor moest je misschien iets van kunstgeschiedenis weten.

En er waren accessoires, soms in de handen, soms op de achtergrond. Een knijpbrilletje, een anjer, een rozenkrans, een zakdoek, een handschoen, een oorkonde met zegels, foulards, gordijnen van velours, boeken.

Negentien mannen, acht vrouwen. Ze keken meest ernstig, soms las je tegenzin in een blik, of iets zachtmoedigs, dan weer strengheid, of milde ernst. De vrouwen waren niet om hun schoonheid geschilderd. Een van hen had een harde, bittere mond. Echt gelukkig leek niemand. Dat zou te frivool zijn geweest.

En in die parade één beeld van de bezoeker zelf, via een oude, verweerde spiegel in een zwarte lijst. Een zelfportret. Wat wilde Fuchs ermee zeggen? Wat zagen we in die spiegel, behalve onze eigen reflectie?

De verhoudingen in het spiegelbeeld kwamen overeen met die van de portretten, dat wil zeggen dat ze ongeveer één op één geschilderd waren, dus noch uitvergroot, noch verkleind. Ze hoefden dus geen ontzag in te boezemen, niets neer te drukken, ze hoefden alleen maar te zijn, heel gewoon. Maar wel: zo lang mogelijk. Daarvoor moest de olieverf zorg dragen.

Misschien lag daarin de loden last die van de gezichten kwam: het besef dat men straks aan de wand, tot ver na de dood, de tijd moest weerstaan.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden