Kijk, zo snap ik het ook

Wetenschappers schrijven louter voor vakgenoten. Bas Haring ontdekt inspirerende alternatieven: een watermachine en een pannelap.

Bas Haring (1968) is schrijver en programmamaker. Daarnaast is hij in Leiden hoogleraar 'publiek begrip van wetenschap' en speler van het Filosofisch Elftal van Trouw.

Hij komt zo uit een jongensboek, de Moniac (Monetary National Income Analogue Computer) van William Phillips. Bill Phillips is een bekende econoom naar wie zelfs een curve is genoemd - allicht de 'Phillips-curve'.

Deze curve drukt de relatie uit tussen werkloosheid en inflatie: meer inflatie betekent minder werkloosheid en andersom, aldus die curve. Ik ken de Phillips-curve omdat ik een tijdje economie heb gestudeerd - het is basisstof uit de eerste lessen. Maar ik wist niet dat de Phillips van de Phillips-curve dezelfde was als de man achter de Phillips-machine of de Moniac: een apparaat van twee meter hoog, anderhalve meter breed en één meter diep, vol bakken met water, slangen, kleppen en een pomp. Een machine om een nationale economie mee te simuleren. En ik wist ook niet dat Bill Phillips tijdens zijn studie vrij slecht was in economie.

Bill Phillips is een Nieuw-Zeelander die door sommigen een avonturier wordt genoemd: hij schijnt manager van een bioscoop te zijn geweest en krokodillenjager. Via talloze omzwervingen voor en tijdens de Tweede Wereldoorlog werd hij ingenieur en pas op zijn 32ste, in 1946, begon hij met een studie sociologie aan de London School of Economics. Zijn bachelor heeft hij gehaald, maar met de laagst mogelijke cijfers. En ook tijdens zijn daaropvolgende master in de economie heeft Phillips moeten worstelen. Een medestudent die Phillips in 1949 hielp bij het maken van de Moniac, schreef in brieven over diens beperkte economische bagage, maar vermeldt dat hij erg goed was met hydrauliek.

Tijdens zijn masteropleiding begint Phillips aan zijn machine, in de schuur van zijn hospita en met bijeengezochte materialen. Er zaten zelfs ruitenwissers van een Lancaster-bommenwerper in de Moniac. En dat allemaal vanwege Phillips' overtuiging dat het mogelijk moest zijn om macro-economische processen via een model met stromend water inzichtelijk te maken. Niet alleen voor anderen, maar ook voor hemzelf. Ik weet niet wat voor man Bill Phillips is geweest. Ik stel me bij hem een gedreven knutselaar voor die zaken wilde begrijpen, maar daar wel wat moeite mee had.

En dan moet u zich voorstellen dat die knutselaar op een goede dag zijn schuur uitkomt met een grote machine vol water en dat ding trots wil demonstreren in de London School of Economics. U zou misschien verwachten dat zo'n student niet erg serieus genomen wordt. Maar toen Phillips zijn apparaat demonstreerde was het zo'n groot succes dat hij haast terstond een baan als universitair docent kreeg aangeboden (één jaar later, op basis van een artikel over zijn machine) en negen jaar later hoogleraar was in de economie.

Het idee om water, strómend water, te gebruiken als metafoor voor economische processen en fenomenen is eigenlijk best logisch. Een kreet als 'geld als water' gebruiken we niet voor niets. U kunt zich er vermoedelijk wel in vinden als de totale productie van een land wordt voorgesteld met water dat uit een kraan stroomt: hoe verder de kraan openstaat hoe meer er wordt geproduceerd. Dat water wordt opgevangen in een reservoir, een emmer, en het waterniveau in die emmer staat voor de voorraden die er zijn. Onder in de emmer zit een gaatje waar water weer uit wegstroomt. Dat representeert consumptie.

Heel intuïtief: als er meer geproduceerd wordt dan geconsumeerd loopt de emmer vol en andersom.

De Phillips-machine bestond uit een verzameling van zulke emmers, kranen en gaatjes. Een stuk ingewikkelder dan ik zojuist beschreven heb, maar het idee is helder.

Je kon de Phillips-machine vragen stellen als: wat gebeurt er als mensen meer gaan uitgeven in plaats van sparen? Je schoof aan een schuifje dat de 'spaarparameter' voorstelde en er begon water van het ene naar het andere reservoir te stromen; je kon direct de gevolgen aanschouwen. Feitelijk was de Phillipsmachine een simpel model van een economie, waar we nu com- plexere computermodellen voor gebruiken.

De charme van zo'n watermodel is dat het meer aanzet tot begrip dan een computermodel. Een computermodel is een verzameling processen die ratelen in een plastic doos - tamelijk abstract en weinig aanschouwelijk. Nu kun je zo'n model wel visualiseren, door grafieken, kleurtjes, staafdiagrammen of wat dan ook, maar dat fysieke van die waterreservoirs is toch veel inzichtelijker. In ieder geval voor mij.

Ik heb de Moniac gezien. In het echt, niet-werkend, en op filmpjes waarin ie het wel doet. En ik begrijp bepaalde zaken beter via een fysiek systeem met stromend water, dan óf via taal óf via wiskundige formules.

Ik weet niet zo goed wat 'begrijpen' is en ik kan maar moeilijk mijn vinger leggen op de precieze betekenis van dat woord, maar toen ik de Moniac zag, vlak na een college macro-economie, begreep ik begrijpen.

Datzelfde effect had Phillips' machine ook op economen. Ze zagen gebeuren wat ze eigenlijk al wisten, maar veel directer en inzichtelijker.

De Phillips-machine heeft zelfs een economisch dispuut beslecht. De bekende Keynes en de minder bekende Robertson hadden al jaren uiteenlopende ideeën over de totstandkoming van rente.

De Moniac gaf uitsluitsel: zowel Keynes als Robertson had gelijk, maar ze vertelden beiden slechts de helft van het verhaal.

Er zijn veertien Moniacs gemaakt. Ze zijn gebruikt voor educatieve doeleinden en ter ondersteuning van overheidsbeleid, zoals ons CPB dat doet. Groot-Brittannië had er zelfs twee: een machine die de nationale economie simuleerde en een andere die model stond voor de rest van de wereld.

Bill Phillips leeft al een tijd niet meer, dus ik heb hem niet kunnen vragen waarom hij met die machine begonnen was; of hij het ding als 'echte' wetenschappelijke output zag en of het maken van de Moniac hem inhoudelijk ook heeft geholpen.

Hoewel de Moniac hoofdzakelijk voor kennisoverdracht is gebruikt, had Phillips dat niet voor ogen toen hij de machine bouwde. Hij hielp zichzelf ermee. "Het is duidelijk, uit de beschrijvingen van het maakproces, dat Phillips niet simpelweg afstandelijke, wiskundige modellen vertaalde in hydrauliek", schreef de econoom Marcel Boumans. "Zo leerde hij over macro-economie, begon hij deze te begrijpen en verweefde hij zijn begrip met de machine."

Waarschijnlijk heeft Phillips er zelfs de naar hem genoemde curve aan te danken.

Als wetenschapper kan het helpen om grip op materie te krijgen door deze te vertalen naar een domein waarin je je thuis voelt. Phillips had ervaring met water, pompen en leidingen, en dus hielp hij zichzelf - en nadien anderen - door macro-economie naar een watermodel te vertalen. Het is duidelijk dat zoiets alleen opgaat als je zelf aan de slag gaat.

Als een paintballer die te hoog mikt
Waarom heb ik dit essay geschreven? Heel simpel: ik word enthousiast van wetenschappers die kennis toevoegen door een haakwerk te produceren of een machine te bouwen. Waarom heeft de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) mij geholpen? Het heeft allemaal te maken met 'kennisvalorisatie'. Wetenschappelijke kennis is pas van nut of waarde als er wat mee gebeurt. Kennis die niet gekend wordt is waardeloos. Kennis die in een lade ligt die niet geopend wordt, heeft geen waarde.

Ik schrijf over het toegankelijk maken van kennis. Zoals hoogleraar tandheelkunde Guus Flögel deed. Hij maakte kunst-kunstgebitten onder de naam Stichting Openbaar Kunstgebit.

Je hebt veel onconventionele manieren om kennis te delen. Wetenschappers zijn gewend zich te uiten via artikel of boek. Daar is veel voor te zeggen. In zo'n artikel kun je precies zijn, hoef je gemeengoed niet uit te leggen, en weet de schrijver zo goed als zeker dat de lezer nauwgezet de tekst zal doorploeteren. Bovendien biedt zo'n artikel ruimte aan de mitsen en maren die wetenschappers nodig hebben in hun neiging tot perfectie.

Maar gebeurt er zo ook wat met hun kennis? Misschien zijn andere vormen geschikter om maatschappelijk effect te hebben. Dat 'effect' gooi ik even op één hoop met 'waarde'. Op een door NWO georganiseerde avond over kennisvalorisatie zei Ad Prins, beroepsmatig 'wetenschapseffectmeter': "Tegen de intuïtie van wetenschappers in maken serieuze boeken kans op een veel groter maatschappelijk effect dan het wetenschappelijke artikel." Met serieuze boeken bedoelde hij academische boeken die niet slechts door vakgenoten gelezen worden maar door een iets breder publiek van 'intellectuelen', verkrijgbaar in de reguliere boekhandel. Boeken zoals die van Douwe Draaisma of Evelien Tonkens.

Prins: "Het effect van wetenschappelijke uitingen wordt vaak gemeten aan de hand van citaties. Maar daarmee heb je geenszins zicht op het maatschappelijk effect van onderzoek."

Ik ken wetenschappers die meegeholpen hebben aan een tentoonstelling maar die daar nooit collega's naartoe zouden durven sturen. En ik weet dat wetenschappers zich soms een beetje schamen voor interviews - als ze die al geven. Omdat in een interview de subtiele kwaliteit die weten- schap zo eigen is vaak wordt gemist. Daarom geef ik slechts voorbeelden van onconventionele producten waar de makers zó trots op waren dat zelfs collega-wetenschappers ze mochten zien.

Stel, een wetenschapper is iemand die met een paintballpistool een doel probeert te raken - een driehoek met een punt omhoog. Mik je op de top dan heb je de kans dat je raak schiet en de naar beneden druipende verf het hele bord kleurt: veel effect. Maar je hebt een flinke kans om mis te schieten. Hoe lager je schiet, hoe kleiner het effect maar ook hoe groter de kans überhaupt maatschappelijk effect te hebben.

Met deze metafoor in het achterhoofd is het eigenlijk vreemd dat academici hoofdzakelijk worden opgeleid voor 'hoog richten'. Iets meer diversiteit mag best.

Het is helemaal niet onverstandig om als onderzoeker af en toe een andere vorm te overwegen dan het artikel, en het is heel plausibel dat je op die manier maatschappelijk effect kunt behalen. Maar vooral kan zoiets voor de onderzoeker zelf een waardevol zijn: zo kun je op een nieuwe manier tegen je onderwerp aan gaan kijken, en gedwongen worden om na te denken over de essentie van je onderzoek. Het maken van iets - een spel, een kunstgebit - kan zelfs bijdragen aan het ontstaan van een beter begrip van de materie. Dan is het wel noodzakelijk om zelf mee te werken: te haken, te knutselen, of zelf met pijn in de rug negen ton stof op een grote berg te gooien.

Gehaakte wiskunde
De studie van chaotische systemen en het werk van meteoroloog Edward Lorenz inspireerden de wiskundigen Hinke Osinga en Bernd Krauskopf - een stel - tot het maken van een denkbeeldig vlak, dat ze naar Lorenz hebben genoemd.

Het is een pannekoek met zulke moeilijke plooien, dat een computer de vorm ervan moeilijk kan vaststellen - en dan nog heb je dat vlak, die 'Lorenz-variëteit' alleen maar in beeld, niet in je handen.

De opbouw van het vlak deed Osinga en Krauskopf aan haken denken; Osinga is een goeie haakster. Krauskopf: "Toen we doorhadden dat je de Lorenz-variëteit kunt maken als een tastbaar object, wilden we dat delen met vakgenoten, door er een wetenschappelijke publicatie te maken." Het haakwerk verscheen op de voorpagina van The Mathematical Intelligencer, met binnenin het haakpatroon.

Het artikel over het haakwerk 'heeft wetenschappelijke waarde', zegt Osinga. "Elegantie en schoonheid van argumentatie is een belangrijk streven in de wiskunde, bijvoorbeeld bij het zoeken naar een overtuigend bewijs van een stelling. Onze methode om oppervlakken als de Lorenz-variëteit te berekenen is bijzonder elegant, want het levert automatisch een haakschema op. Ons haakwerk helpt om een complex en modern stuk wiskunde beter te doorgronden."

Hoe voelt speculeren?
Economie in het verleden, daar houden Oscar Gelderblom en Joost Jonker zich mee bezig. De historici ontwikkelden het Spel van de Gouden Eeuw, zodat de speler kan 'voelen' hoe de economische mechanismen eeuwen geleden werkten. Je kunt anno 1594 in Amsterdam investeren in graan of haring, of een grotere gok wagen, door in zijde te gaan bijvoorbeeld. Het spel wordt lastig als je in 1598 belandt; toen wisselde het economisch getij.

De makers hadden in het spel geen verzekeringen opgenomen, zodat de kans groot is dat je failliet gaat. Die voorziening was er in 1598 wel (in 1594 niet). Hadden Gelderblom en Jonker meer geld gehad, dan hadden ze die verzekering er meteen in opgenomen; in de 2.0-versie (zie spelvandegoudeneeuw.nl, te spelen op drie niveaus) zit die optie wel.

Openbaar kunstgebit
Guus Flögel, hoogleraar tandheelkunde te Utrecht, meende dat tandprotheses niet de alom bejubelde oplossing voor tandproblemen waren. Om dat duidelijk te maken, creëerde hij objecten voor de Stichting Openbaar Kunstgebit.

Hoe zet je een kunstgebit vast? Met een beugel aan de huig, of met een moer door de schedel?

Vodden komen thuis
The Return of the Shreds is bedacht door kunsthistorica - en nu dus voor even kunstenares - Kitty Zijlmans en kunstenaar Ni Haifeng.

De metershoge berg van reepjes stof (gewicht: negen ton) uit een Chinese textielfabriek keerde terug naar De Lakenhal in Leiden. Dat is nu een museum, maar was ooit een plaats waar stof werd gemaakt.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden