Review

'Kijk de natuur mij eens nodig hebben'

De vorige bundel van Esther Jansma, 'Hier is de tijd', stond in het teken van dood en gemis. Hij bevatte onder meer een achttal mythisch ingekleurde gedichten die in elementaire, bezwerende taal de dood van een jonggestorven zoontje memoreerden. Eén daarvan, 'Afwezigheid', heeft Jansma opnieuw en ongewijzigd opgenomen in haar nieuwe bundel 'Dakruiters', en wel als openingsgedicht.

In dit vers worden dood en gemis symbolisch gekoppeld aan zoiets teers als het opengaan van rozen: 'Zoals rozen openen, je ziet het niet'. Telkens opnieuw ontplooit het verdriet om het gemis onzichtbaar zijn blaadjes: 'missen/ is veelvoud, blijft opengaan in het nu// en je begrijpt niet hoe'. Een pijnlijk mooi beeld voor iets dat onherroepelijk is, want 'niets/ slaapt je naar het licht'.

'Afwezigheid' vormde de aanleiding voor een nieuwe reeks, samengebracht in de eerste afdeling 'Hebben'. Die titel is zacht gezegd opmerkelijk, waar we toch vanuit de dood, het niet-hebben en missen, vertrekken. Voortbordurend op het beladen beeld van de roos echter voert de reeks ons van de dood steeds verder het leven in. Zij eindigt dan ook met het gedicht 'Aanwezigheid', waarin een klein meisje, Julia, de plaats van de roos heeft ingenomen en door haar moeder liefdevol wordt verzorgd.

Zo samengevat lijkt het net of 'Hebben' een alleszins invoelbaar proces beschrijft waarbij het verdriet om een gestorven kind wordt getemperd door het krijgen en 'hebben' van een nieuw kindje. Maar zo eenvoudig ligt het niet. Esther Jansma is er de dichteres niet naar om rond een autobiografische aanleiding een lyrisch-anekdotisch web van weemoed en loutering te spinnen. Haar temperament en poëzie-opvatting gaan verder en dieper dan dat. Het komt in deze reeks, waarin de prachtig concrete beeldentaal een hoog abstractieniveau niet uitsluit, op iets wezenlijkers aan. Via de dood schetst zij de confrontatie tussen natuur en mens. Tussen de wereld van het indifferente 'zijn', waarin menselijk inzicht en emoties geen enkele rol spelen, en die van het 'hebben', waarin inzicht en emoties er wél toe doen. De dingen kunnen, zo suggereert zij in 'Fractal', nog zo uniek en gelijkvormig geordend zijn, maar wat is de waarde daarvan buiten ons om? Toegespitst op de symbolisch geladen roos heet het: 'In al haar onderdelen is een roos/ roos'. Zij

is een roos tot in het kleinst

van de omtrek van ieder van haar blaadjes

en de van geurmoleculen doortrokken ruimte

tussen die blaadjes: die roos

en weet het niet.

Het schokeffect van de slotregel: de roos -de dode- is in de wereld van het zijn niet anders dan een ding: een fenomeen zonder zelfbesef, bepaalt de teneur van de rest van de reeks. De taal moet de dode voor het wegzakken in de dove en blinde wereld van de reflectieloze dingen behoeden. Zo nodig rukken de verzen daarbij op ontroerende wijze aan de grenzen van de logica: 'die roos denk ik als ik zeg/ ik wil haar terug, desnoods zo:// niet-roos'. Ook elders worden voortdurend 'nieuwe tong- en lipstanden' beproefd om de taal, als het moet een vreemde taal, aan deze opdracht te laten voldoen. Dat leidt tot ernstige, maar ook weleens tot relatief speelse en zonder uitzondering boeiende poëzie:

De verzameling 'rozen' is een andere

dan die van wat geen roos genoemd wordt

zoals ik en all roses. In niet-logische termen

hiervandaan geredeneerd

moet die bloem zich vermommen

om bij mij te mogen- kan ik alleen

bijvoorbeeld in het Engels van haar houden

wat allang gedaan is a rose is a rose is

dus geen leer der verzamelingen hier

maar wel dit: er is ruimte genoeg voor een dood-

simpel roosje en ik.

Het is onmogelijk om in kort bestek een goed beeld te geven van deze reeks. De gedichten grijpen onophoudelijk in elkaar en ontlenen hun lading niet alleen aan zichzelf maar ook aan hun omgeving. In glasheldere en toch mysterieuze verzen trekt Jansma niet alleen de doden, maar ook de hersenloze moloch die natuur heet in het licht van de menselijke reflectie en emotie. ,,Kijk de natuur mij eens nodig hebben', schrijft zij uitdagend. Aan het slot vervangt Julia het droef-mooie symbool van de roos en 'haar slaap (is) niet de slaap van de dingen'. Prachtig.

In de middenafdeling is de samenhang minder dwingend, maar ook hier vinden we voortreffelijke gedichten. Er staan onder meer twee beeldgedichten in bij etsen van Ronald Tolman, twee andere gedichten waarin Jansma's dagelijks werk -zij is archeologe- aanleiding geeft tot beeldende exercities op het snijvlak van wetenschap en poëzie, en een dubbelvierluik met Orpheus-motief waarvan het tweede eindigt in een klankexperiment dat zowel aan Jan Hanlo als de sensitieve verzen van Gorter doet denken. Zeer de moeite waard is ook 'Aan' met zijn ingenieuze voorstelling van het gedicht als een 'machientje' dat 'het voorwaarts vallen van aandacht' genereert.

De laatste afdeling is heel anders van opzet dan de eerdere twee. Het bestaat uit één lang verhalend gedicht dat in rijmende vierregelige strofen het afgelopen millennium poëtisch de revue laat passeren. Het is een compilatie van rampen, oorlogen, hongersnoden en misdaden tegen de menselijkheid die elk eigentijds optimisme ten aanzien van 'beschaving' als een illusie ontmaskeren. De toon is zeer direct, gedreven en soms sarcastisch: 'Maar ziek is men nog steeds, gek van godsdienst, van wijzer// willen zijn dan een ander, maf van vrouwenhaat, heet// van ellende, nog altijd'. Geen woorden die je vaak op een kerst- en nieuwjaarskaart zult aantreffen. Maar waarom eigenlijk niet? Een zeer gevarieerde bundel kortom, zowel poëtisch als existentieel van een indrukwekkend niveau.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden