Kiezen in crisis

De crisis zorgt ervoor dat we snel af willen van het financiële kapitalisme. Maar onze ervaring met de economie van het grote geld is veel te pril, om zulke conclusies te trekken.

Op 12 september gaan we naar de stembus, onder omstandigheden die we nog niet eerder meemaakten. We doen wel onze boodschappen, gaan met vakantie en zoeken ontspanning buitenshuis zoals we dat de afgelopen jaren gewend waren. Maar de eurocrisis wordt steeds ernstiger. Naarmate de redding van de zuidelijke landen problematischer wordt, ziet ook onze toekomst er slechter uit.

Trouwens, wat heet redding? De Griekse regering stemde in met een door Europa opgelegd draconisch bezuinigingspakket, met een extra belasting op onroerend goed, pensioenen die met tien procent krimpen en aanvullende pensioenen die worden afgetopt op 2400 euro; medicijnen worden duurder, salarissen gaan naar beneden en de werkloosheid omhoog. Het is zeer de vraag of de Grieken dat alles zullen slikken. Wie weet zakt het land binnenkort weg in chaos, of nog erger. En dat is alleen nog maar Griekenland. De rente op Italiaanse en Spaanse staatsobligaties staat steeds op of boven de onhoudbaar geachte 7 procent - behalve na de week van een Europese top waarin aan die landen extra financiële steun werd toegezegd. Misschien zou er iedere week zo'n top moeten zijn. En dan draait de vicieuze cirkel almaar door, van draconische bezuinigingen, een inzakkende economie, problemen van de banken, nog weer hogere overheidsschulden door steun aan banken.

De gevolgen voor ons land zijn groot. De Algemene Rekenkamer becijferde in juni dat het bedrag waar de Nederlandse overheid garant voor staat sinds 2008 steeg met 35 procent tot 465 miljard euro, om de eurocrisis te bestrijden. Daar moet je nog 153 miljard ero optellen voor het levensgevaarlijke Target2 systeem - de idioot die dat bedacht heeft, verdient eeuwige verbanning - waarmee de overheid zich garant stelde voor de vorderingen van Nederlandse bedrijven op bedrijven in probleemlanden. Tezamen staat dat gelijk aan ons bruto binnenlands product. Dan zijn er nog veel meer risico's. En het wordt helemaal fantastisch wanneer door een lang niet ondenkbare algehele Europese crisis de overheid de vier systeembanken (ABN Amro, Rabobank, ING en SNS) moet redden. Want dan komt er nog eens 2200 miljard bovenop, volgens de Rekenkamer. Dan zijn we allemaal vele malen failliet en zullen we de keuze hebben tussen het eten van brandnetels of wat we in ons achtertuintje verbouwen (als we tenminste zo gelukkig zijn een achtertuintje te hebben). Of gewoon doodgaan natuurlijk.

Het zou het einde zijn van de beschaving in dit deel van de wereld. Weinig waarschijnlijk scenario, gelukkig.

Wat zijn de gevolgen voor onze politieke keuzeop 12 september? Misschien zijn die er niet. Want wat er ook met de EU en de euro gebeurt, gebeurt - ongeacht waar de Nederlandse bevolking voor kiest. En waarom zou je je druk maken om iets waarop je geen invloed kunt uitoefenen? Dan kunnen we ons maar beter werpen op de beheersing van de kosten van de zorg, de kwaliteit van het onderwijs, de bezuinigingen op de cultuursector of op verheven kwesties als ritueel slachten of besnijdenis.

Bovendien laten de belangrijkste ideologieën ons sowieso in de steek. Je kunt met de beste wil van de wereld uit de christen-democratie geen standpunt inzake Europa afleiden. Of uit de sociaal-democratie of het liberalisme. Het oude sociaal-democratische thema van de dialoog tussen werkgevers en werknemers geeft je geen enkele grip op de problemen waar Europa nu mee worstelt. Hetzelfde geldt voor het liberale dogma van de vrijemarkteconomie: geen enkel Europees probleem is daar zinvol toe te herleiden. En er valt hier al helemaal niets te verwachten van het pleidooi van PVV en SP voor een terugkeer naar de geruststellende begrenzingen van de negentiende-eeuwse natiestaat. Dat is struisvogelpolitiek.

Aan deze hulpeloosheid van de ons vertrouwde ideologieën verbind ik een conclusie die ons misschien toch een beetje verder brengt. Want ze legt bloot dat we hier met een nog onbekend soort van problemen te maken hebben. Die zijn trouwens niet uniek: ook in de VS heb je wankelende banken, zelfs nog grotere staatsschulden dan hier, een zwakke economie en hoge werkloosheid. Ook daar zit alles vast en weet niemand hoe je de zaak weer vlot trekt.

Vooral de wurggreep waarin overheden en banken elkaar houden, zowel in Europa als in de VS, lijkt iets geheel nieuws te zijn. Dat had je niet met de grote depressie van 1929 en de jaren daarna. Die speelde zich immers vooral af in de private sector. Juist dat maakt onze huidige crisis zo onoverzichtelijk en daarom ook zo veel gevaarlijker dan die van tachtig jaar terug. Je kunt niet meer op de staten terugvallen om de banken te redden, of omgekeerd. Ze zitten beide diep in de prut.

Dit kennen we nog niet, kortom. Dat dwingt ons om met nieuwe ogen te kijken naar wat de westerse wereld de afgelopen vijf jaar nu eigenlijk overkomen is. Daarbij kunnen we veel leren van de grote Franse historicus Fernand Braudel (1902-1985).

Zijn belangrijkste werk is het immense driedelige 'Civilization matérielle, économie et capitalisme' uit 1979. Zoals de titel van dat boek al doet vermoeden is het gedeeltelijk een geschiedenis van het kapitalisme. Maar Braudels kapitalisme is anders dan dat van Marx. Marx relateerde het kapitalisme aan de industriële samenleving: 'kapitaal' is het geld dat de industrieel verdient door de exploitatie van het arbeidersproletariaat. Voor hem is het kapitalisme dus een fase in de economische geschiedenis, begonnen met de Industriële Revolutie van rond 1800 en eindigend zodra de productiemiddelen (fabrieken, machines) het eigendom van de arbeiders zijn.

Voor Braudel is het kapitalisme iets van alle tijden, geen fase in de economische geschiedenis, maar een altijd aanwezige laag in de economische orde.

Hij ziet in die orde een driedeling. Het elementairste niveau is dat van de bakker, de slager, de smid, de herbergier, de kleermaker of uw pc-technicus. Daar gaat het om economische transacties waarbij wij allemaal betrokken zijn. We moeten allemaal ons dagelijks brood kopen en af en toe onze laptop laten repareren. Dat kun je de humuslaag van de economie noemen: alle andere economische activiteiten bloeien daaruit op.

Daarboven heb je de laag van handel en industrie. Daar wordt ervoor gezorgd dat er meel, textiel en pc's gemaakt worden (industrie) en dat die terechtkomen bij bakker, kleermaker en pc-technicus (handel). En daar weer boven heb je de derde laag, die van het 'grote geld', de wereld van bankiers, de geldhandel en de interactie tussen kapitaal en politiek. Dat is de sfeer van het financiële kaptalisme.

Die drie sferen heb je volgens Braudel overal en altijd gehad. Er zijn altijd bakkers geweest, altijd bedrijfjes die iets relatief ingewikkelds produceerden dat je als individu niet maken kon, altijd handelaren die iets inkochten en voor een hogere prijs weer verkochten en aan de top van de economische piramide stond altijd die bovenlaag van het grote geld. Zo had het oude Rome al zijn kapitalisten als Crassus, Maecenas of Plinius die met speculaties en handige transacties in grond of graan enorme vermogens bij elkaar wisten te schrapen. Of denk aan Trimalchio die Petronius in zijn 'Satiricon' neerzette als de prototypische nouveau riche.

Die driedeling ontwaart Braudel zelfs buiten Europa, in India, China en Japan.

Al zijn die drie lagen van alle tijden,het zwaartepunt daartussen verschoof wel degelijk. In de Middeleeuwen lag dat bij die humuslaag. Er was wel wat handel en industrie en ook wel wat financieel kapitalisme (de Bardi's en de Medici's in Florence of de Fuggers in Augsburg), maar veel stelde dat nog niet voor. Dat werd dramatisch anders na 1500 toen allereerst de koophandel explodeerde en toen daarna, met de Industriële Revolutie, het uiterst dominante en agressieve industriële kapitalisme op het toneel verscheen dat Marx met een boos oog bezag.

Zeker, het financiële kapitalisme wist zich ook breder te maken. Grote bankiershuizen als Hope, Barings, Casimir Périer of Rothschild oefenden met oorlogsleningen zelfs directe invloed uit op de grote politiek. Maar dat veranderde het aangezicht van de negentiende- en vroeg twintigste-eeuwse economische orde niet echt: dat was en bleef een wereld van industrieel kapitalisme, van kool- en ijzermijnen, van hoogovens, van olieconcerns, wapenindustrie, van autoindustrie tot en met de IT-industrie van onze tijd.

Dat brengt mij bij de kern van de zaak. Want in onze tijd heeft de tweede laag, die van handel en industrie, de leiding moeten afstaan aan het financiële kapitalisme. Die vormde altijd al de hoogste laag in de economische orde, maar nooit de belangrijkste. Dat gebeurde pas in onze tijd.

Hoe heeft dat financiële kapitalisme zich op de eerste plaats weten te wringen? In de eerste plaats is door de verspreiding van financiële producten (hedge funds, swaps of derivaten) de omvang van de financiële sector in luttele jaren geëxplodeerd. De balansen van de Nederlandse banken hebben de omvang van vele malen ons BBP.

Het financiële kapitalisme had zich vroeger altijd braaf opgehouden in het private domein, zonder daarbuiten bovendien veel schade aan te richten.

Maar - en dat is nog veel belangrijker dan die geëxplodeerde bankenbalansen - het financiële kapitalisme slaagde erin de sprong van het private naar het publieke domein te maken.

We hebben nu ineens allemaal te maken gekregen met de hoge sprongen van de financiële sector - door belastingplichtigen opgehoeste miljarden die staten spendeerden om systeembanken te redden. De staten zagen terecht in dat die banken een publiek belang vertegenwoordigden en dat ze die niet aan hun lot over konden laten. Daarmee stak het financiële kapitalisme over van de private naar de publieke sector. En met zoveel succes dat in die publieke sector al snel geen enkele vraag belangrijker was dan hoe men die voormalige private sector op de been kon houden. Het gevolg was dat de instandhouding van de financiële sector het ultieme publieke belang werd. Al die eurotoppen van de laatste jaren gingen almaar daarover.

Onze crisis - zowel in Europa, als in de VS en Japan - is, anders dan de crisis van 1929, geen crisis binnen het industriële, maar binnen het financiële kapitalisme en die werd veroorzaakt door het verdwijnen van de grenzen tussen de private en de publieke sector.

De oplossing ligt dus voor de hand. We moeten beginnen met het uit elkaar trekken van de publieke en de private sector.

Door globale regels voor de financiële sector, ofwel heel strikte regelgeving, door die sector onder curatele te stellen van centrale banken, door het opsplitsen van banken en financiële instellingen in kleinere onderdelen, door heroprichting van staatsbanken zoals de vroegere Postspaarbank om de private banken door de concurrentie daarmee op het rechte spoor te houden (ik zou zelf meteen overstappen naar zo'n bank als die er was), door een informele onderwerping van de financiële sector aan de politiek of zelfs de gedeeltelijke of algehele nationalisering daarvan.

Dat zijn allemaal prima voorstellen. En waar mogelijk, zou je ze zeker moeten doorvoeren.

Er zijn evenwel twee levensgrote obstakels. Het eerste is dat wij allemaal in hetzelfde schuitje zitten: dat van het financiële kapitalisme. Zo horen de pensioenfondsen bij de grootste spelers op de financiële markten. Zij zijn medebepalend voor de rentepercentages van de staatsobligaties van zuidelijke landen. Wie van zijn pensioen geniet (of wil gaan genieten) is dus in feite een financiële kapitalist. Hij verlangt ook van zijn pensioenbeheerder om zich als zodanig te gedragen. Lenen aan Spanje is helemaal oké, maar dan wel tegen een rente die uw pensioenfonds verlangt gezien de wankele financiën van dat land. Toch? Of vindt u het prachtig als er flink op uw pensioen gekort wordt als Spanje failliet gaat?

Of we dat nu leuk vinden of niet, we zijn zelf een exponent geworden van dat financiële kapitalisme, we delen allen in de lusten en de lasten en de toekomst ervan is ook beslissend voor onszelf. Zomaar afschaffen van het financiële kapitalisme is dus geen reële optie.

En er is een nog veel interessantere kant aan de zaak. Ik wees er al op dat men er ook buiten Europa mee worstelt. Ook daar is men op het idee van het financiële kapitalisme gekomen, geheel los van ons eigen geknoei met euro en EU. Blijkbaar is er behoefte aan iets, waarin dit kapitalisme voorziet.

Zoals indertijd ook het industriële kapitalisme naast afschuwelijke zaken als kinderarbeid, de rücksichtslose exploitatie van het arbeidersproletariaat en de vervuiling van de omgeving toch ook iets bezat waardoor men nooit bereid was om het op te geven en waardoor het zelfs de hele wereld kon veroveren.

Onze ervaringen met het financiële kapitalisme zijn nog heel erg pril en het kan daarom best zijn dat de heilzame kanten ervan pas veel later zichtbaar worden - zoals het geval was met het industriële kapitalisme. Hoewel wij nu goede redenen denken te hebben om het financiële kapitalisme als een absolute ramp te zien en het liefst niets onbeproefd zouden laten om het weer uit onze samenlevingen te verdrijven, is dat toch een kortzichtige reactie. Een reactie vergelijkbaar met die van die Engelse arbeiders van rond 1820 die hun alleszins begrijpelijke woede op het industriële kapitalisme koelden door fabrieken in brand te steken en door machines kapot te slaan. Dat lost niets op.

Het financiële kapitalisme heeft een slechte naam. Het moet ons een gruwel zijn dat de wereld van bankiers en van speculatie zich zozeer meester heeft weten te maken van de publieke sector, van het domein van het algemeen belang. Maar je kunt deze fusie van het publieke en het private belang ook zien als het aanwenden door de publieke sector van het financiële kapitalisme ten behoeve van het algemeen belang. Wat dat betreft lijkt het financiële kapitalisme op het zwaard van Amfortas uit de Graal-legende: het zwaard dat zowel verwondt als geneest.

Dat zwaard is eerder benut. Denk aan de Bretton Woodsovereenkomsten van 1944 waar de VS zijn positie als winnaar van de Tweede Wereldoorlog gebruikte om een economisch systeem door te drukken dat de rest van de wereld ertoe zou dwingen de rekening te betalen van wat de VS meer zou uitgeven dan verdienen. Misschien wel de slimste deal uit de geschiedenis van de mensheid.

Op een veel bescheidener schaal deed Japan dat dertig jaar geleden met methodes die zo fraai geanalyseerd werden in Karel van Wolferens 'The Enigma of Japanese Power'(1989). En door de manipulatie van de eigen munt en al of niet verkapte vormen van protectionisme doet China dat nu op zijn eigen manier.

Steeds werden en worden hier de middelen van het financiële kapitalisme ingezet voor het nationale eigenbelang. Waarbij we ons moeten herinneren dat wat het nationale publieke belang is vanuit het perspectief van een burger, het private eigenbelang is van zijn natie in relatie met andere naties.

Dat mag hardvochtig en onsympathiek klinken - maar zo heeft God de wereld nu eenmaal gemaakt. Vooral nu de huidige wereldorde zich bewoog van een door de VS als hegemoniale macht beheerste unipolaire orde naar een multipolaire orde, waarin naast de VS, Japan, de BRIC-landen (Brazilië, Rusland, India en China) en Europa ieder zijn eigen plekje onder de zon zal moeten bevechten. En dan moet men zich aanpassen aan hoe het spel gespeeld wordt: ut homines sunt, ita morem geras. 'Richt uw gedrag in naar zoals de anderen zijn.' Europa is daar nog zelfs niet aan begonnen. En iedere dag dat men ermee wacht, is een dag te lang.

Dat brengt mij terug bij de verkiezingen van 12 september. De platte, maar daarom niet minder harde waarheid is dat alleen een verenigd Europa een serieus te nemen tegenspeler zijn zal van al die andere belangrijke actoren in de huidige multipolaire wereldorde, zoals de VS, Japan en de BRIC-landen. Alleen een verenigd Europa kan aan de instrumenten van het financiële kapitalisme de kracht geven die de andere spelers voldoende imponeert.

Het belangrijkste is de euro. De voor de hand liggende tegenwerping dat in de praktijk de euro Europa eerder verzwakt dan versterkt, mist haar doel. Zeker, met de invoering van de euro zijn catastrofale fouten gemaakt. Maar daaruit volgt niet dat we de munt moeten opgeven. Wanneer de mensheid alle plannen had opgegeven zodra de realisering daarvan onvoldoende doordacht bleek, dan hadden we allemaal nog steeds in berenvellen rondgelopen. Wel dienen we de fouten zo snel mogelijk recht te zetten. Liever gister dan vandaag. Pas dan heeft Europa een toekomst. En ons eigen land heeft pas een toekomst als Europa die heeft.

Wie zijn prioriteiten op orde heeft zal op 12 september daarom stemmen op een partij die zich zonder voorbehoud opstelt achter Europa en de euro.

Gelukkig is dat met de meeste partijen zo. Er kan dus weinig misgaan. Dat geeft de burger moed.

Tot in de Middeleeuwen lag hier het zwaartepunt van de economie: de bakker (hier verbeeld door Jan Steen), de slager, de kleermaker.

De crisis van 1929 was - heel anders dan nu - de crisis van het industriële kapitalisme. Nu beleven we de crisis van het financiële kapitalisme

undefined

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden