Khayyam

,,In de bijbel is het creatieve vermogen in de meest strikte zin nu juist niet aan de mens voorbehouden, maar aan God.'' In zijn kanselrede over Jesaja stuitte de schrijver Nicolaas Matsier op overeenkomsten tussen de oudtestamentische profeet en de Perzische dichter Omar Khayyam: ,,Men hoont mij om mijn scheve makelij, wat! beefde dan de hand van die mij maakte?'' ,,Wee hem die met zijn Formeerder twist, een scherf onder aarden scherven. Zal ook het leem tot zijn vormer zeggen: Wat maakt gij? of uw werk: Hij heeft geen handen? Wee hem die tot zijn vader zegt: Wat verwekt gij? En tot de vrouw: waarom hebt gij barenswee‰n?'' (Jesaja 45:9 en 10) Dit is een enigszins bekorte versie van de tekst die Nicolaas Matsier op 11 mei jl. uitsprak in het Haags remonstants centrum Uytenbogaert.

In zijn studie 'Wat is creativiteit?' vestigt Sem Dresden er overigens de aandacht op dat het Amerikaanse creativiteitsonderzoek rechtstreeks voortkwam uit de Koude Oorlog. Toen de Russen in 1957 de eerste Spoetnik lanceerden, meenden de Amerikanen een ernstige achterstand te hebben en deze werd meteen grondig aangepakt. Anderhalf of misschien twee decennia later, in de jaren zeventig, is het woord al druk bezig zijn alsmaar fletsere huidige betekenis te krijgen. Het woord creatief betekent tegenwoordig eigenlijk nauwelijks meer dan: leuk bedacht.

In de bijbel is het creatieve vermogen in de meest strikte zin nu juist voorbehouden niet aan de mens, maar aan God. Ter ori‰ntatie zocht ik in de bijbel allereerst eens de plaatsen op waar rechtstreeks sprake is van 'scheppen', 'schepper', 'schepping' en 'schepsel'. De trouwe Trommius was daarbij, uiteraard, mijn leidsman.

De eerste verrassing was dat het aantal vermelde plaatsen beperkt was. Het werkwoord scheppen komt, in enigerlei vorm, een keer of vijftig voor. In het bijbelboek Jesaja het vaakst; wat voor mij al meteen een verplichting schiep. De tweede verrassing was het aantal keren dat schepper, als substantief, voorkomt; dat is op een hand te tellen. Maar de grootste verrassing was dat het woord schepsel een zuiver nieuwtestamentische creatie - en anders dan toch inbreng - van Paulus geweest is.

Er was een plaats in Trommius die me deed opveren, en me bovendien een gevoel bezorgde van grote vertrouwdheid. Dat was Jesaja 45:9 en 10. Toch was het bij mijn weten geen citaat dat ik al kende of dat deel uitmaakte van de bij ieder mens sluimerende voorraad van vage bijbelse noties. In de versie die mij het vertrouwdst is, namelijk die waarmee ik groot ben geworden, de vertaling uit 1951 van het Nederlands Bijbel Genootschap, luiden de paar verzen waar het mij om gaat als volgt. De context zal hier verder geen rol spelen. Maar dat is er een waarin God, bij monde van de profeet, geen enkele twijfel laat bestaan aan zijn schepperschap en aan zijn daaropvolgende exclusieve leiding over het reilen en zeilen van de gehele aarde.

"Wee hem die met zijn Formeerder twist, een scherf onder aarden scherven. Zal ook het leem tot zijn vormer zeggen: Wat maakt gij? of uw werk: Hij heeft geen handen? Wee hem die tot zijn vader zegt: Wat verwekt gij? En tot de vrouw: waarom hebt gij barenswee‰n?"

Een prachtige tekst. Ik ben geneigd er volop mee in te stemmen. Maar ik weet niet of het de grote schoonheid van de tekst is die mij doet denken dat dit waar is, of andersom: dat dit een waarheid is die ik omhels, in welke vorm ik haar ook tegenkom. En waarbij het alleen maar mooi meegenomen is dat dit ook nog eens grote literatuur is.

Zal ook het leem tot zijn vormer zeggen: Wat maakt gij? Die mooie gedaante van God als ambachtsman, is ook al te vinden in Genesis 2, in een tweede variant van het scheppingsverhaal. Ook daar wordt de mens geformeerd, zij het niet uit klei, maar uit stof. Bij die eerste mens, Adam, komt de gedachte nog niet op om iets terug te zeggen tegen zijn schepper. Hier bij Jesaja wordt in de metafoor een hi‰rarchische relatie uitgedrukt, met als inzet om de situatie waarin de pot bij de pottenbakker navraag doet als absurd voor te stellen. Zoals de pottenbakker staat tot het leem, zo God tot de mens.

Niet bekend

Ik doel op de po‰zie van Omar Khayyam, de Perzische dichter die rond 1100 na Christus leefde. Ik zal zo meteen het kwatrijn citeren uit diens Rubayat dat een grote metaforische verwantschap vertoont met de passage uit Jesaja. Maar ik geef meteen toe dat de wereld en het denken van Jesaja voor de rest heel weinig verwantschap vertoont met die van Khayyam. En ik hoop dat Jesaja het mij vergeeft dat ik hem eigenlijk alleen maar benut als een startraket.

Khayyam was filosoof, astronoom, wiskundige en theoloog. Hij droeg bij aan een hervorming van de Perzische zonnekalender - waardoor de tijdrekening in de Ori‰nt nauwkeuriger was dan de middeleeuwse in onze streken - en hij schreef een hoog aangeslagen verhandeling over eerste-, tweede- en derdegraadsvergelijkingen.

Daarnaast was hij dichter van Perzische kwatrijnen. Dat zijn vierregelige verzen met het rijmschema a a b a. Ze rijmen dus drie keer, behalve in de derde regel. Die kwatrijnen golden in Khayyams tijd niet echt als serieuze po‰zie. Ze werden gedebiteerd in gezelschappen, bij wijze van conversationele prestatie. Ze leken waarschijnlijk meer op wat Engelsen witticisms noemen en Fransen en Nederlanders aforismen dan op wat men destijds als ernstige literatuur beschouwde. Intussen waren ze druk mondeling in omloop en werden er ook wel schriftelijke verzamelingen van aangelegd. Maar dan zonder dat er nou erg veel gewicht werd gehecht aan wat, in onze eenduidige tijd, onverbiddelijk onder het auteursrecht zou ressorteren.

Ook daardoor is het met de precieze kennis van de po‰zie van Khayyam buitengewoon ingewikkeld gesteld. De omvang van zijn oeuvre is zeer omstreden. Die loopt van misschien maar een ruim honderdtal tot wel twaalfhonderd verzen. Veel zogenaamde 'zwervende kwatrijnen' zijn aan hem toegeschreven. Tot de oudste handschriften behoort het Bodleian Manuscript, uit de vijftiende eeuw, dat door de Engelsman Edward FitzGerald tot uitgangspunt is genomen voor zijn reeks van zeer vrije vertalingen. In 1859 verschenen er vijfenzeventig stuks, die ternauwernood opgemerkt werden door de kritiek.

De verzameling groeide door tot de zogenaamde final edition van 1895. Deze was het die Khayyam en FitzGerald roem bracht. Rond 1900, zo schrijft J.T.P. de Bruin in de Moderne Encyclopedie van de Wereldliteratuur, lag FitzGeralds vertaling in Oxford op de schoorsteenmantel ten bewijze van intellectuele verfijning. Ook in onder meer Duitsland en Frankrijk zette omstreeks die tijd de westerse triomftocht van Khayyam in. In Nederland waren het vooral Boutens en Leopold, maar van die twee dan weer bovenal Leopold, die schitterende vertalingen hebben gemaakt van de kwatrijnen van Khayyam. Beiden overigens langs indirecte wegen.

Rechtstreeks uit het Perzisch vertaald is Khayyam naar ik meen maar n keer. Daarentegen is de vertaling van Edward FitzGerald, gedeeltelijk danwel geheel, talloze malen in vele talen overgezet.

Ik kan overigens in de verste verte niet pretenderen een kenner te zijn. Ik ben maar een simpele liefhebber, zo nu en dan. En een slordige liefhebber ook nog. Want in mijn onbetrouwbare geheugen zit namelijk een kwatrijn dat alleen nog maar uit zijn slotregel bestaat. Dat kwatrijn moet er in elk geval een zijn uit het zogenaamde Pottenboek danwel uit de reeks bij FitzGerald waarin hij een arrangement heeft gemaakt van een aantal pottengedichten.

FitzGerald was namelijk minder een vertaler dan een grandioze dichter die zich aan het toevallige ensemble van Khayyams verzen heeft ontplooid. Hij heeft dat zeer vrij gedaan, en bovendien een samenhang aangebracht die in de oorspronkelijke vorm absoluut niet te vinden was. Zijn werk moet daarom in hoge mate als een oorspronkelijke creatie aangemerkt worden - een ware herschepping die naar het oordeel van hen die de Perzische Khayyam kennen bij alle vrijheid toch zeer congeniaal mag heten. Een grote paradox blijft het dat een po‰zie die in de oorspronkelijk versie als niet meer dan een tijdverdrijf gold, Europese adelsbrieven verkreeg dankzij haar inlijving in vooral de Engelse literatuur.

Het gaat hier natuurlijk over potten in hun doodgewone oorspronkelijke betekenis: vaten van aardewerk. Die potten, in een pottenbakkerswerkplaats bijeen, spreken met elkaar. En door de dingen die die potten tegen elkaar zeggen, of slechts voor zich uit verzuchten, is het niet moeilijk om in hen een gezelschap te ontwaren van theologen of filosofen. Of, minder sjiek gezegd, eenvoudigweg van mensen die zich vragen stellen over leven en dood; vragen aangaande waarom, waarvandaan, waarheen; vragen naar zin danwel zinloosheid.

Het is, juist door zijn setting in die pottenbakkerswerkplaats, een bijna luchtig en prachtig gesprek. Pot een zegt - ongeveer - dit: Toch niet zomaar ben ik uit aarde gevormd; vast en zeker niet om te breken en weer vertrapt te worden tot vormloze aarde. De tweede sluit zich daarbij zo'n beetje aan. Een derde doet zijn zegje. Waarop dan een vierde aan het woord komt in het kwatrijn waar het mij om gaat. Maar het vreemde is dat ik het niet terug heb weten te vinden, nergens - het gedicht dat in mijn hoofd zat, maar dan alleen als zijn eigen slotregel. Die slotregel luidt:

'Misschien dat 's Makers handen om mij beefden.'

Ik heb gezocht en gezocht. Maar de versie die zich in mijn hoofd heeft vastgezet, heb ik niet teruggevonden. Zodat ik mij ben gaan afvragen of die regel niet van eigen makelij is, afkomstig van een spookkwatrijn dat voor de rest nooit echt bestaan heeft. Het curieuze is dat ik die regel in mijn boek Gesloten huis geciteerd heb, in een verband waar het gaat over gewenste grafschriften. Geciteerd althans in die zin dat ik dacht te citeren.

Ik heb navraag gedaan bij een van de beste kenners van Leopold en Boutens, ik heb rondgebladerd in diverse Nederlandse Khayyamvertalingen, waaronder degene die voor mij destijds openbarend was, die van J.A. Vooren - maar niets. Onvindbaar! En toch is het deze cruciale regel, 'Misschien dat 's Makers handen om mij beefden', die de sluimerende herkenningsmogelijkheid van het citaat bij Jesaja uitmaakte...

Welnu, hier komt dan, in de zojuist genoemde vertaling van J.A. Vooren, die in 1955 bij C.P.J. van der Peet in Amsterdam verscheen, voorzien van een voorwoord van L.Th. Lehmann en die vervolgens bij De Slegte op mij wachtte in de ramsj, het gedicht:

Geen antwoord kwam. Toen na een wijle zei een kroes van ongewone makelij: 'Ik ben een dom gedrocht dat zij belachen - Beefde de hand van wie mismaakte mij?'

In het Engels gaat het zo:

After a momentary silence spake Some vessel of a more ungainly make They sneer at me for leaning all awry What! did the hand then of the potter shake?

Hier is een versie van Johan van Schagen:

En niemand sprak daarop, maar eensklaps kraakte de dorre stem van een ongewoon mismaakte Men hoont mij om mijn scheve makelij, wat! beefde dan de hand van die mij maakte?

In de vertaling van W. Blok, onlangs verschenen in de reeks Ambo Tweetalig, gaat het zo:

Na een eerbiedig zwijgen evenwel klaagde een kruik van nogal scheef model Ze spotten met mijn kreupele staat: H, jij! Was soms de potter plotseling onwel?

Men ziet: het is als water, zo'n kwatrijn van Khayyam. Er vliegt, in elke versie, een zuchtje overheen dat kleur en karakter totaal lijkt te veranderen. Maar ik vind het, vooral in de eerste geciteerde versie, nog altijd een heel mooi kwatrijn. Het is een versie die naast het vers van Jesaja kan staan. Want het is, dunkt mij, het omgekeerde van een theodicee. Hier weerhoudt zich een slechtbedeelde nu juist van een ongunstig oordeel.

Het beste, naar mijn mening, dat iemand kan doen die Khayyam wil gaan lezen, is hem lezen in Leopolds versie, of in die van FitzGerald. In het Verzameld Werk van Leopold zijn de vertaalde kwatrijnen ondergebracht in een paar afdelingen, getiteld 'Oostersch'. Ook zijn ze te vinden in een aparte uitgave, verschenen bij Athenaeum Polak en Van Gennep, tezamen met de vertalingen in vooral Engels en Frans die Leopold tot uitgangspunt gediend hebben.

De vertalingen van Leopold vind ik onovertroffen. Ze zijn van een volstrekt sobere en transparante taal, ze bedienen zich eigenlijk nooit van het hoge, zogenaamd po‰tische register waar de vertalingen van Boutens, in hun soort ook heel goed, toch vaak een beetje onder bezwijken, ze halen geen trucs uit met het metrum of het rijmschema, ze zijn - in een woord - bewonderenswaardig. Die po‰zie behoort, lijkt mij, tot de top van de wereldpo‰zie. Helaas heeft Leopold van de pottengedichten er slechts enkele vertaald; en niet het door mij gezochte. Maar, gezocht of niet gezocht, wat een schitterende po‰zie.

Wij gaan en komen en de winst is waar? en weven draden en het kleed is waar? In 's hemels welving zijn tot stof verbrand vele weldenkenden: hun rook is waar?

Khayyam, met zijn superieur verwoorde skepsis, maar ook met zijn epicuristische aanbevelingen, vaak, om van het leven te genieten zolang dat gaat, mag in levensgevoel sterk verwant heten met het laat-antieke denken van de Stocijnen zowel als de Epicuristen. Het lijdt dan ook geen twijfel dat de classicus Leopold, in die periode thuis als weinig anderen, zijn eigen dicht- en denkklimaat direct herkend moet hebben.

Ik sloeg de beker stuk den dag voor dezen, als van mijn roes ik nauwlijks was genezen; de scherven spraken met een lispelstem: 'ik was als gij; gij zult als ik ben wezen.'

Met welk kwatrijn de lezer desgewenst weer terug kan zijn bij de woorden van Jesaja die als uitgangspunt gediend hebben. Hier immers blijkt het de dichter zelf te zijn, aan wie zijn toekomstige staat voorzegd wordt door gebroken aardewerk. In termen van Jesaja zal dat er dus een zijn van 'scherf onder aarden scherven'.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden