Khalil werkte ook voor de joden

Khalil Abu Nigme (vermoedelijk 1907-1995) was een Palestijnse lastdrager in de oude stad van Jeruzalem. Hij maakte vier bezettingen mee. Trouwcorrespondente Tineke Bennema beschreef zijn leven in een boek dat vandaag verschijnt. Een voorpublicatie.

Een mooie man was Khalil, zo omschreven zijn dochters hem. De mooiste onder de broers en zussen, bevestigde zijn halfbroer Abdel Majied. Lang, kaarsrecht, mager, met lichte olijfgroene ogen. Een kleur die iedereen mooi vond, omdat het bijna exotisch was te midden van al die bruine kijkers. Hij had een scherpe, intelligente blik, die alles leek te doorzien. Zijn blanke huid moet hij van zijn schone betbetovergrootmoeder geërfd hebben. IJdelheid was hem niet vreemd. Hij was zich een klein Charlie Chaplinachtig snorretje aan gaan meten, een stijl die in zwang was in die tijd. En hij verzorgde zichzelf altijd goed. Nooit ging hij de deur uit zonder zijn schoenen te hebben gepoetst. Met het opengaan van de gevangenispoort wachtte hem een nieuw leven. De moord, zijn berechting en zijn straf hadden zijn terugkeer naar Hebron onmogelijk gemaakt.

Met zijn stiefmoeder waren de banden verbroken. Maar hij had nog wel contact met zijn halfbroers. Khalils zusjes trouwden zoals gebruikelijk op zeer jonge leeftijd en trokken allemaal bij de familie van hun echtgenoten in, die in Jeruzalem woonden. Soms bezocht hij hen, maar ze hadden hem niet meer nodig. Khalil was helemaal alleen en het gevoel van totale vrijheid en onafhankelijkheid was volstrekt nieuw voor hem. Niemand was hij meer iets verplicht, niemand eiste iets van hem en als hij wilde hoefde hij niets te doen, behalve voor zichzelf te zorgen.

In de jaren nadat hij uit de gevangenis kwam, kon hij met zijn sjouwwerk maar net zijn kostje bij elkaar verdienen. Maar het tij zat hem mee. Voor de bedrijvigheid in de oude stad had de machtswisseling goed uitgepakt. De Engelsen bombardeerden de provinciale stad tot hoofdstad en religieus centrum van hun kolonie. Ze pompten veel geld in de awqaf (instituut dat gemeenschappelijk islamitisch eigendom beheert). Broodnodige reparaties aan de Jeruzalemse moskeeën vonden plaats en de zwarte koepel van de Rotskoepelmoskee veranderde in een schitterende halve bol door het koperkleurige laagje dat erop werd aangebracht, al zou het al snel weer verkleuren. Straten werden geplaveid, waterleidingen aangelegd en heuse gemeentelijke voorzieningen ingesteld. En de bevolking van de stad groeide explosief: van ongeveer 90.000 in 1922 naar 130.000 in 1931.

Britse ambtenaren, politieagenten, soldaten en hun gezin bezochten de stad als functionaris, maar ook als toerist; ze deden er hun inkopen, logeerden in hotels of huurden er kamers. Khalil was druk in de weer om hun koffers van buiten de oude stad naar binnen en van binnen weer naar buiten te sjouwen. Hij droeg de boodschappen, hij tilde de grote aankopen zoals kasten en meubels en hielp met het aanslepen van bouwmateriaal voor verbouwingen. Werk was er voor hem in overvloed, want Jeruzalem trok ook steeds meer westerse toeristen en pelgrims. En het bleef niet alleen bij die groepen. Ook met joden deed hij zaken, tenslotte verloochende zijn Hebronse handelsgeest zich niet. Natuurlijk, ook hij was tegen de komst van grote groepen joden in het land dat hij als het zijne beschouwde. En ook hij wilde niets liever dan een onafhankelijke staat voor de Palestijnen en zag in de Engelsen de grootste blokkade om die te bereiken. Maar hij bezat een pragmatische instelling en hij had genoeg honger geleden om te weten dat je niet al te kieskeurig kunt zijn bij het aannemen van een broodheer.

Soms had Khalil geluk en kon hij zijn baantje als sjouwer verruilen voor vast werk dat beter betaald werd, meer aanzien genoot en veel minder zwaar was. Zo werkte hij in West-Jeruzalem een tijdje bij de joodse eigenaar van een boekhandel, voor wie hij kisten en dozen met boeken uit een vrachtauto de winkel in droeg. Een andere keer was Khalil in dienst van een joodse handelaar die textiel haalde uit Jaffa en hielp hij hem met het in- en uitladen van zijn koopwaar in Jeruzalem.Hij trok zich niets aan van de oproepen van Arabische leiders en de mufti, de islamitische geestelijke, om de handel met joden te staken, al zal hij het geen prettig idee hebben gevonden om als landverrader te worden beschouwd.

’Jij Arabier! Verbreek alle commerciële banden met joden, die je onschuldige broeders hebben gedood met wapens, aangekocht van het geld dat jij betaalde door hun goederen te kopen! En dat willen ze ook gebruiken om land aan te schaffen dat nog in jouw handen is, om jou uit je Vaderland te verdrijven!’ zo werd de Palestijnen toegeschreeuwd in pamfletten die ze na rellen kregen uitgedeeld en waarvan Khalil ongetwijfeld kennisnam op straat.

Door zijn noeste arbeid en alle gespaarde piasters kon Khalil een lang gekoesterde droom verwezenlijken: om ooit een eigen vrachtwagen te kopen. Hij kende inmiddels het wereldje van het vervoer als de achterkant van zijn hart, zoals een Arabische zegswijze luidt; wat waar en wanneer nodig was. Bovendien had hij een aardig netwerk opgebouwd, zowel in joodse als in Arabische kring. Met een truck hoopte hij grote vrachten te kunnen vervoeren om zo meer geld te verdienen en niet meer afhankelijk te zijn van kleine sjouwklusjes. Niet meer afhankelijk te zijn van zulke onzekere opdrachten, die ook nog eens erg gevoelig waren voor politieke en economische vloedgolven.

Een vrachtwagen zou hem in staat stellen zijn bruidsschat te betalen, hem een vast inkomen verschaffen om een gezin te stichten en bovendien het aanzien dat hij nodig had om zijn bruid te veroveren. In die tijd kostte een gewone auto rond de vijftig pond en voor een grote vrachtwagen kon wel zeshonderd worden gevraagd. Een dergelijk bedrag kreeg Khalil nooit alleen bij elkaar en daarom bedacht hij dat hij met een partner in zee moest gaan. Khalil vond een Arabische vriend bereid om samen een oude truck te kopen, zelf te rijden en Khalil het laad- en loswerk te laten doen. Zo pendelden ze veel tussen de joodse nederzettingen in het westen van Palestina en Jeruzalem, vervoerden sinaasappels en partijen vis van Jaffa naar Jeruzalem en kleding van Haifa naar Jeruzalem. In Jeruzalem laadden ze weer andere goederen in die ze in omgekeerde richting wegbrachten. En ze boerden goed, omdat hun tarieven lager lagen dan die van de joodse concurrenten, zodat er op hen vaker een beroep werd gedaan. Ze kochten zelfs een tweede vrachtwagen en namen daarvoor iemand in dienst.

De Engelse regering had na de rellen van 1929 diverse onderzoekscommissies naar Palestina afgevaardigd om uit te zoeken waarom de Palestijnen bleven demonstreren en waaruit precies hun frustraties bestonden. De uitkomsten waren telkens dezelfde: Palestijnen wilden een einde aan de joodse immigratie, aan de joodse aankoop van land en ze eisten een eigen vertegenwoordiging. In 1930 stelden de Britten op grond van de uitkomsten het zogenaamde White Paper op, waarin zij aankondigden dat de joodse immigratie aan banden zou worden gelegd. Maar onder druk van invloedrijke joodse organisaties in Londen trok de Engelse regering deze verklaring in 1931 weer in en in de jaren die volgden zou de immigratie explosief groeien, van enkele duizenden joodse nieuwkomers per jaar naar 45.000 in 1934. Het waren allemaal joden die in Palestina een veilig heenkomen zochten, opgejaagd als ze waren door de gruwelijkheden van het antisemitisme in Europa. In 1936 maakten joden al 29,5 procent van de bevolking in Palestina uit.

Toen de Engelsen ook hun belofte om een Palestijnse wetgevende raad in te stellen niet nakwamen, trokken de Arabieren definitief de conclusie dat een dialoog met het Mandaatbestuur geen enkele zin meer had. Ze stuurden geen delegaties meer naar Londen voor overleg en wilden niet meer samenwerken met het koloniale bestuur, dat in hun ogen ook nog besmet was geraakt omdat het veel meer joodse dan Arabische werknemers had aangesteld. Winkeliers, handelaars, arbeiders riepen plaatselijke stakingen uit, waarbij alle rolluiken in de oude stad gesloten bleven en er zwarte vlaggen uithingen met witte teksten als ’Leve Palestina’.Niemand vertoonde zich dan meer op straat. Het anders zo levendige centrum veranderde in een spookstad. Khalil zal er ondanks zijn nationalistische sympathieën niet blij mee zijn geweest, want het betekende dat er voor hem geen werk was. En dus geen brood die dag.

Hoewel hij geen krant kon lezen en er nog nauwelijks radio’s waren, ademde Khalil de politiek in op straat. Spanningen voelde hij door meer politieagenten in de steegjes, doordat rebellen pamfletten uitdeelden en door toespraken in de moskeeën, die hij regelmatig bezocht. Nieuwtjes hoorde Khalil ook van sjouwers in de koffiehuizen Ook de jaarlijkse herdenkingen zoals op Palestinadag en de demonstraties tegen de Engelsen op de dag van de Balfourdeclaratie ontgingen Khalil niet. Evenmin als de betogingen tegen handel met joden, tegen de verkoop van land aan joden en tegen de aanschaf van door joden vervaardigde producten.

Een abstract vijandbeeld van joden had Khalil niet. Integendeel, hij kon uitstekend met zijn joodse werkgevers overweg omdat hij beleefd, consciëntieus en betrouwbaar was. Hij had geen enkel probleem met de aanwezigheid van joden die al eeuwenlang in Palestina woonden, zich voor zover mogelijk in het Palestijnse leven hadden gemengd en de Arabische taal beheersten. Met hen deed hij graag zaken. Dit in tegenstelling tot de nieuwe immigranten, die voornamelijk Pools, Russisch, Duits, Jiddisch en ook steeds meer Hebreeuws spraken en zich afzonderden in hun nieuwe kolonies. Zijn pragmatische instelling speelde hierbij een grote rol. Er moest simpelweg brood op de plank komen.


De last van Khalil. Uitgeverij Van Gennep, Amsterdam, 17,50 euro.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden