Ketterjager begraaft z’n hondje Tyter als een prins

Nederland was niet altijd tolerant. In de zeventiende eeuw onderdrukten staat en (erkende) kerk andersdenkenden. Remonstranten moesten het in Leiden ontgelden, dankzij ketterjager Willem de Bondt.

Het was een hartverscheurend gezicht. Eerst lag de jonge Tyter, onder verdachte omstandigheden gestorven, opgebaard, beweend door schout De Bondt die de wake hield. Toen werd Tyter, zoals het hoorde in de hoogste kringen, begraven. Kinderen van notabelen liepen mee in de stoet. Leidse hoogleraren en stadsbestuurders rouwden tijdens het traditionele begrafenisdiner.

Schilder Jan Miense Molenaer vereeuwigde het ziekbed en de teraardebestelling van de ongelukkige Tyter in 1634. Het schilderij, te zien in Museum de Lakenhal in Leiden, is evenwel geen tranentrekker, maar een dijenkletser. Want Tyter was een hond.

Zijn baas maakte zich belachelijk met deze actie. Joost van den Vondel hekeldichtte:

Tyter was des meesters vreugde

Waer hij gingh, of waer hij stondt

Tyter was nooit sonder Bondt.

De Amerikaanse kunsthistorica Cynthia van Bogendorf-Rupprath verdedigde in april haar onderzoek naar Tyter. Lachend: „Ik ben gepromoveerd op een dooie hond.”

Ze vroeg zich af waarom de Haarlemmer Molenaer een Leids tafereel schilderde. „Ik ontdekte dat hij de spotliedjes uit de kroegen had verbeeld.” Van Bogendorf vertelt hoe ze De Bondt kende uit ’De Vuurbeker’ (1947) van Simon Vestdijk. „In drie eeuwen is De Bondt de demon van de zeventiende eeuw geworden, steeds zwarter en zwarter. Zelfs Tyter is in die periode gegroeid: het was een schoothondje en is nu een hond van het formaat Deense dog.”

Wilem de Bondt kwam uit een ongelooflijk succesvolle familie, zegt Van Bogendorf. Zijn vader de eerste hoogleraar medicijnen in Leiden, zijn broers stuk voor stuk vooraanstaande wetenschappers. Op het oog was ook Willem geslaagd, als hoogleraar rechten. „Maar hij was de rotte appel. Slechte verhouding met zijn moeder, vader stierf toen Willem elf was, zijn broers overvleugelden hem. Hij was wel groot van gestalte, maar een slappeling. Een loser.”

Die zichzelf alsnog kon bewijzen. In 1619 werd De Bondt schout van Leiden – hoofd van politie en rechter in een. Overheid en kerk hadden eendrachtig besloten dat de ware leer te vinden was bij de contra-remonstranten (zie inzet) en dat de anderen met de sterke arm geweerd moesten worden.

De Bondt ging katholieken, joden en remonstranten het leven zuur maken, „maar het allermeest van hen de remonstranten”. Een aangebrachte ’Arminiaan’ leverde 500 gulden op.

Het radioprogramma OVT reconstrueert aanstaande zondag de wonderlijke geschiedenis; het resultaat is het hoorspel ’Schout Bondt en zijn hond’, gebaseerd op het onderzoek van Van Bogendorf. In het radiohoorspel vertelt de remonstrantse predikant Paschier de Fijne (alias Frits Lambrechts) hoe De Bondt jaagde op hem en zijn collega’s. De schout beboette verdachten, ramen werden ingegooid, huizen geplunderd, boedels verbeurd verklaard. Van de opgestreken gelden kocht De Bondt onroerend goed, goudleren behang, goed eten. Maar een succes was zijn ketterjacht niet. Paschier de Fijne vertelt in zijn levensherinneringen hoe hij twintig jaar lang vervolging ontliep, zes keer per week preekte in het geniep (’Nooit was het genoeg, er was een onstilbare honger, mensen raakten niet gespijzigd’) en zich steeds vermomde, als boer, zeeman, glazenzetter, timmerman, schrijnwerker.

Vondel maakte De Bondt belachelijk, door hem op te voeren als een personage dat houten banken in een huis dreigt met de zaag, doordat ze ’sondaghs tot gemak sijn van die hier preeken’.

Eind 1633 laait de vervolging op. Van Bogendorf: „De Bondt, in het zadel gehouden door hogergeplaatsten die hem het vuile werk lieten opknappen, móest wel. Want de remonstranten tartten hem: ze eisten hun godgegeven recht op om hun godsdienst uit te oefenen.”

De kunsthistorica heeft het aantal ’aanvallen’ op remonstranten becijferd: vier per jaar. „Dat is niet veel. De Bondt was een slappe man, geen zeventiende-eeuwse Hitler.”

In de betere kringen gniffelde men om de schout van Leiden, in de kroegen van Amsterdam en Haarlem was hij mikpunt van spot. En inspiratiebron voor de werken van Molenaer.

De burgemeester van Leiden beklaagde zich bij zijn schout, omdat die weinig succes had bij het uitroeien van die remonstranten, de kerkmeesters waren boos, want De Bondt dronk en ging zelden meer ter kerke, de schout zelf toeterde overal rond dat zijn vrouw tot zijn grote verdriet onvruchtbaar was.

Die echtgenote schijnt zich flink gerevancheerd te hebben. Ze liet haar ’luyt vaardig bedienen door de ving’ren van de organist’ van de Hooglandse kerk, citeert Van Bogendorf een van de spotliedjes. „Er zit een hoop seks achter”.

De Bondt wordt neerslachtig, dik en onberekenbaar. „Hij moet die liedjes gehoord hebben. Dat was zó vernederend. Hij had als schout de macht om zijn werk te doen, maar hij faalde in het vervolgen van de remonstranten. Hij heeft het verknald, de kinderloze verliezer.”

Alleen de fles bood troost. En hondje Tyter. Van Bogendorf: „Ik snap dat wel: Tyter werd het kind dat hij nooit had. Bovendien was De Bondt zo verguisd dat hij van mensen niet meer kon houden. Verbaast het u, dat zijn beste vriend een hondje werd?”

Het beestje sterft na een ziekbed in 1634, misschien wel door remonstrantse moordenaarshand, of door een wrokkig dienstmeisje dat De Bondt eens had bezwangerd. De doodsoorzaak kon niet goed worden vastgesteld, al verrichtte een Leidse hoogleraar sectie op het hondenlijkje.

Tyter krijgt een begrafenis als een kind van de elite. Met het vreemdste cortège dat Leiden ooit gekend heeft: kinderen, en honden die familie waren van Tyter, gehuld in rouwkleding, ’een lange sluyer over ’t hooft’, memoreert geschiedschrijver Geraert Brandt. „De kat die mede te groef was genoot, wilde niet volgen en nam de vlugt.”

Onder het luiden van de klok vertrouwde men Tyter toe aan de aarde. Wat De Bondt weer kwam te staan op een venijnig gedicht van Van den Vondel – die had net twee kinderen verloren en haalde zijn gram over deze ’dootgraaver van de honden’.

In het hoorspel verklaart de remonstrantse dominee Paschier de Fijne waarom de begrafenis van Tyter zoveel publiciteit heeft gekregen. Dat was de wraak op de man die ’remonstranten vervolgde als honden, en zijn eigen hond als een prins begroef’.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden