Kerstverhaal / Koude kerstmis 1709

Het bevroren gras kraakt onder mijn voeten, een koude oostenwind bijt in mijn wangen. De schapen zoeken beschutting bij het damhek en bij elkaar. Verstoord staan ze op als ik over het hek stap. Meestal bekijken ze mij wantrouwig vanaf een afstandje, maar de koude wint het nu van hun angst en ze blijven vlak in de buurt tot ik ze alle vijfendertig heb gezien en verder ga. Achter mij zoeken ze hun luwtje weer op.

Met de voerzak op mijn schouder loop ik naar het volgende koppel. Het weer maakt mijn rondje door de weilanden wel wat eenvoudiger omdat ik rechtdoor over de bevroren sloten kan gaan. De jonge schapen achterin het land staan te wachten. Ze laten er geen twijfel over bestaan dat ze niet zozeer op mij, maar meer op mijn vrachtje wachten. Ik kijk even hoe ze elkaar verdringen bij de voerbak en met een lege zak aanvaard ik de terugweg. Met de wind in de rug ziet het winterse landschap er uit als een tekening van Anton Pieck. De helderheid van de lucht maakt het uitzicht schier eindeloos. Een koppel ganzen vliegt in een volmaakte v-formatie langs de rood, oranje en blauw gekleurde hemel. Achter mij staat de zon als een grote gloedrode bol net boven de oostelijke horizon. Het rozerode licht schijnt op het kantwerk van kale takken in de windsingel dat daardoor een vreemde kleur krijgt. Ik zuig de koude vrieslucht diep in mijn longen, in een poging ze te zuiveren van de rokerigheid die ik in mijn huidige tijdelijke verblijfplaats gedwongen word te ademen.

Kerst is een periode van bezoek. Te gaan of te ontvangen, dat is de kerstvraag. Mijn moeder ontvangt. Ik kan me niet heugen dat wij of zij ooit elders kerst vierden, maar iedereen is altijd welkom, vooral met kerst. De kou drijft alle leden van onze grote familie rond het haardvuur waar word gelezen, gedronken en sterke verhalen worden verteld. Een of twee keer per dag gaat het hele spul naar buiten, wandelen of iets of iemand bezoeken. Na een uur of twee komt alles weer terug en schaart iedereen zich weer in ongeveer dezelfde formatie rond het vuur. Er zijn er slechts drie die roken, maar dat doen ze dan ook voor de hele familie. Allemaal tegelijk, of om de beurt, er zit altijd wel iemand te roken. Voor een fervent niet-roker als ik betekent dat elke dag schone kleren, vaker naar buiten als de rest maar liefst niet met hun mee, zodat ik in hun afwezigheid het huis kan luchten. En slapeloze nachten van de stank die uit mijn huid lijkt te komen. Maar ik logeer er ook maar en kan er dus niets van zeggen. Ik was blij geweest met de vraag van een vriendin of ik op haar boerderij wilde passen tijdens de kerstdagen. Zodoende ben ik in deze vroege ochtend naar de boerderij gereden en loop ik nu door het weiland terug naar het huis. In de schuur wachtten de geiten vol ongeduld op hun hooi.

Ik voorzie iedereen van ruim voldoende eten, verschoon het konijnenhok en raap de eieren voor ik de terugweg aanvaard. Ik rijd niet hard, door de vorst kan het wel glad zijn. Bovendien kan ik zo langer genieten van het prachtige zicht op de polder. De autoradio speelt kerstmuziek. Ik stop even in de berm waar een grote groep zwanen in het weiland zit. Het is mooi die grote witte vogels bij elkaar te zien. Zij hebben het vast ook koud, ondanks hun veren. De gure oostenwind heeft hier in de polder vrij spel. Ook in de auto koelt het snel af. Ik besluit maar weer verder te gaan en draai de contactsleutel om. Er gebeurt niets. Geen geluid, zelfs geen zuchtje komt vanonder de motorkap. Alsof er helemaal geen motor meer inzit! Ik draai de sleutel terug en denk na. Ik stap uit, open de motorkap en probeer me te herinneren wat daar allemaal te zien is. Alles ziet er normaal uit, geen losse draden of lekkende slangen. Berustend in mijn onkunde op dit gebied laat ik de motorkap weer dichtvallen. Ik ga weer in de auto zitten om na te denken. Ik ben op ruim een uur lopen van huis. Dit is een vrij drukke weg normaal, maar vast niet eerste kerstdag om half tien `s morgens. Ik stond hier al een goed kwartier en er had mij precies één auto gepasseerd. Als ik hier bleef wachten op hulp kon dat nog wel even duren. Nee, het is waarschijnlijk het slimst om toch naar huis te gaan lopen. Dan kom ik er tenminste. Dus zodoende trek ik mijn sjaal vaster om mijn hals, neem mijn tas mee en stap uit. Ik doe de auto rondom op slot en begin te lopen.

De oostenwind trekt aan mijn jas. Na een minuut of twintig kan ik niet meer echt van het landschap genieten. Ik heb geen gevoel meer in mijn voeten, maar des te meer pijn aan mijn oren. Mijn handen voelen koud, dik en stijf.

Na een uur blijkt dat mijn kleren niet zo warm zijn als ik vanmorgen had gedacht. En ik ben er nog lang niet. In de luwte van een bosje onderaan de dijk rust ik even. Ik zit ineengedoken op de grond met mijn rug tegen een hek. De dag was zo mooi begonnen, en hier zat ik dan, alleen in een koude lege wereld. Langzaam maakt een loom gevoel zich van mij meester. De kou lijkt langs me heen te glijden.

Ik voel me zo moe, even mijn ogen dicht, even maar. Zo moe....

zo koud...

heel even nog rusten....

Heel even...

De sneeuw hoopt zich op, het kost steeds meer moeite om mijn gevoelloze voeten te verplaatsen. Ik zie de man voor me struikelen en vallen. Ik loop om hem heen en sluit de rij weer. We kunnen niet wachten. Bovendien, er vallen zoveel jongens, ik heb er al zoveel zien gaan. Ik sleep mijn zware laarzen door de zich opstapelende sneeuw en volg de rugzak van de man voor me. Zo gaan we al maanden. Plots stoot mijn voet ergens tegen. Ik heb niet de kracht om mijn val te breken en stort voorover in de sneeuw. Even lig ik stil, mijn voeten op dat waar ik over struikelde, de voetstappen van mijn strijdmakkers gaan langs me heen. Niemand stopt om me te helpen. Ik moet opstaan, ik moet verder. Als ik niet overeind kom zal mijn leven hier eindigen. Moeizaam probeer ik mijn stijve benen onder mijn lichaam te trekken. Met mijn laars schraap ik door de sneeuw. Ik kijk waarover ik viel. Het is een jongen, jonger nog dan ik. Ik kijk naar zijn jonge gezicht, zijn muts vol sneeuw, zijn blauwe lippen, de starre opengesperde ogen. Er ligt een vreemde vreedzame uitdrukking over zijn gezicht.

Ik zie de laars pas als het hoofd met een ruk tegen mij aan slaat. De man wiens voet in de laars zit struikelt en ik zie zijn zwaar bepakte lichaam vallen. Met een doffe klap landt hij op mijn benen en lichaam. Zwaar ligt hij op me. Ik probeer hem van me af te duwen, maar de kracht ontbreekt me, hij is te zwaar. Ik por hem in zijn zij, trek aan zijn hoofd en dan zie ik zijn starre, koude ogen, zijn witte gezicht en zijn blauwe lippen. Ik probeer onder hem vandaan te komen maar ik voel mijn benen niet meer. Ik schreeuw in paniek tegen de mannen die ons passeren, maar niemand reageert, niemand helpt me.

We zijn allemaal moe en verzwakt door de kou en de honger.

Hier zal ik sterven, denk ik opeens, en vreemd genoeg maakt die gedachte me niet bang, maar rustig. Ik leg mijn hoofd neer in de sneeuw, kijk nog even in de dode ogen vlak voor me en sluit dan mijn ogen. Ik voel de laatste warmte uit mijn lichaam verdwijnen, sneeuw bedekt mijn gezicht. Het schuifelen van passerende voeten heeft een rustgevend, hypnotiserend ritme. Alles zal nu snel voorbij zijn: de eindeloze mars, de bittere strijd, de martelende terugtocht door Rusland in de winter. Zelfs die alles overheersende, alles verzengende kou lijkt nu iets van een andere wereld, lang geleden, als een verre herinnering.

Alles lijkt nu zo ver weg: de pijn, de kou,

de vermoeidheid,

de kou,

de honger,

de kou...

Ik schrik wakker van een schaap dat vlak achter me staat te hoesten.

Even dreig ik weer terug te zakken in de diepe troosteloze slaap, maar ik por mezelf naar de werkelijkheid. Lopen moet ik, wakker worden, bewegen, doorgaan als ik hier niet eeuwig wil blijven zitten. Moeizaam hijs ik me op de been. Ik stamp met mijn gevoelloze voeten, sla met mijn stijve koude armen en begin met stijve benen te lopen. De dijk op. In de verte zie ik het dorp liggen. Niet meer stoppen nu. Na nog een halfuur lopen kom ik thuis.

Het huis is leeg en stil.

Met enige moeite maak ik het vuur aan. Mijn vingers voelen nog steeds koud en stijf, ik kan haast geen lucifer vasthouden. Mijn voeten voel ik helemaal niet meer en ik heb het onwaarschijnlijk koud.

Maar het is vooral het beeld van dat blauw bevroren jongens gezicht dat mij steeds weer de rillingen geeft.

Drie kwartier later komt de hele meute terug.

- “Hee, luiwammes, ben je ook op?”

- “We hebben je nog niet gezien vanochtend, heb je zo lang geslapen?”

“Nee, ik moest toch de schapen voeren? Ik was om half negen al de deur uit”

- “Oh ja, dat is waar ook. Was het goed daar?”

- “Heb je koffie?”

“Ik had panne op de terugweg. Ik ben een heel stuk komen lopen.”

- “Nou, dan zal je wel koud geworden zijn.”

- “He, lekker dat vuur. Het is koud buiten joh”

- “Zal ik even koffie zetten?”

“Er is zoiets raars gebeurt toen ik hierheen kwam lopen”

- “Oh?”

- “Heb je al wat gegeten?”

Ik vertelde wat er gebeurt was, probeerde uit te leggen wat ik gezien had, hoe vreemd het was geweest. Beangstigend maar ook zo vredig en mooi.

- “Je moet zo maar even aan je broer vragen of hij met je mee gaat naar je auto kijken.”

- “Hier is verse koffie en brood”

- “Ga jij zo even mee, haar auto doet het niet meer”

- “Waar staat dat ding dan?”

- “Als jullie terug zijn, gaan we sjoelen”

- “Neem je mobieltje mee, dan kan je de garage bellen, als hij hem helemaal verposjket heeft.”

Het gras kraakt onder mijn voeten. De motor laat ik toch maar draaien. Even ben ik gestopt onderaan de dijk, vlak bij een bosje. Hier heb ik de dood gezien, maar het was nog niet mijn beurt. Ik steek een kaarsje aan in een jampotje en zet het op de bevroren grond.

Terwijl ik naar het dappere vlammetje kijk, zie ik weer even die starre ogen in dat blauwe gezicht, voel ik weer die intense kou en dat vreemde, vredige gevoel van het nadere einde. Het schaap hoest weer.

Ik stap in de geleende auto en trek op. Als ik op de dijk ben, sta ik nog even stil om het landschap te bekijken. De polder ligt er verlaten bij. Meestal is dit een drukke weg, maar niet tweede kerstdag om half elf.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden