Kerstkient

Altijd wanneer Kerstmis nadert, denk ik terug aan een geschiedenis die vijftien jaar of langer geleden gebeurd is. Ik huurde destijds een rijtjeshuis in een kleine stad in de provincie. Niet ver van me vandaan woonde een echtpaar dat zich had aangesloten bij de Jehova's Getuigen. De vrouw, die zwanger was, liet zich zelden zien. Maar de man ging van deur tot deur om Het Woord Gods te slijten. Afkomstig uit Duitsland als hij was, sprak hij Nederlands met ongeveer hetzelfde accent als prins Bernhard.

Hij deed slechte zaken. Omwonenden hoefden maar eenmaal naar hem te luisteren om voorgoed genoeg van hem te krijgen. Hij verkondigde dat de wereld op zijn eind liep en dat Jehova bij die gelegenheid genadeloos zou afrekenen met het uitschot dat de aarde bevolkte. Ook mij kwam hij waarschuwen. Of ik wist welk oordeel mij als heiden te wachten stond? Het zou me even slecht vergaan als de hoer van Babylon, die rijdt op het beest met zeven koppen en tien horens. Ik zou, ten aanschouwen van de hemelse engelen en het heilig Lam, met vuur en zwavel worden gepijnigd. Ik zou overdekt raken met zweren en gezwellen, ik zou bloed te drinken krijgen, ik zou mijn eigen tong opeten van ellende. ,,Het staat ja in de biebel!'', riep hij in gebroken Nederlands, terwijl hij opgewonden met een bijbel zwaaide.

,,En wanneer gaat dat precies gebeuren?'', vroeg ik verontrust, want ik zat juist gezellig aan de koffie. Hij bleef het antwoord schuldig. Volgend jaar? Over een maand? Over een halfuur? Gelukkig was het nog niet te laat. Ik hoefde alleen maar toe te treden tot de Jehova's Getuigen, en het gevaar was geweken.

Als ik me bekeerde, zou ik de zaligheid deelachtig worden. Ik zou mogen wonen in het nieuwe Jeruzalem: een gouden stad met muren van diamant. In een verblindend wit gewaad zou ik op een harp spelen en juichen voor Gods troon.

Hij keek mij afwachtend aan. Ik bedankte voor de eer. Het vooruitzicht mijn eigen tong te moeten opeten stemde me allesbehalve vrolijk, maar het idee van de gouden stad vond ik nog veel minder aanlokkelijk. Daar zou ik me immers, omringd door louter Jehova's Getuigen, vervelen tot in eeuwigheid. Ik geef er de voorkeur aan met mijn joodse vrienden te branden in de hel. Het is afzien, maar tussen het gekerm en gejammer door worden er tenminste goede moppen verteld.

Toen de man een week later opnieuw zijn ronde deed, vond hij alle deuren gesloten. Sommige omwonenden zochten schichtig dekking achter de geraniums. Anderen namen openlijk plaats voor het raam, om hem met een boze blik te verjagen. Toch bleef hij hardnekkig terugkomen, een boekentas vol bijbels en vrome brochures onder de arm geklemd: handelsreiziger in verlossing. De herfst ging voorbij. Het werd kerstmis. Op de ochtend van eerste kerstdag, toen de buurt nog in diepe rust was gedompeld, ging bij mij de bel. Schoorvoetend kwam ik uit bed. Ik opende het raam van mijn slaapkamer op de eerste verdieping en stak mijn hoofd naar buiten. Beneden op straat stond de Jehova's Getuige. Hij stak zijn hand op en riep geestdriftig: ,,Er ies ajn kient geboren!'' Ik knikte. ,,Ja, in Betlehem'', zei ik, terwijl ik het raam sloot. Slaperig zocht ik mijn bed weer op.

Pas dagen later hoorde ik dat hij op kerstochtend vader was geworden van een zoon. In zijn vreugde had hij de hele buurt willen uitnodigen om de pasgeborene te bewonderen en beschuit met muisjes te komen eten. Maar alle aangesprokenen hadden gereageerd zoals ik. Een enkeling had zelfs honend 'Halleluja!' geroepen. Met het schaamrood op de kaken gingen wij alsnog op kraamvisite. We werden zonder wrok ontvangen. Bedremmeld legden we onze geschenken bij het kerstkient neer. Het liep tegen het nieuwe jaar.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden