Kerkmuziek / Gewoon maar scheppen omdat er nog niets was

De 80-jarige kerkmusicus Willem Vogel neemt zondag met een muziekmiddag afscheid van zijn laatste openbare functie: organist van de Oude Kerk in Amsterdam. Afscheid van de 'aartscantor' van protestants Nederland na een zeer actieve loopbaan als componist en uitvoerend musicus.

Voor doorsnee muziekliefhebbers roepen de naam Willem Vogel en zijn muziek geen bekende klanken op, maar voor het protestantse kerkmilieu is Vogel de belichaming van een type muziek dat in de ruim 450-jarige geschiedenis van het Nederlandse protestantisme volstrekt nieuw was toen hij het introduceerde. Dat was een halve eeuw geleden, toen Vogel begon mee te werken aan de eerste consequent in- en doorgevoerde vernieuwing van de protestantse kerkdienst.

De Maranathakerk in een Amsterdamse nieuwbouwwijk. Onder aanvoering van dichter en theoloog Willem Barnard en zijn companen Tim Overbosch en musicus Frits Mehrtens werden daar diensten gehouden - Nocturnen - op dinsdagavond.

Oeroude christelijke begrippen als liturgie, kerkelijk jaar, keervers, ordinarium en proprium, vertrouwde woorden in rooms-katholieke oren, keerden terug in de Reformatie en kregen spelenderwijs vorm. Voor de rol en betekenis van muziek in de dienst kwamen nieuwe, ruimere mogelijkheden.

Orgelspel en samenzang en soms een koor met stemmige muziek, dat was het in de protestantse kerk. Maar in de Maranathakerk deed een vaste zanggroep of 'cantorij' zijn intrede, met een cantor als leider bij de Nederlandstalige, meerstemmige muziekstukken: kunstig geschreven muziek, niet voor de vaag-religieuze omlijsting van een preek, zoals zo vaak, maar als onderdeel van de verkondiging en in verschillende dramaturgisch-liturgische vormen.

Er was in die tijd niets, legde Vogel later wel eens uit. En daarom toog hijzelf aan het werk. Hiermee maakte hij geschiedenis, al was hij daar niet op uit en hij was het zich niet bewust.

Het kwam tamelijk monumentaal aan het licht toen hij cantor-organist werd van de Oude Kerk, op de Amsterdamse Wallen, ooit de vaste werkplek van grootheden als J.P. Sweelinck en C.F. Hurlebusch.

De inspirerende ruimte van de Oude Kerk nodigt als het ware uit tot brede muzikale gebaren, tot een liturgische klimaat van formaat, tot het besef dat de zondagse verkondiging is te versterken door een kerntekst uit het evangelie nogmaals aan de orde te stellen, maar dan op meerstemmige koormuziek. Resultaat: een bundel evangeliemotetten voor cantorij of gemengd koor voor alle zon- en feestdagen van het kerkelijk jaar.

De luthers-protestantse traditie in Duitsland kende het muziekgenre 'evangeliemotet' al sinds de zestiende, zeventiende eeuw als gepast en werkzaam liturgisch-muzikaal middel. In Nederland duurde het tot in de jaren tachtig van de afgelopen eeuw een musicus het hier introduceerde: Willem Vogel.

'Nieuw' en 'vernieuwing': het waren kernwoorden in naoorlogs Nederland, ook in de meer kunstgevoelige en verlichte sectoren van de hervormde kerk; daar wilde men wel af van de woordenbrijcultuur die zondag aan zondag in de meeste Nederlandse kerkgebouwen gepraktiseerd werd. Esthetisch of compositie-technisch is Vogel vrijwel nooit meegegaan met modieuze experimenteren in nieuwe muziek.

Dat was in West-Europa decennia lang wel de norm: of muziekstukken uiteindelijk voor de kerk bedoeld waren, voor liturgische functies ofwel voor de concertzaal - daar kan in principe alles - maakte niet uit.

Ook al heeft Vogel af en toe wel degelijk complexe muziek geschreven, zelfs met internationale uitstraling, toch is eenvoud zijn handelmerk, een verraderlijke eenvoud. Dit geldt vooral voor zijn inmiddels populaire koormuziek, zijn evangeliemotetten.

Het is altijd Vogels ambitie geweest om geen 'flauwekulmuziek' te schrijven, zoals hij eens zei. Welbewust van zijn mogelijkheden, om als vak-componist naar believen alles 'uit de kast' te halen, heeft hij gekozen voor het maken van muziek die begrijpelijk is voor de toehoorders en haalbaar voor de uitvoerenden, doorgaans amateurs.

Van de vertrouwde kerktoonsoorten van vooral het Geneefse psalter, de muziek van Duitse grootheden uit de zeventiende eeuw als Heinrich Schütz, de kwarttoonsafstanden van de twintigste eeuw maakte hij tot een direct herkenbare en aantrekkelijke muzikale mix. Het zijn de ingrediënten van een type muziek die soms verrassende maar altijd op persoonlijke wijze keer op keer het evangelie naar zeer diepe gevoelslagen van een toehoorder leidt. En dat is knap, heel knap.

Heeft Willem Vogel door zijn kunst in Nederland echt school gemaakt? Is hij een soort oervader geworden van nieuwe generaties kunstzinnige kerkmuziekmakers? Het valt helaas te betwijfelen. Maar dit heeft meer te maken met de economische omstandigheden binnen de protestantse kerken. Die zijn niet gunstig voor het aantrekken (en vasthouden!) van scheppende muziekkrachten zoals Vogel.

De 'school' die Vogel wél heeft gesticht is te vinden in de Oude Kerk. Daar is nog altijd de Sweelinckcantorij, die hij kort na zijn aantreden als cantor-organist oprichtte en die nu onder leiding staat van zijn opvolger cantor Christiaan Winter. En al mag Willem Vogel dan officieel van de Bühne zijn verdwenen, componeren kan hij nog altijd. Met een man als dichter-theoloog Sytze de Vries, predikant van de Oude Kerk, kan dat ook moeilijk anders.

In precies dezelfde periode als Willem Vogel werd zijn collega Bernard Huijbers de vernieuwer van de kerkmuziek op het rooms-katholieke erf. Ook Huijbers is onlangs tachtig jaar geworden. Ook voor hem is deze maand trouwens een feestelijke zangmiddag belegd in Amsterdam. Binnen de Grachtengordel werd in de jaren zestig, zeventig zowaar op twee plaatsen tegelijk kerkmuziekgeschiedenis geschreven.

Maar wat een verschillen tussen beider composities. Vogels muziek is doordesemd van de authentieke ernst en ingetogenheid van het calvinistisch protestantisme, bij Huijbers muziek daarentegen is het meestal een-en-al zwier en zwaai. Maar dat komt ervan van als je bent opgegroeid in de vrijzwevende melodiek van het gregoriaans en in prachtige kerkruimten.

Anders dan Vogel heeft Huijbers inmiddels zijn spirituele heil buiten het christelijke geloof gezocht en gevonden. Gevolg: aan de enorme stroom composities van zijn hand op vooral liturgische teksten van Huub Oosterhuis kwam begin jaren tachtig abrupt een einde. Willem Vogel daarentegen, bij wie naar eigen zeggen kerk en geloof 'gewoon zijn ingebakken', bleef in de Oude Kerk zijn gang gaan, met vrijwel iedere week wéér een nieuw kerkmuziekstuk.

Toen de rooms-katholieke volksschrijver Anton van Duinkerken eens gevraagd werd wat hij de zegeningen vond die het protestantisme ons land gebracht heeft, antwoordde hij: ,,Ernst, ruggengraat en Truitje Bosboom-Toussaint.'' Een bruikbare actualisering: ernst, ruggengraat en Willem Vogel.

Afscheid Willem Vogel: Zang- en muziekmiddag, Oude Kerk, Amsterdam, 8 september 15-17u; met ,,de sterkste stukken uit zestig scheppingsjaren''.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden