kerkdrama Kenia / Pastor Mburu smeekte om hun levens te sparen

Toen jongemannen op Nieuwjaarsdag in het Keniaanse dorp Kiambaa een kerk vol vluchtelingen in brand staken, was de schok tot in Nederland te voelen. Een reportage vanaf deze plek des doods.

Tussen de vijfenveertig en de vijftig mensen – het voorlopige en officiële cijfer van de politie – stierven in het kerkdrama dat zich in West-Kenia voltrok op Nieuwjaarsdag. Een van de overlevenden is Veronica Wanjiru (20). Uit de doek die ze strak om haar rug heeft gebonden steekt het hoofdje van een zuigeling. Veronica en haar baby kwamen er zonder zichtbare kleerscheuren vanaf maar haar oudste kind, een jongen, heeft bovenop zijn schedel een grote brandwond.

„We hadden de nacht doorgebracht in de kerk, net als de dagen ervoor”, vertelt de jonge moeder. „Door de dreiging waren we onze huizen ontvlucht en we dachten in de kerk een veilige haven te hebben gevonden. ’s Ochtends kwamen ze, sloten de kerkdeuren en staken alles in brand. Mensen begonnen te schreeuwen. Daarna werden de deuren opengebroken.”

Veronica behoorde niet eens tot de eersten die het gebouw ontvluchtten. Nu, staand voor haar witte tentje in het opvangkamp in Eldoret, dat aan zo’n negenduizend ontheemden onderdak biedt, is ze God dankbaar dat ze nog leeft. Waar diezelfde God was toen de vlammen bezit namen van het kerkje, toen tientallen mensen omkwamen in de levende bakoven, dat is ook voor haar heel moeilijk te begrijpen.

Waarom moesten zij sterven? Wat brengt een mens tot het plegen van zo’n gewetenloze daad? „De mensen zijn bitter over het verloop van de verkiezingen”, zegt John arap Melley in zijn pick-up truck. „Het is allemaal de schuld van de man die zich nu onze president noemt. Hij stal de overwinning.” De chauffeur, die lid is van het Kalenjinvolk, spreekt rationeel over de brand. In zijn redenering schuilt een simpele ratio. President Kibaki, zelf behorend tot de Kikuyu, heeft de kiezers bedrogen. De mensen die op hem stemden, hebben deze bedrieger gesteund en dus zijn zij degenen die moeten boeten.

De werkelijkheid laat zich niet helemaal vatten in zulke simpele schema’s, toch is het in het dagelijks leven ineens weer uiterst relevant tot welk volk iemand behoort. Het is een kwestie van leven en dood geworden. Etnische afkomst bepaalt ook welke versie van het verhaal men te horen krijgt. Mensen van het Kikuyu volk, die veelal op Kibaki stemden, kennen hun eigen toedracht, net als de Kalenjins en de Luo’s. Volgens de Kikuyu’s zijn de geweldplegers opgehitst door hun leiders.

Zowel onder de Kalenjins als de Kikuyu’s zijn slachtoffers gevallen. Maar prangend is dat de vluchtelingenkampen voor bijna honderd procent zijn gevuld met Kikuyu-families. Busladingen met Kikuyu’s vertrokken inmiddels uit de regio. Delen van het platteland zijn ontvolkt, de mensen gevlucht. De geschiedenis zal moeten bepalen of hier werkelijk sprake is geweest van een etnische zuivering, maar de situatie rond Kiambaa wekt in elk geval die indruk.

Aan de rand van de hoofdweg van Eldoret naar Nairobi is een woonstede met vijf huisjes volledig uitgebrand. Golfplaten daken hangen scheef over de zwartgeblakerde draagmuren. Uit de ramen van een van de woninkjes blaast zachtjes rookwalm. De ravage op de vloer bestaat uit een groot houtskoolvuur, ook het dak smeult nog na. Dieper het land in zijn het verlaten, vernielde en verbrande huizen die het beeld bepalen. Op boerenerfjes staan zakken met rottende maïskolven.

En daar, midden tussen verschroeide akkers, rusten de verkoolde resten van de Pinkstergemeentekerk. Dit is Kiambaa, even buiten de provincieplaats Eldoret. Op de plek, met een oppervlakte van nog geen zestig, zeventig vierkante meter, vormen golfplaten, een half verbrand kerkbankje, geëmailleerde kopjes, een naaimachine, schoenen en een rolstoel de overgebleven getuigen van de massamoord.

Rond een van de door brand verwoeste huizen, op steenworp afstand van de kerk, zijn plunderaars bezig. Als aasgieren rond een karkas kijken ze wat er nog te pikken valt. Lange kapmessen dragen ze. „Het is goed dat de Kikuyu’s zijn verdwenen”, zegt Hilary Kipkoge (19), die zelf een Kalenjin is. „Zij waren blij dat Kibaki won, wij waren bitter. Daarom hebben we ze weggejaagd.” Ook deze jongen bedient zich van de kille logica die nu onder zovelen opgeld doet. Een jongen, die waarschijnlijk zelf niet goed begrijpt wat hij zegt.

Na enig aarzelen geeft hij toe dat hij deel uitmaakte van de bende die op Nieuwsjaardag de kerk vol Kikuyuvluchtelingen in lichterlaaie zette. „We wilden alleen de actieve mannen doden. Als we wisten dat er zoveel vrouwen en kinderen zaten hadden we het niet gedaan.”

En de actieve mannen hébben ze gedood. „Acht op het terrein rond de kerk en een onbekend aantal ouderen die binnen stierven, in het vuur.” Aan het woord is pastor Stephen Mburu, die zijn kerkgebouw in vlammen zag opgaan.

Na de brand trokken velen een vergelijking met de genocide in Rwanda in 1994. Dat die parallel om meerdere redenen – onder meer door de schaal van de misdaden – niet opgaat, is al geschreven. Eén verschil is onderbelicht gebleven. Waar Rwandese priesters hun parochianen feitelijk uitleverden aan de slachters, probeerde pastor Mburu mensenlevens te redden.

De pastor - een Kikuyu - doet langzaam zijn relaas, vanuit zijn schuiladres in Eldoret. Vertelt hoe de aanvallers met honderden tegelijk kwamen, matrassen rond de kerk plaatsten, ze overgoten met brandstof om ze ten slotte aan te steken. Hoe vrouwen door een smalle zijdeur konden ontsnappen om daarna zonder uitzondering te worden geslagen en beroofd. En hoe hij kinderen vanuit de kerk hoorde roepen. „Een paar kinderen kon ik door een raam naar buiten trekken, maar niet allemaal.”

Toen de hitte ondraaglijk werd, rende de pastor naar zijn belagers en knielde in een laatste wanhoopspoging voor hen neer. Met een stok kreeg hij harde klappen op zijn gezicht en verloor tanden – spreken gaat nog steeds wat ongemakkelijk. Toen een scherp voorwerp op zijn hoofd neerdaalde, viel hij bewusteloos neer.

„De wonden die de gebeurtenissen hebben geslagen zijn heel diep”, zegt Mburu. „Geweld na verkiezingen hebben we eerder meegemaakt, maar zoiets als dit zagen we nog nooit.”

Nog altijd is de haat niet uitgedoofd. Kerken in Eldoret ontvangen bedreigingen omdat ze onderdak bieden aan gevluchte Kikuyu’s, zegt een betrokkene. In de Riftvallei blijft het onrustig. Ook pastor Mburu loopt nog steeds gevaar. Vanuit zijn schuiladres stuurt hij sms-berichten naar zijn gemeenteleden om hen een hart onder de riem te steken.

„De aanvallers vrezen God niet”, zegt een collega pastor, „niets is meer heilig hier.” Of samenleven in deze omstandigheden nog mogelijk is weten de predikanten niet: „Daarvoor bidden wij”.

In het grote Moi-ziekenhuis in Eldoret liggen in zaal nummer twaalf overlevenden van de kerkbrand bij te komen van hun verwondingen. Allen vrouwen en kinderen, allen Kikuyu’s. Peuters met hun hoofd in het verband zitten op de bedrand en houden hun ingezalfde handen en armen roerloos in de lucht. Elke beweging doet pijn.

Er ligt een vrouw die drie dagen voor de brand beviel van een dochter die in tegenstelling tot haar moeder volkomen ongedeerd uit het drama tevoorschijn kwam. Een andere vrouw zal nog maanden nodig hebben om te herstellen. Maar naast haar ligt een oneindig grote troost: een gezonde baby van wie ze twee dagen geleden beviel. Het is een gewoonte bij diverse volken in Kenia om je kind een naam te geven die verwijst naar de omstandigheden ten tijde van de bevalling. „De moeder moet een speciale naam voor het kind bedenken”, zegt de behandelend arts, „die weergeeft dat ze is geboren in moeilijke tijden.” Omdat veel patiënten nog getraumatiseerd zijn, wil de arts niet dat de p atiënten allerlei vragen worden gesteld.

Nog geen vijftig meter verderop, voorbij het volle mortuarium, zijn meer zalen met slachtoffers van het etnisch getinte geweld. Hier liggen uitsluitend Kalenjins. Sommigen hebben snijwonden van kapmessen op hun hoofd, en schotwonden. „De media vroegen vrijwel niet naar deze mensen”, zegt ziekenhuiswoordvoerder Tony arap Kirwa. „Dat paste niet in het verhaal.”

Het politieonderzoek naar de brand in de kerk loopt nog. Er is nog geen enkele verdachte opgepakt.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden