’Kerk moet zich richten op religieuze vragen in het gezin’

(Trouw) Beeld
(Trouw)

Theologe Toke Elshof nam drie generaties katholieken onder de loep. Voor de grootouders was God groter dan de kerk. De religieuze beleving van hun kleinkinderen speelt zich vooral af in eigen, persoonlijke kring. „Godsdienstigheid zonder kerk houdt het maar een generatie uit. Dan verdwijnt het.”

Je zou medelijden met ze krijgen, met katholieken van midden veertig. Als ze al naar de kerk gaan, dan is die kerk een last voor ze. Een ’klussenkerk’, in de termen van Toke Elshof, die drie generaties katholieken in Nederland heeft onderzocht. Ze sprak met tien katholieke grootouders, met hun kinderen van midden veertig en met de kleinkinderen van rond de twintig.

Waar de grootouders nog geloven in een God die altijd groter is dan de kerk en die de kerk overstijgt, menen katholieke veertigers dat het voortbestaan van de kerk voornamelijk van hun inspanning afhangt. „Het idee van de grootouders dat God zelf iets zou doen, is ver weg geraakt. De kerk is een klussenkerk. Vrijwilligerswerk is iets wat belastend is, maar wat gedaan moet worden omdat anders de kerk zou verdwijnen, zo menen ze.”

Praten over het geloof, dat deden die grootouders niet. „Katholiek zijn was iets van rituelen en van hart en handen.” Funest voor het voortbestaan, dat gebrek aan verwoording, concludeert Toke Elshof, verbonden aan de Faculteit Katholieke Theologie van de Universiteit van Tilburg en de Universiteit Utrecht.

Zonder taal voor het geloof verdwijnt het, in deze tijd waarin over alles vooral heel erg veel gepraat moet worden. En praten over het geloof, dat willen de actief katholieke veertigers van nu wel, maar precies dat hebben ze van huis uit niet zo meegekregen.

Er waren bij hen thuis wel veel rituelen en symbolen. In elke kamer hing een kruisbeeld, het brood werd gezegend, de rozenkrans werd gebeden, en bij onweer kreeg iedereen een kruisteken met water uit het wijwaterbakje op de schoorsteenmantel, maar vertellen wat dat betekent voor het eigen geloofsbeleving, dat deden hun ouders niet en dat doen ze zelf ook niet.

Elke generatie bouwt voort op de katholieke religiositeit zoals die thuis is doorgegeven, blijkt uit Elshofs studie. Wie dus gelooft dat religiositeit iets is wat individueel bij elkaar gesprokkeld wordt, komt bij Elshof bedrogen uit.

Altijd klinkt er iets door van de familietraditie. Dat geluid klinkt zelfs sterker naarmate de banden met de kerk losser worden. Het maakt dus uit of een familie al dan niet naar de kerk gaat. „Je ziet ook de feminisering van het geloof: het wordt vooral door de moeders doorgegeven.”

Ook de jongste katholieke generatie is religieus, constateert Elshof, en ook kun je ze katholiek blijven noemen. „Elke generatie is op zoek naar een werkelijkheid die uitstijgt boven het eigen bestaan. In die zoektocht tekenen zich echter twee wegen af: een ongodsdienstig katholicisme en een godsdienstig katholicisme.”

Als de ouders naar de kerk zijn blijven gaan, zijn hun kinderen nog wel godsdienstig, anders niet, constateert Toke Elshof. „Godsdienstigheid zonder kerk houdt het maar een generatie uit. Dan verdwijnt het.” Katholieke religiositeit die niet is ingebed in het geloof en leven van de kerk krijgt volgens Elshof postchristelijke, ongodsdienstige trekken.

Van die ongodsdienstige religiositeit wordt Elshof niet vrolijk. Deze jongeren zijn wel religieus, maar het is een religiositeit waarbij ze toch totaal op zichzelf zijn aangewezen en waarbij het besef van verbondenheid met anderen veelal ontbreekt . „Het is de generatie van de zelfredzaamheid. Ze weten maar al te goed wat er mis kan gaan in het leven en weten ook dat veel afhangt van hun eigen vermogen om zichzelf te redden. Ze zitten niet te wachten op een kerk die nietszeggende vriendelijkheid verkondigt, of die een roze sinterklaasgod toont, tandeloos. Deze jongeren bidden wel, maar niet tot God. Eerder tot overleden familieleden of geesten.

Op televisie kijken ze naar channeling-programma’s zoals van Char, waarbij het gaat om contact met overleden ouders en voorouders, en waarin het vooral alleen om de eigen familie gaat. Dat wat de werkelijkheid overstijgt, wordt alleen op het eigen leven en op het familieleven betrokken. Zo krijgt de eigen familie, de eigen kring, sacrale trekken. Maatschappelijke problemen of wereldwijde nood komen in die programma’s niet aan de orde. Zo kan het voor katholieke jongeren een enorme ontdekking zijn dat inzet voor anderen ook wel eens iets te maken kan hebben met je geloof.”

Elshof trekt dit door naar de blik op de wereld die bij dat ongodsdienstige katholicisme past. „Daar hoort een hang bij naar een samenleving die uitsluitend op westerse waarden wordt gefundeerd, die dan christelijk of katholiek heten. Daar hoeft niet iets fout mee te zijn. Maar het gaat wel mis als deze waarden gebruikt gaan worden als wapen tegen anderen, tegen buitenstaanders. In dit ongodsdienstige katholicisme is de ander die anders is, de vreemde, geen naaste meer die je met openheid tegemoet treedt, maar eerder een vijand tegen wie je je moet beschermen.”

Wat hieraan te doen is? Elshof reikt iets heel simpels aan: de belangrijkste vindplaats van godsdienstigheid is het gezin. „Het is een kerk in het klein.” Verder komt godsdienstigheid tot uitdrukking in vrijwilligerswerk voor de maatschappij of de kerk. Ook de kerk leert dat inzet voor anderen, voor de wereld en voor de kerk hoort bij het leven van de gelovige christen.

De kerk zou aandacht moeten hebben voor de religieuze vragen die voortkomen uit het huiselijke leven, zoals bij het opvoeden, adviseert Elshof. Jongeren verwachten ook dat de kerk zich uitspreekt over de zwaarte en de onvolkomenheden van het leven. De kerk kan het geloof zoals dat in gezinnen wordt beleefd, voeden en verdiepen. Dat is de belangrijkste voorwaarde om komende generaties godsdienstige katholieken te houden. De inzet van ouders en jongeren voor de voortgang van het kerkelijke leven is ook van belang, maar pas in tweede instantie.

Om te voorkomen dat de kerk voor betrokken katholieken te veel als een klussenkerk gezien wordt, zou de kerk moeten zorgen dat vrijwilligers zelf ook rijker worden door hun inzet en gevoed in hun geloof, adviseert ze. De bron van vernieuwing van de katholieke traditie ligt in het huiselijk leven.

Toke Elshof in haar huis in Dalfsen. ¿Deze jongeren bidden wel, maar niet tot God.¿ (FOTO JÿRGEN CARIS, TROUW) Beeld
Toke Elshof in haar huis in Dalfsen. ¿Deze jongeren bidden wel, maar niet tot God.¿ (FOTO JÿRGEN CARIS, TROUW)
Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden