Kerk en kapitaal krijgen er weer van langs

José Saramago in zijn werkkamer op het Canarisch eiland Lanzarote. (FOTO EPA)

Nobelprijswinnaar Saramago is in Portugal een halve heilige. Toegegeven, zijn laatste boek is de moeite. Maar het is toch niet zo beweeglijk, baldadig, illusieloos én mild als dat van zijn landgenoot António Lobo Antunes.

Kort na elkaar zijn er vertalingen verschenen van een roman van José Saramago en van een roman van António Lobo Antunes. Een goede gelegenheid om de twee belangrijkste Portugese auteurs van dit moment eens met elkaar te vergelijken: de één won in 1998 de Nobelprijs voor literatuur, de ander is er al jaren vaste kandidaat voor.

Saramago is, dankzij zijn bekroning, de bekendste van de twee. Zesentachtig jaar oud is hij nu – en hij weet van geen ophouden. Enkele weken geleden publiceerde hij nog ’O caderno’ (’Het schrift’), een boekje met zijn verzamelde blogs van de afgelopen winter. Want in Portugal vindt men dat elke letter die Saramago schrijft voor het nageslacht moet worden bewaard.

Daar ben ik het niet helemaal mee eens, maar deze nieuwe roman, ’De tocht van de olifant’, is wel degelijk de moeite waard. Het is een echte Saramago: sociaal bewogen, vol historisch besef, met veel plezier verteld. De (rooms-katholieke) kerk en het kapitaal, en ook de ploertigheid der hooggeplaatsten, krijgen er bij deze onwankelbare communist als vanouds van langs. En: de schrijver heeft ook ditmaal weer een mooi verhaal te vertellen.

De inspiratie kreeg hij in een café in Salzburg, waar zijn oog viel op een reeks houten beeldjes van gebouwen, waaronder één van de Belém-toren in Lissabon. De beeldjes waren, zo werd hem verteld, een aandenken aan de reis die in 1551 werd gemaakt door een olifant die door de koning van Portugal aan het hof in Wenen was geschonken.

Een prachtig gegeven, dat door Saramago werd uitgewerkt tot een korte, onderhoudende reisbeschrijving in romanvorm. De vele wederwaardigheden en ontberingen worden in mooie taal geschilderd: „De sneeuw leek nagels te hebben”, staat er ergens.

Het feit dat de schrijver zijn lezers er voortdurend aan herinnert dat zij nu, in de 21ste eeuw, een roman lezen over de zestiende, toen allerlei voorwerpen, organisaties en gedragingen waar wij nu vertrouwd mee zijn nog niet bestonden, stoort daarbij niet, al zal niet iedereen deze interrupties van het verhaal even leuk vinden als de schrijver zelf.

Daar staat tegenover dat weinigen de honger van een olifant met zoveel inlevingsvermogen kunnen beschrijven als Saramago: „In de reusachtig grot van zijn maag galmden de protesten dat het meer dan tijd was om te eten.”

En onweerstaanbaar geestig is de beschrijving van de wijze waarop een Italiaanse priester de passage van de olifant aangrijpt om op het plein voor zijn kerk een wonder te organiseren.

In zijn romans gaat Saramago meestal uit van een gedachtenexperiment: wat zou er gebeuren indien het Iberische schiereiland wegdreef van Europa, of als ineens iedereen blind werd, of wanneer de dood niet langer bestond? Het basisidee wordt veelal briljant en geestig uitgewerkt, tot in de verste consequenties, maar Saramago's boeken hebben, doordat zij doorgaans op één idee zijn gebaseerd, vaak iets massiefs.

De boeken van zijn tegenhanger, António Lobo Antunes, zijn beweeglijker, losser, baldadiger, maar zij reiken zeker niet minder diep. Weinigen beschrijven met een zo scherpe blik, maar ook zo illusieloos, en toch ook weer mild, de tegenstrijdigheden in het menselijk gedrag.

Dat wordt nog eens bevestigd door de dezer dagen bij ons verschenen roman ’Dans der verdoemden’, waarvan de Portugese uitgave overigens al van bijna een kwarteeuw geleden dateert.

Het boek beschrijft de lotgevallen van de leden van een rijke bourgeoisfamilie, die zich, anderhalf jaar na de Anjerrevolutie, onthand voelt in een maatschappij waar de geschreven en – verwarrender – de ongeschreven regels diepgaand zijn veranderd.

De familieleden treffen elkaar aan het sterfbed van de patriarch, op het platteland bij Monsaraz, aan de Spaanse grens. In een reeks innerlijke monologen leren we de verschillende personages kennen: een rijke, verwende tandarts, een aan de heroïne verslaafde bohémien, Ana, die in Brazilië leeft met een zweminstructeur die haar zoon had kunnen zijn, een oom die de dekhengst van de familie is.

Vrijwel allen hebben ze hun ontluisterende geheimen, en zijn ze op een andere manier mislukt. En van de erfenis, waar het bijna iedereen vooral om ging, is haast niets over, zo blijkt tijdens de mooie climax aan het slot van het boek.

Lobo Antunes gebruikt rake, altijd originele beelden –- daarin wint hij het nog van Saramago, die op dat gebied toch waarlijk geen kleine jongen is. Ook wie een uitstekend gehoor heeft, begrijpt wat het betekent om hardhorend te zijn na het lezen van een zin als deze: „Waarschijnlijk waren haar oren een soort aquarium waarin af en toe vage vissen van geluiden zwommen.”

En dat is dan nog maar één schitterende zin uit een boek dat er vol mee staat.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden