Kenniseconomie is een elitair idee

Kenniseconomie is vaak het troetelkind van de hogeropgeleiden. Ze beschouwen het als 'ons soort economie'. Dat is misplaatst. Landen met een groot arbeidspotentieel hebben veel betere papieren voor een kenniseconomie.

Nederland richt zich op de kenniseconomie. Immers, zo horen we, productiekosten (vooral: loonkosten) zijn te hoog in vergelijking met de landen in Oost-Europa en de opkomende markten in Azië. India, China en Polen roepen geen associaties meer op met exotische vakantiebestemmingen, maar zijn geduchte concurrenten die goed scoren op alles waar het ons land aan onbreekt.

Binnen één jaar tijd richten werkgroepen en fora zich op het invullen van de vaderlandse kenniseconomie. De kranten staan vol artikelen over ondernemende universiteiten, de noodzaak van meer bètastudenten, marktwerking voor de kennisinstellingen en de vraag wat het speerpunt van de kenniseconomie moet worden.

Helaas getuigt het begrip kenniseconomie van een zekere, misplaatste vooringenomenheid. Het pretendeert dat wij in Nederland beter opgeleid zijn en mischien wel slimmer zijn dan de mensen in de landen waar het werk naar toe gaat. Als je je op kennis richt ga je ervan uit dat je daarmee een structureel voordeel hebt ten opzichte van je tegenstanders.

Dat is zeer twijfelachtig. Het onderwijsniveauvan Oost-Europese landen is altijd zeer hoog geweest en dat geldt nu ook voor veel Aziatische landen. Die hebben met hun enorme arbeidspotentieel en thuismarkt veel betere papieren voor de kenniseconomie.

Willen we de kenniseconomie tot een succes maken, dan moet de productie hier ook blijven. De kenniseconomie hoort in dienst te staan van de maakeconomie. Waar de handjes verde grens overgaan, zullen de hersentjes volgen. Want 'wat het hoofd bedenkt, moeten de handen maken'.

Als de productiefaciliteiten in Azië liggen, volgt de productontwikkeling snel. De relatie tussen innovatie en productie wordt al in de testfase duidelijk. De proeven en de testproductie van alle nieuwe technologieën moeten toch in de fabriek of testfaciliteit gebeuren. Daar vervolmaken de witte boorden samen met de blauwe boorden de producten, waarbij de blauwe boorden vaak praktijken ervaringskennis inbrengen die wezenlijk is voor het slagen van product of productieproces. Veel vernieuwingen en uitvindingen komen van de werkvloer.

We moeten ons realiseren dat het grootste deel van ons arbeidspotentieel bestaat uit lager opgeleiden die met de handen moeten werken. De recente arbeidsimmigratie heeft dat eerder versterkt dan weggewerkt. Gezien de hoge uitval uit de lagere opleidingen (met name allochtonen) moet ons land dus ook vanuit sociaal opzicht productiebedrijven behouden.

De kenniseconomie van nu is te elitair. Het is een beetje 'ons soort economie'.De hogeropgeleiden hebben verzonnen dat (hun) kennis de motor van de Nederlandse economie is. Niet voor niets kwam het concept uit de koker van het hoogopgeleide D66. Niet voor niets zijn de artikelen hierover vaak ondertekend door de hoogwaardighedsbekleders uit de vaderlandse kennisinfrastructuur. De hoogopgeleiden bedenken dat de kenniseconomie heel goed is voor Nederland en dat kennis daarbij allesbepalend is.

Maar de kenniseconomie is niet meer dan een variant op de economie van de jaren negentig die aangaf dat ons land te duur was en zich vooral op diensten moest richten. Het lager geapprecieerde werk kon wel naar het buitenland, niet zelden als een soort fooi voor de ontwikkeling aldaar. Bijkomend voordeel was ook dat de milieudruk in ons land wat zou afnemen.

Het wordt tijd dat we het begrip kenniseconomie gaan bijstellen en ontdoen van het wat misplaatste superioriteitsjasje dat 'ons soort mensen' aan deze vorm van 'ons soort economie' heeft gegeven. Het is niet alleen misplaatst tegenover het buitenland, maar ook tegenover de wijze waarop innovaties totstandkomen. Er is geen sprake van éénrichtingsverkeer waarbij kennis via nieuwe producten leidt tot werkgelegenheid en economische groei. Kennis is wezenlijk, maar het omgekeerde geldt in heviger mate: de aanwezigheid van productie vraagt om kennis om de concurrrentie voor te blijven en genereert kennis. Soms zelfs zonder tussenkomst van de kennisinstellingen. Om het simpel te zeggen, eerst waren er de boeren en toen de Landbouwuniversiteit, en niet omgekeerd. Samen hebben zij de agrarische sector in ons land groot gemaakt. En zo zijn er meer voorbeelden. 'Kennis' & 'maken': deze tweeeenheid vormt in alle opzichten de basis voor 'onze economie'.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden