Keiharde kunstliefhebber

Het Mauritshuis in Den Haag pakt uit met pareltjes uit het Frick Museum in New York. De duistere voorgeschiedenis van grootindustrieel Henry Clay Frick (1849-1919) komt minder vaak in de schijnwerpers.

Life Magazine was zo enthousiast over The Frick Collection, dat in december 1937 een schilderij uit het pasgeopende museum in kleur op de cover kwam. De dromerige ogen van de 'Comtesse d'Haussonville', geschilderd door Ingres in 1845, konden nu door iedereen bekeken worden. 'Doodgewone burgers kunnen in de stilte van de luxe villa genieten van kunst met een waarde van 40 miljoen dollar. Qua reikwijdte en kwaliteit overtreft het de meeste oude Europes collecties', juichte het tijdschrift. Dat was niet overdreven, en nog steeds toont het New Yorkse museum een uitzonderlijke collectie.

Aan de rand van Central Park, op Manhattan, liet Frick zijn eigen museum bouwen en vulde hij het met Europese kunst. Na de dood van zijn vrouw in 1931 werden de collectie en het huis overgedragen aan de stad New York, voorzien van een grote spaarpot voor uitbreiding van de collectie en het gebouw.

In Pittsburgh, waar hij vandaan kwam, had Frick al een prachtige villa bewoond, verbouwd met een kasteel aan de Loire als voorbeeld. Daarna woonde de familie eerst aan de kust in Boston - in een 'eenvoudige' villa met 104 kamers - en huurde hij daarbij het voormalige huis van spoorwegmiljonair William Vanderbilt aan 5th avenue in New York. Dat gebouw was overdadig versierd met Grieks-aandoende decoraties, en werd ook wel de 'Thermopylae of bad taste' genoemd. Frick won deze 'veldslag van slechte smaak': in 1906 kocht hij een oude bibliotheek, iets verderop aan de avenue, om op die plaats het huis te laten bouwen dat later het museum zou worden. Zijn architect wist niets van die plannen, maar zorgde wel voor voldoende ruimte en sfeer voor de steeds verder uitdijende schilderijencollectie. In november 1914 was de bouw voltooid, maar lang heeft Frick er niet van kunnen genieten: hij overleed in 1919.

Frick en zijn generatiegenoten John D. Rockefeller, Andrew Mellon en J.P. Morgan worden in Amerika ook de hoofdrolspelers van de 'Gilded Age' genoemd. Net als in 'onze' Gouden Eeuw ging de Amerikaanse welvaart gepaard met een sterke interesse in kunst. Maar de term 'Vergulde eeuw' is minder lovend dan hij lijkt. Schrijver Mark Twain lanceerde hem in 1873, in zijn boek 'The Gilded Age: A Tale of Today' om de draak te steken met de overdreven rijkdom en bijbehorende corruptie en sociale misstanden, ontstaan met de industriële revolutie van na de Amerikaanse burgeroorlog.

Ook het levensverhaal van Frick - de belichaming van 'the American dream' - heeft een duistere kant. Frick werd geboren op het platteland van Pennsylvania, in een eenvoudig gezin. Hij maakte z'n middelbare school niet af, maar was erg handig met cijfers, en hij zag al snel toekomst in de cokes-handel. Hij kocht samen met een paar vrienden een aantal percelen in de omgeving, en door het handig te spelen was hij in 1880 was de enige eigenaar van de Frick Coke Company. Vanaf 1881 fuseerde het bedrijf met de staalhandel van Andrew Carnegie, die Frick op huwelijksreis had leren kennen.

Schandaal

Het werd een monsterbedrijf, met zo'n tachtig procent van de Amerikaanse steenkolenhandel in bezit, en daarnaast een groot aantal spoorwegmaatschappijen. De werknemers werden uitgebuit en vakbonden zoveel mogelijk onderdrukt, met name door Frick. In 1892 leidde dit tot een schandaal: werknemers uit het plaatsje Homestead weigerden een contract te ondertekenen waarin ze verklaarden geen lid te worden van de vakbond. Ze bezetten de fabriek, en Frick besloot hard te laten ingrijpen. Negen werknemers kwamen om en het leger moest ingrijpen om verdere escalatie te voorkomen.

Om de doden te wreken pleegde de anarchist Alexander Berkman een paar weken later een aanslag op Frick, in diens kantoor. Die wist zich te verweren: de kogels raakten geen vitale delen, en andere medewerkers konden Berkman overmeesteren. Als reactie op de aanslag ontsloeg Frick de werknemers uit Homestead, en halveerde hij de lonen. En Frick zelf trok weg van zijn geboortegrond, als miljonair.

Al jong was Frick in kunst geïnteresseerd geweest. In 1880 maakte hij met vrienden een eerste reis door Europa, waarbij de verzameling van Sir Richard Wallace in Londen diepe indruk maakte. Net als Wallace, en veel van zijn tijdgenoten, had Frick in eerste instantie vooral oog (en geld) voor de achttiende en negentiende-eeuwse Franse kunst. Toch sprak ook de niet-religeuze kunst van de Hollandse Gouden Eeuw tot de verbeelding, zoals een laat zelfportret van Rembrandt. 'Kon je maar zien hoe het schilderij bij jou op de schoorsteen de hele galerij zou domineren, zoals jij zelf iedereen domineert met wie je in contact komt', schreef een van zijn kunsthandelaren - Frick ging meteen overstag.

Frick en zijn generatiegenoten hadden geluk: een wijziging in het Britse belastingstelsel zorgde ervoor dat veel Engelse verzamelaars hun collectie tegen wil en dank moesten verkopen. Vooral John Pierpont Morgan (1837-1913) kon hiervan profiteren: hij kocht hele collecties in z'n geheel op. In maart 1915 kon ook Frick zijn grote slag slaan: Morgan was overleden, en diens verzameling kwam in de verkoop. Frick troefde Europese geïnteresseerden af met zijn bod. 'Morgan Passes - Frick arrives', kopte American Art News toepasselijk.

Frick vermeed publiciteit, en over de rol van kunst in zijn leven zweeg hij zelfs naar zijn vrienden. Toch moet de kunst hem tot inkeer hebben gebracht: het grootste deel van zijn erfenis ging naar liefdadigheidsinstellingen in New York, Pittsburgh en rond zijn geboortegrond.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden