Keiharde disco voor de vissen

Zwemmen dolfijnen hier tussendoor? Het Prinses Amaliawindpark bij IJmuiden. (Werry Crone / Trouw) Beeld
Zwemmen dolfijnen hier tussendoor? Het Prinses Amaliawindpark bij IJmuiden. (Werry Crone / Trouw)

Extra windmolens in zee moeten een duurzaam onderdeel zijn van het kabinetsplan om de crisis te bestrijden. Maar hoe reageert de natuur op de installatie en aanwezigheid van deze kolossen?

Zo stil als de zee vanaf het strand lijkt, zo druk is zij in werkelijkheid. Scheepvaart, defensie, zeeflora en -fauna, pijpen en kabels: allemaal strijden ze om de ruimte.

De laatste jaren zijn het windmolenparken die zich nog tussen al deze bedrijvigheid dringen.

Nu zijn het er nog twee. Maar het ziet er naar uit dat windmolenparken de komende jaren massaal in de Noordzee zullen verrijzen (zie kader). Dat is natuurlijk prettig voor de voorstanders van duurzame energie, maar hoe reageert het leven onder zee op de molens? Onlangs waren onderzoekers bijeen op een congres om hun eerste resultaten in de openbaarheid te brengen. Al snel werd duidelijk dat windmolens het leven onder water niet onberoerd laten.

Vooral het bouwen van een windmolenpark geeft gedonder. Het heien kan vissen, zeehonden en bruinvissen schrik aanjagen, en mogelijk zelfs verwonden of doden. „Tijdens het heien krijgt elke windmolenpaal gedurende twee uur iedere 0,8 tot 1,5 seconde een klap”, zegt Sander de Jong, die namens Rijkswaterstaat aanvragen voor de bouw van windparken op zee beoordeelt. Het lawaai kan een geluidsniveau van wel 220 decibel bereiken. Ter vergelijking: dat is twee keer zoveel als het volume in een discotheek.

Hans Slabbekoorn, universitair docent gedragsbiologie in Leiden, schetst de desastreuze gevolgen voor vissen: „Impulsgeluiden, zoals de geluiden die vrijkomen bij heien, kunnen zwaar letsel toebrengen aan vissen en zelfs dodelijk zijn. Binnen vijftig meter kunnen vissen uit elkaar spatten, en tot op een kilometer kan fysieke schade, bijvoorbeeld aan het gehoor, ontstaan.”

Het Californische ministerie van transport gaf als eerste opdracht de effecten van heien op vissen te testen. Op verschillende afstanden van de heipaal zetten onderzoekers vissen in kooien. Dichterbij de heiwerkzaamheden was de sterfte onder de vissen groter dan verder weg; ze stierven aan schade aan de zwemblaas of aan inwendige bloedingen.

Maar vissen kunnen natuurlijk weg zwemmen; hun larven, daarentegen, niet. Marien ecoloog Theo Prins: „Die kunnen uit elkaar knallen als er wordt geheid.” De Zuidelijke Bocht van de Noordzee – het gedeelte ter hoogte van Nederland en België – is belangrijk als paaigebied. Vislarven drijven vanaf daar met zeestromen mee naar het noorden, op weg naar gebieden met een kinderkamerfunctie, zoals de Waddenzee. Om de schade aan vislarven tegen te gaan, zou het heien kunnen worden opgeschort tot na het seizoen waarin ze voorbij stromen.

Zeehonden en bruinvissen kunnen het geluidsniveau dat vrijkomt bij heien tot op tachtig kilometer horen. Bruinvissen kunnen er tot op 1,8 kilometer doof van worden. Ook het ’disco-effect’ is een bekend fenomeen: de gehoordrempel van de zoogdieren gaat tijdelijk omhoog, waardoor ze minder goed horen en elkaar dus niet goed kunnen ’verstaan’.

Dichtbij leidt het heien ook voor bruinvissen en zeehonden tot de dood. René Dekeling, die sonarsystemen onderzoekt voor het ministerie van defensie, noemt als voorbeeld de massastranding van dolfijnen in Griekenland in 1996: „Algemeen wordt aangenomen dat sonarsystemen, die harde geluiden produceren, de oorzaak waren van hun dood.” De dieren overleden aan bloedingen in de longen, hersenen, gehoororganen en nieren.

Om dit te voorkomen werden bij de aanleg van de Nederlandse windmolenparken voorzorgsmaatregelen genomen. Han Lindeboom, zee-ecoloog bij onderzoeksinstituut Imares, vertelt: „De bouwers hebben een ’pinger’ gebruikt bij de aanleg van het windpark bij Egmond aan Zee. Dat is een bel waarop bruinvissen reageren. Beroepsvissers gebruiken ’m ook, om de bruinvissen uit de buurt van hun netten te houden. Trouwens, het heien begint zachtjes: eerst worden de buizen afgeladen, op de bodem gezet, en dan wordt er eerst voorzichtig gehamerd om ze recht de grond in te krijgen. De bruinvis zwemt weg voordat de harde klappen vallen.”

Als het windmolenpark klaar is, lijkt het ergste leed te zijn geleden voor de fauna. Lindeboom somt de aantrekkelijke kanten op. „De bruinvissen keren terug als het heien is afgerond. Daarnaast zijn windmolenparken een toevluchtsoord voor vissen, omdat er niet wordt gevist. Boomkorvissers, die netten over de grond slepen en bekend staan om hun grote bijvangst, kunnen er niet terecht, omdat er rondom de windmolens stenen zijn gestort als bescherming. Die rijten de netten kapot.”

Vooral honkvaste vissen, zoals kabeljauwen en roggen, kunnen veilig verblijven in windmolenparken. Ze voelen zich er ook thuis: in het driedimensionale landschap, dat ontstaat door de windmolenstammen en de beschermende stenen eromheen, kunnen ze zich goed verschuilen, oriënteren en voedsel zoeken. Op hun beurt trekken ze weer vogels en zeezoogdieren aan.

En dan is er nog een voordeel, vervolgt de zee-ecoloog. „Schelpdieren en algen kunnen zich hechten aan de stenen en zijn een trekpleister voor vissen. Dat verschijnsel is bekend van olieplatforms en rond wrakken. Er bestaan zelfs ideeën om in de toekomst schelpdieren te kweken, zoals mosselen. Aan de boeien die we hebben uitgelegd binnen de parken om metingen te kunnen doen, groeien mosselen met recordsnelheid, en ze zijn van zeer goede kwaliteit.” Lindeboom fantaseert over netten tussen de windmolens, waarop de mosselen zouden kunnen groeien. „Maar de krachten die spelen op de netten die aan de windmolens zijn bevestigd zouden wel eens zo groot kunnen zijn, dat de molens omver worden getrokken tijdens een storm.” Voorlopig lijken vlotten een geschikter alternatief.

Er gaan ook stemmen op om zeewieren te telen in de parken – nog een sterk staaltje van multifunctioneel gebruik van de ruimte. De zeewieren kunnen worden gebruikt voor consumptie, zoals al gebruikelijk is in Azië, voor de persoonlijke verzorging of als dragers van duurzame energie. Bijkomend voordeel is dat jonge vissen tussen de zeewieren een rustige, onbezorgde jeugd zouden kunnen beleven – goed voor de biodiversiteit.

Toch is het niet allemaal pais en vree binnen de veilige omheining van het windmolenpark: bruinvissen en dolfijnen zouden kunnen worden gehinderd in hun migratie. Bovendien kan geluid het zeeleven sterk beïnvloeden.

Wie wel eens in de buurt van een windmolen is geweest, weet dat de molens voortdurend geluid produceren. De grote windmolens op zee, waar het ook nog eens harder waait dan op land, vormen een koor dat luidkeels zijn roep ten gehore brengt. Dat geluid dringt gemakkelijk door in water en draagt, eenmaal verdwenen onder de zeespiegel, erg ver.

Omdat het zicht vaak beperkt is, gebruiken zeedieren geluid om te jagen, zich te oriënteren of een partner te zoeken. Vissen kunnen bijvoorbeeld goed horen. Slabbekoorn noemt ze zelfs een ’zwemmend oor’. Met hun zijlijnsysteem kunnen ze geluiden van dichtbij opvangen; sommige soorten kunnen geluiden van verderaf versterken met behulp van hun zwemblaas, die functioneert als een resonantiekamer. Geluiden worden via een oor, met dezelfde soort gehoorbeentjes als de mens, geleid naar de hersenen. Slabbekoorn kent ’krakende’ cichliden (baarsachtigen) en ’brommende’ slijmvissen. „In een experiment kon een cichlidevrouwtje kiezen uit twee mannetjes: één met paaigeluiden en een waarbij het stil was. Steevast koos zij voor het mannetje dat een krakend geluid voortbracht. Van de slijmvis is bekend dat mannen die lage geluiden maken beter in de smaak vallen bij de vrouwen.”

Windmolens kunnen de geluiden die de vissen produceren, overstemmen. Slabbekoorn: „Veel vissen gebruiken laagfrequente geluiden: precies de tonen die de windmolens voortbrengen.” Bij een proef bij een Zweeds windmolenpark is gebleken dat vissen windmolens inderdaad mijden als ze in bedrijf zijn. Over echte lichamelijke schade is nog weinig bekend – er is alleen onderzoek gedaan naar alleenstaande windmolens. Werk aan de winkel dus, voor de ploeg wetenschappers die geïnteresseerd is in onderwatergeluid.

Ook de invloed van windmolengeluid op zeezoogdieren is nog grotendeels een vraagteken. Ron Kastelein, die werkt bij het zeezoogdieronderzoekscentrum Seamarco, voert proeven uit met bruinvissen en zeehonden om te ontdekken welke tonen ze kunnen horen. Hij heeft zijn dieren zo getraind dat ze weg zwemmen van de geluidsbron wanneer die een voor hen hoorbaar geluid produceert.

Daardoor heeft Kastelein de gehoordrempel kunnen vaststellen van de bruinvis. De volgende stap is om te meten welke tonen en geluidssterktes de windmolenparken laten horen. „En dan nog ben je er niet”, zegt Sophie Brasseur, zeehondenonderzoeker bij Imares. „Het is maar de vraag of het geluid van de windmolens de zeehonden en bruinvissen daadwerkelijk stuurt. Een enkele windmolen kan het geluid van een zeehond al overstemmen, maar misschien went hij er gewoon aan. Windmolenparken zouden pas echt problematisch zijn als de voortplanting wordt belemmerd.”

Bovendien blijft de vraag bestaan hoe de invloed van windmolenparken op het zeeleven zich verhoudt tot de andere menselijke activiteiten in en op de Noordzee. „Daarom is het zinvol om verder te kijken dan de paar postzegeltjes die windmolenparken vormen in de Nederlandse zeeën”, zegt vergunningenverlener De Jong.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden