Keien en kilo's met kiezels

Haarlem maakt zich weer op voor de Stripdriedaagse, die morgen, zaterdag en zondag op talrijke lokaties wordt gevierd. Grootheden als Enki Bilal, Art Spiegelman, Lorenzo Mattotti, Peter Pontiac, Wanda Scott, Kamagurka, Swarte, Windig en De Jong komen signeren.“Het stripverhaal-in-traditionele-vorm”, weet de deskundige, “heeft een vertellende structuur, hetgeen het verstrijken van tijd impliceert: plaatje na plaatje loopt de stripheld van links naar rechts op weg naar het avontuur.”Zo simpel zit dat. In tientallen galeries, in Vishal en Teylers, op straat en in muziekkelders in Haarlem wordt morgen, zaterdag en zondag de Stripdriedaagse gehouden. Programma en plattegrond staan in de speciale editie van het tijdschrift Oor. Passepartout 10 gulden per dag, bij de kassa op de Grote Markt.

Heb je dorst, dan schenk je de glazen vol; wil je naar het bordeel, dan beoefen je de karpersprong daar uit alle macht, vuur en geld; wil je een geldelijke gok wagen, dan trek je zo'n eenarmige bandiet suf totdat je linker- of rechterarm van de schouder stort; wil je beeldverhalen maken of lezen, dan ga je achter een tafel of in een hoekje zitten - maar men duidt de zelfverkozen passie niet.

Helaas, er lijkt geen ontkomen aan. Aan de vooravond van de jaarlijkse Stripdriedaagse kwamen 's lands grote striptekenaars bij Hanneke Groentemans 'Roerend Goed' weer eens uitleggen hoe ze beeldverhalen maken, waarom en vooral: - op faam, vrouwen, drank en geld na - waartoe. Wij zijn de keien van de Nederlandse stripwereld, stelden ze even onverschrokken als kwajongensachtig. En dat was nog niet eens onwaar ook. Mensen als Theo van de Boogaard, Hein de Korte en Martin Lodewijk zijn niet de kleinsten temidden van die oeverloze hoeveelheid kiezels die komend weekend in Haarlem aanspoelen.

Maar daar nam Groenteman geen genoegen mee: wat was de diepere zin van het beeldverhaal, en die van de striptekenaar in het bijzonder? Je kunt kort en ook heel lang over stripfaam, verhaalopbouw, cameravoering en die roemruchte klare lijn vertellen, maar was de essentie eigenlijk niet trefzeker samen te vatten in het begrip: jongenswereld? Ze kunnen dan wel als keien te boek staan, maar ondertussen stralen ze toch onmiskenbaar een zeker kwajongensaura uit. De keien grinnikten wat naar en om elkaar, en erkenden dat die al dan niet vermeende jongenswereld hen eigenlijk wel aanstond. Als Groenteman dat nou per se wilde, vooruit dan. Ze vond hen zelfs aardige jongenskeien. En hoger kun je het in de keienhiërarchie toch amper schoppen.

In de catalogus bij de tentoonstelling 'KUS ME KUS ME ZEEMAN - actuele kunst & strips', (die nu in de Haarlemse Vishal te zien is) heeft deskundige IJsbrand van Veelen in één zin de koe ogenschijnlijk duchtig bij de horens. “Het stripverhaal-in-traditionelevorm”, schrijft hij, “heeft een vertellende structuur, hetgeen het verstrijken van tijd impliceert: plaatje na plaatje loopt de stripheld van links naar rechts op weg naar het avontuur.”

Daarmee is toch wel alles tamelijk gezien en gezegd, zou je denken.

Maar helaas, daar barst het Grote Duiden al weer in alle omvang los: “Een traditioneel kunstwerk is statisch en vertelt niet zozeer een verhaal maar draagt veel eerder in compacte vorm esthetiek of ethiek over. Waar het stripverhaal zich bevindt op de scheidslijn tussen cinema en literatuur heeft de beeldende kunst de beschikking over een volstrekt eigen, onvergelijkbare uitdrukkingsvorm. Dergelijke platitudes over het verschil tussen de twee media worden echter meer en meer gelogenstraft. Kunstwerken zijn niet langer statisch - kijk alleen maar naar de ontwikkelingen in de videokunst of naar de talloze installaties die door de grote en mindere goden worden geconcipieërd - en stripverhalen zijn niet langer per defintie vertellend in literaire zin. Maar ook al is er sprake van formele verschillen, de beeldende kunst en het beeldverhaal liggen nu wellicht dichter bij elkaar dan ooit tevoren. Beide verhouden zich momenteel namelijk op eenzelfde manier tot 'de' werkelijkheid. Voor de strip gold altijd al dat ze werkelijkheden op een bepaalde manier benaderde: opgeblazen, nauwkeurig, falsificerend of gesimplificeerd. De beeldende kunst heeft zich de afgelopen decennia in die richting ontwikkeld: terwijl kunstenaars vroeger op de een of andere manier een afgeleide van de werkelijkheid lieten zien, is er nu in steeds sterker mate sprake van het construeren van een werkelijkheid. Hierin, in het construeren van waarheid en werkelijkheid, ligt de grote overeenkomst met de strip”, besluit Van Veelen.

Dat is allemaal net zo waar als voornoemde koe, maar ondertussen krijg je toch onbedaarlijke neigingen om diezelfde koe eens even rap en definitief te wurgen.

Vraag je een toevallig overstekende stripgek - laten we haar Anke H. noemen - wat nou precies die allesverzengende strippassie doet oplaaien, dan krijg je kortweg te horen: “Nou, ik volg die plaatjes, ik let op de tekeningen en op het verhaal, en verder moet het net zo spannend zijn als een goeie crimi op de televisie.”

Zo kan het dus ook.

In het tijdschrift 'Kunstschrift', dat ter ere van de Haarlemse Stripdriedaagse 'de romance tussen kunst & strip' tot thema heeft uitgeroepen, bewijst Marcel Feil zich als een autenthieke bruggenslaander. Zijn toon en taal klinken onmiddellijk al helder en vertrouwd.

“Tijdens een van zijn avonturen treedt de kleine, maar nagenoeg onoverwinnelijke Galliër Asterix, samen met zijn onafscheidelijke metgezel Obelix, in dienst van het Romeinse legioen, het leger van de aartsvijand. Deze actie staat borg voor de nodige problemen. Het bijeenbrengen van Britten, Goten en een Vlaming levert zo'n babylonische spraakverwarring op, dat alleen een ervaren tolk nog enige helderheid kan scheppen. Het is de aanwezigheid van een Egyptenaar die voor de meeste problemen zorgt, want Egyptenaren spraken in die tijd in hiëroglyfen. Telkens wanneer hij zijn mond opent om iets te zeggen rollen er beelden in plaats van woorden uit.”

(In Flauberts 'Salammbo' worden veiligheidshalve meteen maar de tongen - la lengua/de taal - der tolken afgesneden, maar dat is een ander verhaal.)

Nog even door met het citaat van Marcel Feil: “Door het goochelen met elementen die ogenschijnlijk geen samenhang vertonen, beelden in de plaats van woorden, spraakverwarring uitgedrukt in allerlei onbegrijpelijke tekens, kan opeens iets zichtbaar worden van de geheime wetten waaraan elk beeldverhaal voldoet.”

Exit Feil.

Heeft-ie hartstikke gelijk of heeft-ie dat niet?

Echt klaar kun je de lijn van George Perry en Alfred Bestall niet noemen: de avonturen van hun Rupert the Bear (of Bruintje Beer, die nu levensgroot langs de pui van Teylers Museum wappert) zijn eerder van een lome wolligheid, maar misschien is dat juist wel bijzonder functioneel bij beren. Ook stripheld Rupert - die zijn lezers al decennia lang oproept toch vooral goed hun tanden te poetsen - stuit steevast op de ergste verschrikkingen, maar overwint die in een fiere onbezonnenheid waar soortgenoot Olivier B. Bommel jaloers op zou worden:

Down in some undergrowth they fall, But out of it, unhurt, they crawl.# And as around the rocks they peer,

Bill cries, 'Do hush! a voice I hear.' 'Help help!' They hear some feeble cries,

And then they see a hand arise. It is the stranger they have found:# He's hurt and can't get off the ground. They bring their trolley round the hill,# Then Rupert lifts, and so does Bill. And up the stony, rough-hewn road# They safety pull their heavy load.

(Rupert and the Mystery Pound, Pavilion Books Ltd, 1991.)

Eind goed al goed, niks aan de handa, goed dat Rupert en Bill hun zelfgetimmerde karretje zo onverdroten met zich mee zeulen. De duiders onder ons herkennen overigens nu ogenblikkelijk de samenhang tussen striphelden, stripmakers, jongensdom en auto's (of overige vaar-, duik- en vliegtuigen). Over dit niet ongewichtige aspect in het beeldverhaal verscheen aparte vakliteratuur in de vorm van 'De fraaie lijn - Citroën in de strip' van Jacques Post. In een vlijt waarvan je duizelig wordt, bezingt dit album lof en wedervaren van de Traction Avant, de Citroën Ami 6, de DS, ID en de 2CV. Het verhaal wemelt van de sabotage en botsingen, maar dat deert stripheld noch Traction. “Sterker nog, een van de mooiste crash-scènes met een oud model TA is te vinden in het album 'De schat van Beersel' (1954). Brokkenpiloot Lambik, in vliegende vaart op weg naar het politiebureau, wordt vanuit het struikgewas beschoten. Hij raakt van de weg, ramt door een hek, schiet door zijn momentum gedreven met auto en al de lucht in, hobbelt verder en komt pas tegen de V-vork van twee bomen tot stilstand. Dat wil zeggen: driekwart van de auto. Met bestuurdersstoel, stuur en motorblok glijdt Lambik als op een bobslee over het gras en treft zo een derde boom op zijn route. Het bovenstaande maakt het al enigszins duidelijk”, duidt strip- en Citroënkenner Post, “de stripheld kan altijd en onder alle omstandigheden op zijn Traction Avant vertrouwen, tenzij er sprake is van onvoorziene situaties of ongeoorloofde ingrepen van derden: vernielzucht of onverantwoord rijgedrag.”

Met de vraag of het beeldverhaal nu wel of niet midden in het leven staat is hiermee nu definitief afgerekend, lijkt me. En gelukkig maar, dan hoeven we ons verder ook geen zorgen meer te maken over het Oude Tongen-syndroom van Suske & Wiske, over de nichtikeuze eenzaamheid van Lucky Luke, over de gereformeerde humorloosheid van de Keltische helden Asterix en Tom Poes, of over de Pieter Baan-rapporten van de gebroeders Dalton.

Nu nog even korte metten met die andere vermaledijde vraag, of het beeldverhaal met beide jongensbenen in de kunstwereld staat. Nou, nou?

Het beeldverhaal heeft kunst hoogstwaarschijnlijk al lang rechts ingehaald: het lijkt, in alle gulzige grilligheid, het leven zelf wel.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden