KEFAH ALLUSH - 'En toen moest ik het ook nog gaan màken'

“Ik denk vaak dat mensen van mij verwachten, dat ik ze wel even zal vertellen hoe slecht het is argwanend tegen een multi-culturele samenleving aan te kijken.” Kefah Allush wéét wel dat er leeftijdsgenoten zijn die dat anders zien. “Maar ik kan me niet laten leiden door wat anderen van mij willen, of verwachten.”

Allush (Nablus, 1 december 1969) begint aan zijn tiende seizoen bij de omroep. Op vrijdagavond is hij bij de NPS te zien, als presentator van een televisiespel dat in zijn soort opvallend verfrissend is om naar te kijken. In 'Wat doe jij nou?' moeten twee jonge mensen het beroep van de hoofdgast raden. In september volgt de documentaireserie 'Urbania, een stadstriptiek', waarvan Allush de eindredactie doet. Hij noemt zich het jongetje dat nooit genoeg aandacht kreeg, dat in de belangstelling wilde staan. Het is vreemd te zien dat de mensen om hem heen net beginnen. Is hij op zijn dertigste een meneer die niets meer te doen heeft, wellicht beter iets geheel anders kan gaan doen?

Allush vertelt over 'Urbania, een stadstriptiek', dat gaat over de verhalen die mensen vertellen. “Zij vertellen wat de stad máákt tot een stad. De diversiteit van mensen die daar wonen. Wat ik niet wil, is een verhaal vertellen om je zo te bewegen een bepaalde gedachtengang te volgen. Het is niet mijn taak op zoek te gaan naar een zwart iemand, die toevallig ook bankdirecteur is. Dan doe ik precies waar ik tegen ben: oordelen op basis van kleur.”

“Ik ga liever in een stad als Amsterdam op zoek naar verhalen, maar ik zou tegelijkertijd een slecht journalist zijn wanneer ik niet terecht kom bij mensen wier ouders uit een ander land dan Nederland komen. 'Kleur' is geen uitgangspunt, dat kom je tegen en daarover bericht je wanneer het relevant is. Dat is waarom ik televisie wil maken, waarom ik geen ambities heb hard copy nieuws te doen. Dat gaat over dingen, over zaken. Niet over mensen.”

Op tafel ligt een foto, waarop Allush staat in een leren vestje over een zwart overhemd. Allush kijkt recht in de lens, ernstige gefronste blik, hand om zijn kin, de duim die zijn mondhoek wat omhoog duwt. “Het eerste beeld dat mijn vriendin van mij had was niet vleiend: een vreselijk foute gladde vent. Mensen doen dat al vlug. Daar gaat 'Wat doe jij nou' ook over. Iedereen vestigt zijn eerste indruk. Je moet eerst met iemand omgaan eer je nieuwe dingen ontdekt, en het irriteert me dat mensen soms zelfs die moeite niet willen nemen. In 'Wat doe jij nou' vragen we kandidaten hun eerste indruk van iemand te verwoorden. Dat blijkt in de praktijk erg moeilijk te zijn.”

“Is je wel eens opgevallen hoe uit 'gesprekjes' aan het begin van een spelprogramma de totale desinteresse voor alles en iedereen blijkt? 'Wat zijn je hobby's?' 'Wat doe je voor de kost?'. Dat halfslachtige. Ik erger me aan ongeïnteresseerde interviewers. Aan mensen met vragenkaartjes op hun desk, die bij een antwoord al hun volgende vraag voorbereiden. Dat wegkijken. Astrid Joosten is de meest overschatte presentator van Nederland. Het zou verboden moeten worden dat zij iemand interviewt. Grfmpf, dat gefröbel met die kaartjes. Zo beledigend. Zo denigrerend. Je wilt iets weten, zo niet: hou dan je bek en ga iets anders doen. Soms kan ik van ellende mijn televisie door het raam gooien. Laat haar wat dingetjes aankondigen, maar alsjeblieft niet met mensen aan de gang gaan. Ga modeshows lopen.”

“Er is een ding dat ik bijzonder goed kan: mezelf verkopen. Maar iedere keer dat ik mijzelf verkocht heb, denk ik ook: shit, nu moet ik het ook nog gaan màken. Hoe moet dat nu? Nu ga ik door de mand vallen, nu krijgen ze in de gaten dat ik er geen moer van begrijp.”

“Ik denk dat mijn achtergrond aanvankelijk maakte dat ik een bevoorrechte positie innam, en ik vond dat ik ook daar best opportunistisch mee om mocht gaan. Ik heb gebruik gemaakt van de mensen die het beste met mij voor hadden omdat ik Palestijn ben. Ik snap ook dat de omroep niet te beroerd was met mij goeie sier te maken: zo'n allochtone jongen die de eindredactie voor hen deed. Ali Alibi. Wellicht is het een voordeel dat ik voor zulke dingen een bord voor mijn kop heb, waardoor ik het niet echt merk.”

“Ik kom voortdurend mensen tegen die vinden dat ik iets zou moeten willen bewerkstelligen, iets veranderen. Hier in de gang hangt het bordje 'NPS, afdeling Minderheden'. Strontvervelend, maar wel de realiteit. Het valt nog steeds op wanneer iemand die niet wit is iets doet op televisie. Hoewel het niet populair is dat te zeggen in allochtone kring, is het enige dat ik daaruit kan concluderen dat allochtonen kennelijk nog niet zo ver zijn. De meeste allochtonen die naar Nederland kwamen zijn arbeiders, een deel daarvan was analfabeet. Het komt ook in een Nederlands arbeidersgezin maar weinig voor dat mensen slagen zich daaraan te ontworstelen.”

“Ik ben geboren in Nablus, op de Westelijke Jordaanoever. De zoon van Palestijnse ouders. Vader werkte voor de Romi, de Rotterdamse Margarine Industrie, die in Nablus een fabriek opzette. Na de Zesdaagse Oorlog in 1967 besloot de Romi de fabriek niet af te bouwen, en de Palestijnse arbeiders die ze voor opleiding al naar Nederland had gehaald hier te houden.”

“In 1971 zijn mijn moeder, broer en ik naar Vlaardingen gekomen, waar ook de Romi-fabriek stond. Ziedaar de reden waarom er zoveel Palestijnen in Vlaardingen wonen. Ik heb niet het idee dat ik in een Palestijns milieu ben opgegroeid. Mijn ouders gingen kaarten met de Hollanders, op verjaardagen kwam de halve straat langs. Allemaal 'ooms' en 'tantes': tante Thea, tante Gerrie, tante Corrie. Vlaardingen, dáár liggen mijn roots, mijn achtergrond, en dat daar iets Palestijns bij komt heeft opnieuw iets met Vlaardingen te maken.”

“Wanneer ik hoor dat Turkse of Marrokkaanse ouders niets begrijpen van het Nederlandse schoolsysteem kan ik dat niet begrijpen. Mijn vader en moeder zaten in de ouderraad. Het was om ziek van te worden, hoeveel zij wisten van mijn school. Ik denk dat het ook komt doordat de Palestijnen een politieke achtergrond hebben die onderwijs belangrijk en noodzakelijk maakt. Mijn vader en zijn broer zijn in Nederland hard aan het werk gegaan om hun vijf andere broers een universitaire studie te laten volgen. Opleiding is het allerbelangrijkste voor een Palestijn, een manier je te manifesteren, om kracht aan te ontlenen wanneer je je een onderdrukt volk voelt.”

“Kennis is macht: dat is al bijna joods. Tel de filosofen, wetenschappers, zakenmensen die de joodse geschiedenis voortbracht. Ik twijfel er niet aan dat dat ook te maken heeft met de onderdrukte positie van het joodse volk. Op andere manieren probeer je dat te compenseren. Het moet voor mijn ouders een lichte teleurstelling zijn geweest dat ik niet ben gaan studeren, dat ik havo volgde. Op mijn zeventiende kwam ik na wat brutale brieven bij de omroep terecht. Via de VPRO kreeg ik de kans een radioprogramma bij de Rotterdamse lokale radio te presenteren, de Vara bood me de gelegenheid een programma te gaan doen dat zij voor Feduco produceerden.”

“Wat was het? The right place, the right time, net een grote bek genoeg? Van redactiewerk had ik weinig verstand; had geen idee waar ik het nu over had. Waar hadden ze het over? Mijn redding was de overplaatsing naar de jongerenafdeling van de Vara, waar ik leerde hoe je een programma moest produceren, dat een 'Betacam' een videosysteem is, en langzamerhand aan het werk werd gezet om zelf items te maken. Maar twijfel bleef. Op mijn 22ste werd ik met tienduizenden guldens aan apparatuur op reportage naar het buitenland gezonden en ik dacht alleen maar: ze zijn stapelgek dat ze die gok aandurven.”

“In mijn eerste jaar bij de omroep begon de intifada, de Palestijnse opstand. Ik werd gevraagd mee te gaan naar Israël voor een reportage. Ik bleek schijterig. Toen merkte ik pas hoe anders ik was dan de Palestijnen in Israël. Afgelopen januari ben ik er weer teruggeweest, voor Hier en Nu. De verslaggever met wie ik reisde, viel het op dat ik wanneer ik het over Palestijnen heb soms spreek over 'zij', dan weer over 'wij'. 'Wij', dat is als ik de taal hoor, wanneer ik geuren ruik die me aan thuis doen denken. Als ik olijven ruik. 'Zij' is de dagelijkse realiteit van jongeren in Israël. Dan blijkt ook pas hoe mijn opvattingen met die van hun verschillen.”

“Ik denk anders over cultuur, over tradities, over de islam, kan ook gemakkelijk genuanceerd praten over de politieke situatie daar. Ik heb niet iedere dag een geweer in mijn neus, ben ook niet van de universiteit gegooid en heb niet in het geheim in een kamertje achteraf mijn studie af moeten maken. Een jood is voor mij niet een man die mij slaat, mijn huis opblaast of mij in de gevangenis gooit.”

“Van dat alles ondervind ik weinig. Mijn gezicht zou ook joods kunnen zijn, en mijn kleding is Europees. Op het vliegveld van Israël wordt vriendelijk naar mij gelachen, tot ze in mijn paspoort zien dat ik in Nablus geboren ben. Soms voel ik me ook schuldig dat mijn ouders naar Nederland vertrokken. Ben ik een verantwoordelijkheid ontlopen, omdat ik mijn jeugd gewoon naar discotheken kon en verliefd mocht worden? Ik kon de dingen doen die bij mijn leeftijd hoorden - zij niet. Je voelt je schuldig dat je een leven kreeg dat mijn leeftijdsgenoten niet kregen, dat ik de vrijheid kreeg nuances te ontdekken.”

“Hoewel haast overbodig, vraag ik me af wat er van me terecht was gekomen als ik daar was gebleven. Ik denk niet dat ik een stenengooier zou zijn. Ik ben daar wellicht te praktisch voor. Ik zou snel in de gaten hebben dat het weinig zin heeft een steen naar een soldaat met een geweer te gooien. (Stilte) Ik ben niet met die frustraties opgegroeid, weet niet of ik zo dapper zou zijn. En verder heb ik weinig aansporing gehad om vanuit mijn werk iets met de intifada te doen - wellicht ook omdat men dat van mij verwachtte. De werkelijkheid is dat ik minder geïnteresseerd ben in het nieuwste boek van Sahar Khalifa dan in het nieuwe werk van Gerard Reve. Ik ben verbaasd over het ongeloof dat daarover heerst.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden