Kees Verhulst: ' Ik heb gelukkig persoonlijk niets aan de oorlog overgehouden'.

Interview75 jaar bevrijding

Kees Verhulst (96) maakte het bombardement van Dresden mee: ‘De hemel was zo helder verlicht, het leek alsof het dag was’

Kees Verhulst: ' Ik heb gelukkig persoonlijk niets aan de oorlog overgehouden'. Beeld Ringel Goslinga

Het grote bombardement op Dresden vannacht exact 75 jaar geleden, maakte Kees Verhulst (toen 22, nu 96) op enkele kilometers afstand mee. Als dwangarbeider werkte hij in een wapenfabriek vlakbij die stad. 

“Het eerste wat ik altijd vertel over de bevrijding als ik terugblik, is dat wij door de Russen zijn bevrijd. En pas op 8 mei 1945. Zo ver weg in Duitsland zat ik dus, helemaal tegen de grens van het toenmalige Tsjechoslowakije. Nederland vierde de bevrijding al op 5 mei, daar wisten wij niks van. Ik werkte als dwangarbeider in een wapenfabriek in Cossebaude, een klein dorp in de omgeving van Dresden. Daar heb ik ook van een afstand gezien hoe in de nacht van 13 op 14 februari van dat jaar die stad bij bombardementen in een vuurzee veranderde.

“Dat gebeurde ’s nachts en het was bij ons op zo’n 8 kilometer afstand zo helder verlicht alsof het dag was. Wij stonden voor onze barakken buiten te kijken, het was vreemd. Je hoorde bommen vallen. En die vuurzee, met hemelhoge vlammen, zorgde voor die verlichting. Bang? Nee, we zaten best ver. Ik realiseerde me op dat moment niet dat er zoveel mensen zouden omkomen. Je weet natuurlijk wel dat er bij een bombardement slachtoffers vallen. Maar dat dit vuur zo intensief en uitzonderlijk was, hadden wij niet door. We zijn uiteindelijk gewoon gaan slapen.

“Ik kende de binnenstad van Dresden, die zo hard getroffen is, op mijn broekzak. Op zondag werd er niet gewerkt in onze fabriek en dan kon je naar de stad met de tram. Ik was een bioscoopbezoeker, ik vond film interessant en ging soms wel drie keer achter elkaar. We kregen weekgeld en een bioscoop was heel goedkoop, een paar kwartjes.

“Wij mochten die eerste week na het bombardement de stad niet meer in. Maar vlakbij onze fabriek waren woonhuizen, daar woonden Duitsers met familie in Dresden. De inwoners waren daar al op tijd weg, maar de voorraadkelder zat nog vol levensmiddelen, voornamelijk in weckpotten. Ze vroegen ons die te gaan redden. Maar wij, een paar jongens uit Nederland die in die fabriek werkten, voelden daar weinig voor. We waren bang als plunderaars gezien te worden en dan kreeg je als buitenlander ter plekke de kogel. Toen zijn die mensen meegegaan naar dat huis. Zodat ze uit konden leggen wat wij daar deden, mocht dat nodig zijn.

“Met een handwagen gingen we op stap en inderdaad, tussen het puin, hebben we de kelderdeur gevonden en het voedsel lag er nog, ongedeerd. De keldermuren voelden in mijn herinnering nog warm. We laadden de wagen vol en liepen terug. Als dank kregen we een heerlijke maaltijd aangeboden.

Het bombardement op Dresden

Het bombardement van in de nacht van 13 en 14 februari 1945 op Dresden werd in drie aanvalsgolven uitgevoerd, door in totaal bijna 1500 geallieerde vliegtuigen. Er ontstond in de stad een gigantische vuurstorm toen verschillende grote branden veroorzaakt door de bommen samensmolten. Glas en metaal smolten door de grote hitte, de historische binnenstad werd totaal vernield. Mensen, ook in de schuilkelders, stikten door de weggezogen lucht of verbrandden. De huidige gangbare schatting is dat er in die nacht zo’n 25.000 doden vielen en 30.000 gewonden.

“Hoe zag die binnenstad eruit? Zoals je van de foto’s kent na een bombardement: skeletten van huizen, stapels puin, lijken. Ja, die zag ik toen voor het eerst, ze werden uit de kelders gehaald en neergelegd op straat ter identificatie. Wonderlijk was ook dat binnen korte tijd het leven weer begon. De trams, waar mogelijk, reden weer. En wij gingen gewoon weer werken in de fabriek die niet geraakt was.

Nog op de mulo toen de oorlog bego

“Ik ben geboren en getogen in Vlaardingen. Mijn vader had een zelfstandig bedrijf in carrosserie- en wagenbouw met een werkplaats vlakbij. We waren een middenklassegezin. Ik had een zes jaar oudere broer en die begon al voor de oorlog een eigen rijwielzaak.

“Ik zat nog op de mulo toen de oorlog begon, ik was zeventien jaar oud. Wij werden vroeg wakker door lawaai van schieten. We woonden niet al te ver van de Nieuwe Maas en de daar varende schepen werden regelmatig door Duitse vliegtuigen beschoten. Na de capitulatie kwam er Duits afweergeschut om overvliegende Engelse vliegtuigen te beschieten, dus het bleef een geknal van jewelste. Als het lucht­alarm afging in de nacht, gingen we gekleed op de trap zitten, want we hadden geen schuilkelder. Zo konden we meteen weg als het nodig was.

Beeld Ringel Goslinga

“Ik stopte die zomer met school en ging bij mijn vader werken. Tot ik in juni 1943 een oproep kreeg om me bij het arbeidsbureau te melden. Ik moest naar Riga in Letland. Tegelijk hoorde ik over leeftijdsgenoten uit Vlaardingen die aan het werk waren in een fabriek in de omgeving van Dresden. Daar zou het rustig zijn en er was goed te eten. Ik had een kennis op het arbeidsbureau. Die zei: ik kan je niet hier houden, maar ik kan je wel nog ergens anders heen sturen. Zo kreeg ik een legaal papier voor het arbeidsbureau in Riga én een illegaal voor Dresden.

“Mijn vrouw kende ik al in die tijd, we waren nog niet verloofd, ze was mijn vriendin. Zij en mijn vader brachten me in juli 1943 naar het busstation in Vlaardingen. Vandaar ging ik met de bus naar Rotterdam en daarna met de trein de grens over naar Bentheim. Toen ben ik uitgestapt, heb mijn kaartje naar Riga verscheurd en er een gekocht naar Dresden. Hier heb ik het nog in mijn plakboek: 26,50 mark. Zo belandde ik in die Oost-Duitse stad.

Best goed toeven in de wapenfabriek

“Die jongens die ik kende van die fabriek, hadden mij geschreven dat ik niet naar het arbeidsbureau moest gaan in Dresden, maar eerst naar hun fabriek. Anders zou ik mogelijk ergens anders heengestuurd worden. Dus ging ik met tram 19 naar Cossebaude en heb ik me bij die fabriek gemeld. Ik werd meteen aangenomen, het papierwerk is daarna geregeld.

“Wij persten daar uit een brok metaal een wapen waarmee je vanaf de schouder een explosief kon afschieten naar een tank: Pantzerfausten. De springstof werd er in een andere fabriek in gedaan, dus voor ons was het niet gevaarlijk. Ik sliep in een barak met andere jongens uit Vlaardingen, een paar kende ik dus al, een paar leerde ik daar kennen. Er werkten vierhonderd mannen in deze wapenfabriek. Het was daar best goed toeven, echt waar. Bij de fabriek was een grote moestuin en de groente daarvan werd gebruikt voor soep na afloop van de dagdienst. Tussen de middag aten we in de fabriekskantine.

Beeld Ringel Goslinga

“Verder was de zogenoemde Lagerführer, een afgekeurde soldaat die op ons moest toezien, een beste vent. Hij moederde over ons. Hij deelde ook de post rond. Maar in Nederland was een treinstaking vanaf september 1944, daardoor kwam er geen post meer. Dat was naar. Wij wisten niks van Nederland en in Nederland wisten ze niks van ons.

“We hoorden wel op de radio en van gesprekken van Duitsers dat de Russen oprukten. Na het bombardement op Dresden in februari 1945 was het natuurlijk gedaan met de leuke uitstapjes naar de binnenstad. Maar wij werkten gewoon door. Pas op 7 mei 1945 kregen we te horen dat alle buitenlanders maar beter in de schuilkelder konden gaan slapen, die was op het fabrieksterrein. Omdat de Russen nu echt vlakbij zouden zijn. Wij Nederlanders maakten een witte band van ons ondergoed en bonden dat om onze arm. Zodat de Russen zouden weten dat we geen Duitsers waren. Zo zaten we te wachten.

“Er gebeurde niks. De volgende ochtend gingen we maar zelf naar buiten om even te kijken wat er aan de hand was. Zagen we een groepje Russische soldaten voorbij marcheren. Die keurden ons geen blik waardig.

Naar Leipzig, want daar zaten de Amerikanen

“De keuken in de fabriek ging gewoon door in de dagen erna. De fabriek werkte natuurlijk niet meer. Na een krappe week dachten we: misschien moeten we maar zelf op reis gaan. We wilden naar Leipzig, want daar zaten de Amerikanen. Onze koffers op een paar handwagentjes gelegd en met een man of tien uit Nederland zijn we te voet vertrokken. De baas van de kantine gaf ons nog een blik met vlees mee en zo’n heel zwaar Duits brood voor onderweg. Het was mooi weer. We sliepen buiten, op het land bij een boer of in de hooiberg.

“Bij de overgang naar de Amerikaanse zone stonden Russische schildwachten. Wij hadden papieren die bewezen dat we uit het westen kwamen en mochten erdoor. De Amerikanen verwezen ons naar een lege kazerne in de stad. Daar zaten we met heel veel dwangarbeiders uit Nederland die naar huis wilden.

“Na ongeveer een week begonnen de transporten. Ik ging met een vrachtauto in drie dagen naar Maastricht. Weer een paar dagen later met de trein door naar Amersfoort, op het terrein van het voormalige concentratiekamp. Daar zaten ook NSB’ers vast. Ik herinner me een gek detail. Toen we de slaapzaal binnenkwamen met allemaal van die ijzeren stapelbedden, zat er op de hoek van elk bed een oranje roos geprikt. Die hadden die NSB’ers moeten maken, van papier. Een pesterijtje.

“Ik was intussen nieuwsgierig en ook wel bezorgd over hoe het thuis zou zijn. Ik had nog altijd niets gehoord. Voordat de post niet meer kwam, had ik nog gelezen dat mijn schoonzus zwanger was. Was die baby er al, was alles goed gegaan?

“Op 7 juni kwam ik met een goederentrein uit Amersfoort in Rotterdam aan. Daar stonden bussen klaar naar Schiedam, Maassluis en ook naar Vlaardingen. In Vlaardingen was in die dagen bekend wanneer er vrachtauto’s met uit het buitenland teruggekeerde mensen zouden aankomen. Mijn vader ging steeds kijken of ik er bij was. Zo zag ik hem. Dat was heel emotioneel, ja. Ik was op het station een kennis van mijn broer tegengekomen en die vertelde al dat ik een gezond nichtje had gekregen. We gingen eerst naar het huis van mijn broer en daar heb ik voor het eerst mijn vader zien huilen. Op straat liet hij zich niet zo gaan, maar daar in de eigen omgeving wel.

“Mijn broer had een motorfiets met benzinebonnen. Mijn ouders woonden een half uurtje lopen bij hem vandaan. Toen heeft hij me op de motorfiets thuisgebracht. Zo kwam ik aan, achterop bij mijn broer. Mijn moeder was van de emoties verstijfd, ze kon de trap niet afkomen. Het was 7 juni 1945. Ik was weer thuis.

‘Ik heb er achteraf geen spijt van, ik had geen keus’

“Ik heb in het bedrijf van mijn vader gewerkt tot begin jaren vijftig en daarna bij een Rotterdamse handelmaatschappij. Vanaf 1974 werkte ik bij de overheid op het gebied van bedrijfsveiligheid. Deze dienst werd later overgenomen door de regionale brandweer.

Beeld Ringel Goslinga

“Na mijn pensioen bleef ik actief op scholen om te vertellen over de oorlog. Rond mijn negentigste ben ik daarmee gestopt. In mei vorig jaar vierden mijn vrouw en ik ons zeventigjarig huwelijk. We hebben twee zonen, twee kleinkinderen en een achterkleinkind.

“Er zijn veel mensen ondergedoken nadat ze een oproep kregen om in Duitsland te gaan werken. Zij weigerden voor de vijand wapens te gaan maken. Ik heb dat indertijd niet overwogen. Het was bloedje link. Er gingen zoveel verhalen over wat ze je zouden aandoen. Als je gepakt werd, ging je naar een concentratiekamp. Of ze pakten je ouders op of je broer. Ik dacht: laat ik maar gaan, ik wilde hen niet in de problemen brengen. Ik heb er achteraf geen spijt van, ik had geen keus.

“Ik realiseer me wel dat ik heel veel geluk heb gehad. Ik ben later actief geworden bij de vereniging van dwangarbeiders. Zo’n 30.000 van de 500.000 Nederlandse dwangarbeiders in Duitsland kwamen om door verzwakking, bombardementen en mishandeling. Ik heb mensen leren kennen met heel andere ervaringen dan de mijne. Sommigen wilden er niet meer over praten, zo traumatisch was het geweest. Maar ik heb gelukkig persoonlijk niets aan de oorlog overgehouden.”

75 jaar bevrijding

Dit is de achtste aflevering van een serie interviews waarin Trouw mensen aan het woord laat die de bevrijding van de Duitse bezetters in 1944/1945 zelf meemaakten. Lees ze terug op trouw.nl/75jaarbevrijding.

Lees ook:

‘Ik was dáár. Ik heb Auschwitz overleefd’

Vlak voor de bevrijding van vernietigingskamp Auschwitz, maandag 75 jaar geleden, moesten tienduizend gevangenen het kamp verlaten van de Duitsers. Max Rodrigues Garcia (toen 20, nu 95), een Joodse jongen uit Amsterdam, was een van hen. ‘Ik heb Auschwitz geroken met mijn neus, gehoord met mijn oren.’

Jan Loos maakte de slag om Arnhem in alle hevigheid mee: Ik hoor die stervende Duitser nog roepen

De Slag om Arnhem begon vandaag precies 75 jaar geleden, op 17 september 1944. Jan Loos, toen 14 en nu 89 jaar, woonde in Oosterbeek, waar zware strijd werd geleverd. In een kelder wist hij met zijn moeder en zusje beschietingen en ander oorlogsgeweld te overleven. ‘We wachtten op de dood, of het einde van het vechten.’

‘Toen zei Sef: ik ga me melden. Ik wil niet voor jullie ogen worden neergeschoten.’

Het is vandaag precies 75 jaar geleden dat in Roermond 3000 Nederlandse mannen uit de schuilkelders van deze stad naar buiten kwamen en werden weggevoerd door de Duitsers. Annie Parren-Cornelissen (97) woont nog altijd in het centrum van die stad. Zij moest 30 december 1944 afscheid nemen van haar verloofde Sef. ‘We wisten niet of we elkaar ooit nog terug zouden zien.’

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden