Kees Torn

Kees Torn: 'Opeens wist ik het: ik ben een organisme, een verzameling cellen en op een dag ben ik dood. Het bleek geen troost, ik belandde in een depressie.' (FOTO MAARTJE GEELS) Beeld
Kees Torn: 'Opeens wist ik het: ik ben een organisme, een verzameling cellen en op een dag ben ik dood. Het bleek geen troost, ik belandde in een depressie.' (FOTO MAARTJE GEELS)

Kees Torn (Oostburg, 1967) is cabaretier. In 1994 won hij de jury- en publieksprijs van het Leids Cabaretfestival. In 2007 was hij de winnaar van de VSCD Poelifarnio voor zijn programma ’Dood en verderf’. Zijn voorstelling ’Einde verhaal’ is nog tot medio 2010 in verschillende theaters te zien.

„Alles wat mij interesseerde was zondig. Ik kreeg nooit antwoord op lastige vragen. Er werd thuis ook gewaarschuwd voor de evolutie; het was gegaan zoals het in de Bijbel stond beschreven. Dat was Gods woord – terwijl ik toch duidelijk ergens Drukkerij Enschedé had zien staan. Als je vijf of zes jaar oud bent, vertrouw je je ouders blind. Waarom zou ik niet geloven dat God van ons verlangt dat we bidden voor het slapen gaan? Langzaam maar zeker, toen ik de Bijbel leerde lezen, begon ik de boel te wantrouwen. Wat moest ik met een God die een vrouw in een zoutpilaar verandert, alleen maar omdat ze even had omgekeken?

„Toen ik een jaar of twintig was, las ik een boek over de evolutie van Stephen Jay Gould. Jaren later kwamen daar de boeken van Richard Dawkins, maar ook ’The Origin of Species’ van Charles Darwin bij. Al de boeken die de kerkmensen bij me weg hadden gehouden heb ik, tassen vol, in huis gehaald. Ik heb er erg lang over gedaan om die indoctrinatie ongedaan te maken.

„Het laatste restje hoop – dat er toch ’iets’ moest zijn – verloor ik in 2004, toen ik Josefien zag. Ze was het dochtertje van José. José en ik waren uit elkaar, zij ontmoette een ander, werd zwanger en beviel van een doodgeboren kindje. Ik weet nog dat ik daar zat, naast dat baby’tje van amper 27 weken. Het was niet echt een mens, ja, ze had hetzelfde wipneusje als José, hetzelfde voorhoofd, dezelfde langwerpige handjes ik hou zielsveel van José, die baby had natuurlijk gewoon moeten leven, maar toch ik snapte het ineens: ik ben een organisme, een verzameling cellen en op een dag ben ik dood, net zoals Josefien. Nee, dat was geen troost; ik belandde in een depressie. Ik dacht: dan kan ik net zo goed meteen dood gaan. Ik moest mezelf opnieuw uitvinden, een reden vinden om te leven. Er was in ieder geval geen bedoeling en zeker geen hemel waar ik iedereen die ik had liefgehad weer terug zou zien. Die depressie heeft een jaar geduurd, maar het kostte me eindeloos veel tijd om van mijn schuldgevoelens, mijn remmingen, mijn gepieker verlost te raken. Als ik daar aan denk, aan wat ze mij als kind hebben aangedaan, word ik wéér kwaad.”

„Ze hadden natuurlijk liever niet dat ik naar de kunstacademie ging – vanwege die gesneden beelden. Geen afgoden. God wil alle aandacht voor zichzelf. Ik herinner me dat een vriend – die later godsdienstwaanzinnig is geworden – ooit tegen mij zei dat ik, met het cabaret, helemaal op de verkeerde weg zat. ’Jezus hoort in het middelpunt van de belangstelling te staan’, zei hij, ’niet jij!’

„Ooit hoorde ik een preek waarin werd gezegd dat je God een beetje zou kunnen begrijpen als je je probeert voor te stellen dat Hij de behoefte had om de schepping te delen; een beetje zoals een kunstenaar zijn kunstwerk aan een publiek wil tonen. Hij schiep de mens om te laten zien wat hij allemaal had gemaakt. Ik kon mezelf vinden in die rol van bewonderaar. Een bewonderaar ben ik altijd geweest.”

„De eerste boze brieven kwamen na mijn voorstelling ’Einde verhaal’ waarin ik een liefdesliedje had omgebogen in een gereformeerde psalm door gewoon overal waar ’jij’ stond ’u’ te zingen. Dat was ineens blasfemisch. Wat ik ermee wil zeggen is dat het helemaal niets uitmaakt wie of wat je aanbidt; je krijgt dezelfde bagger. Het is geen provocatie. Mijn verongelijktheid is abstract, ik kan niemand ter verantwoording roepen – ja, mijn moeder misschien: hoe ze ons toch al die jaren naar de kerk heeft gesleept. Het is, uiteindelijk een existentiële ontevredenheid over het feit dat niemand me ooit heeft uitgelegd wat ik hier nou eigenlijk doe.”

„Twee keer naar de Nederlands Gereformeerde kerk. Proberen wakker te blijven, proberen op te letten ook want je was er niet zo maar vanaf, nee, na de dienst moest je naar de vereniging, de soos, de catechisatie – voor elke leeftijd weer wat anders – waar nog langer over de preek moest worden doorgeouwehoerd. Er werd niet echt gediscussieerd; het moest christelijk blijven dus hardop zeggen dat je iets niet snapte, dat deed je niet. Moeten, alles was moeten. Spelen was verdacht.”

„Mijn studies mislukten, meisjes kon ik ook al niet krijgen, niets kwam van de grond. Mijn moeder maakte zich ontzettend zorgen. Ik schreef een liedje voor haar, een ballade, waarin ik haar vertelde dat ze niet bezorgd hoefde te zijn; dat alles goed zou komen. Ik gaf haar het cassettebandje op haar verjaardag. Het was 1991, ik begon zo’n beetje met het cabaret. ’Leuk’, zei mijn moeder. ’Knap hoor, ik zou het niet kunnen’. Pas na de vierde keer – dat is kennelijk het veelvoud dat nodig is om iets tot haar door te laten dringen – begon ze, toen ze het aan de visite liet horen, te huilen. Ik was er bij. Ik schrok een beetje, geloof ik. Verder gebeurde er niets.

„Zo ging het altijd. Ik heb het geprobeerd. Ik heb haar, recht in het gezicht, gevraagd hoe het nou zat met het geloof, met die kerk, met de scheiding van mijn vader, waarom ze is zoals ze is, waarom ze doet zoals ze doet Niks. Ze begrijpt me niet. Ze heeft me nooit begrepen. Een jaar of twintig geleden dacht ik: wat verwacht ik nog van mijn moeder? Wat wil ik van haar? De lijst werd zo lang dat ik maar tot één conclusie kon komen: ik wil een andere moeder. Ze is van 1939, vastgeroest in haar gewoonten en in haar overtuigingen. Ik heb het opgegeven. Laat maar. Een keer per jaar ga ik bij haar langs. Kiezen op elkaar. Dan kakelt ze over koffie drinken in het winkelcentrum, oppassen bij de kleinkinderen en dat soort onzin – het gaat nergens over.

„Ik moet haar natuurlijk ook dankbaar zijn omdat ze me op pianoles heeft gedaan, omdat ze in haar eentje vier kinderen in leven heeft gehouden, omdat ze er het beste van probeerde te maken. Er was geen geld, maar ze wist er, met een geleend tentje, toch voor te zorgen dat we op vakantie konden. Ze bedoelde het goed. Er is één ding wat ik haar echt kwalijk heb genomen: ze heeft mijn vader bij me weggehouden.

„Voor de scheiding stelde de relatie met mijn vader nog niet zo veel voor. Hij zat voornamelijk in de kroeg en als hij thuiskwam, zaten zijn handjes nogal los. Hij kon niet tegen lawaai, dus ook niet tegen kinderen. Ik kan me herinneren dat ik regelmatig een pak slaag kreeg. Niet echt een leuke vader. Op een dag – ik was zes – kwam de verhuiswagen voorrijden. We gingen van Oostburg naar Maassluis en alles werd ingeladen, behalve de spullen van mijn vader. ’Gaat papa niet mee?’ vroeg ik. ’Nee, die blijft hier’. ’O’. En dat was het. ’Daag!’ Geen afscheid, niks.

„Het beeld van de agressieve alcoholist werd netjes in stand gehouden. Vooral door mijn moeders familie. Mijn vader was een egoïst en hij deugde niet. We moesten maar niet naar hem verlangen en vooral – daar had je het weer – geen vragen stellen.

„Als ik iets verkeerd deed, zei mijn moeder: ’Je bent sprekend je vader!’ maar ik had werkelijk geen idee wie die man was. Toen ik in Rotterdam ging studeren, vroeg ik voorzichtig: ’Zou je het erg vinden als ik na school even bij pa ging kijken?’ Waarop mijn moeder antwoordde: ’Je doet maar wat je niet laten kan’.

„Ik kreeg op mijn negentiende weer contact met hem en ik ontdekte dat ik inderdaad op hem leek: hij was muzikaal, hij worstelde op dezelfde manier met zijn leven. Ik begreep ineens waarom mijn moeder en ik elkaar niet begrepen. Ik lijk op hem. Niet op haar. Een jaar na die hernieuwde kennismaking ging hij dood. Een van de dingen die ik over hem te weten was gekomen – hoe hij voor de zekerheid van het onderwijs had gekozen en jaar in, jaar uit, dezelfde lesjes bleef afdraaien – is een voorbeeld geworden van hoe ik het zelf niet wil doen. Ik wil niet blijven hangen, ik wil stoppen en iets nieuws proberen. Dat heeft hij nooit gedaan. Na zijn dood kreeg ik een paar van zijn boeken. In één zo’n boek, Faust van Goethe, trof ik, onder allerlei verontrustende passages, allemaal streepjes aan. Hoe moest ik die begrijpen? Wat wilde hij er mee zeggen? Welke sporen had hij achtergelaten? Daar komt die woede vandaan: ik heb de kans niet gekregen om hem te leren kennen.

„Het is verdrietig. Ik heb ook medelijden met mijn moeder. Familieleden en mensen van de kerk verwijten mij dat ik haar verwaarloos. Dat we van elkaar vervreemd zijn. Dat ik het nooit zo ver had mogen laten komen. Dat ik een egoïst ben. Maar het is niet waar, ik ben geen egoïst. En ik voel me ook niet langer schuldig.”

„Josefien heeft José en mij weer bij elkaar gebracht. Het is natuurlijk ingewikkelder, maar toch: dat we geen kinderen kregen lag aan mij en ik was te beroerd om naar het ziekenhuis te gaan. Voor mij hoefde het niet. Nu is die hobbel weg. En we zijn allebei veranderd. José heeft die kinderwens losgelaten en is gaan tuinieren. Ook mooi. We houden het, met vallen en opstaan, al twaalf jaar met elkaar vol en het wordt eigenlijk steeds leuker. We staan sterker en het verlangen groeit. Ik vraag me wel eens af hoe veel verder het nog kan groeien.

„Nee, ik ga niet trouwen. Mensen veranderen. Ik kan helemaal niet beloven dat ik iemand trouw zal blijven tot in de dood. Bovendien heb ik te vaak gezien dat het mis gaat. Je verliest elkaar, altijd. Op een dag gaat José dood. Of ik. We betalen een prijs voor het geluk dat we nu samen delen.”

„Ik was een jaar of zeven. Het was rond Sinterklaastijd, bij Jamin. Ik zag een mand vol netjes chocolademuntjes. Een zo’n netje was open, de munten lagen er los bij. Ik dacht dat ze die toch niet meer konden verkopen en heb er eentje uit gepakt. Ik werd betrapt en de zaak uitgerost. Daar hebben ze zichzelf lelijk mee in de vingers gesneden want ik heb nooit één cent meer uitgegeven bij Jamin.”

„Dit is ook een valse getuigenis: jij haalt alle vragen eruit zodat het lijkt alsof ik een monoloog heb zitten houden. Zo is het niet gegaan. We zitten in Tin Tin’s sigarenbar, we praten en we drinken bier. Het lijkt, wat dat betreft, wel een beetje op de magie van een theatervoorstelling; je moet er in meegaan. ’We zitten op zee!’ Dat is helemaal niet waar. We staan op een podium en jullie zitten in een zaal. Met die leugen kan ik wel leven. Het wordt moeilijker als iemand zingt over zijn dode moeder terwijl die vrouw gewoon in rij drie zit mee te luisteren. Dat pik ik niet.”

„Als je, als cabaretier, volle zalen trekt, klopt er iets niet. Cabaret is mensen tegen de haren instrijken en daar kun je Carré toch niet mee vol krijgen? Tegenwoordig wordt overal het woord cabaret op geplakt. Plien en Bianca wordt verkocht als cabaret. Guido Weijers ook. Zelfs Jack Spijkerman, op televisie, wordt cabaret genoemd. Straks valt Pauw & Witteman er ook nog onder omdat daar ook wel eens gelachen wordt. Het einde is zoek. En het probleem is dat mensen die cabaret maken zoals het volgens mij is bedoeld niet meer te vinden zijn. Jeroen van Merwijk moet er haast mee gaan stoppen omdat hij er niet meer van kan leven. Bert Klunder kreeg maar één keer de grote zaal in Alkmaar vol en dat was op de dag dat hij daar lag opgebaard.

„Echte cabaretiers worden niet onderscheiden van de stand-uppers, de lolbroeken en de ouwe zeurpieten. Als ik dat zeg ben ik natuurlijk jaloers. Of arrogant. Maar ik heb wél gelijk arrogant hè? De mensen die cabaretier worden genoemd kunnen er ook niets aan doen; het zijn de programmeurs, de festivaljury’s en de theaterdirecteuren die er in de jaren tachtig mee zijn begonnen. De grote zalen moesten vol, de kleintjes werden wegbezuinigd. Terwijl ik dáár nu juist op mijn plek ben: in een huiskamersfeer, intiem, tweehonderd mensen en een vlakke vloer. Ik wil niet eens in het Nieuwe Luxor staan. Ik wil ook helemaal niet beroemd zijn, ik wil alleen maar aandacht. Uiteindelijk ben ik toch gewoon het kind dat in zijn jeugd aandacht te kort is gekomen.

„Cabaret maken is een, nogal omslachtige, manier van communiceren. Het heeft me in ieder geval uit mijn isolement gehaald. Voordat ik op het podium ging staan, was ik stil, introvert, verlegen. Ik wist niet hoe ik een gesprek moest beginnen. In mijn hoofd speelden zich van te voren zoveel scenario’s af dat ik er uiteindelijk helemaal niet aan begon. Na een optreden hoef ik mezelf niet meer voor te stellen. Mensen beginnen vanzelf tegen me te praten; de drempel was weg. Inmiddels durf ik rustig een gesprek te beginnen. Geloof ik.

„Ik heb de dingen natuurlijk een beetje vervalst, maar wat ik op het toneel breng is in grote lijnen wel autobiografisch. Ik vind het alleen dán pas interessant; als het uit mijn tenen komt. Ik kan de avond niet vullen met verzonnen grapjes.

„Nog één voorstelling en dan heb ik alles wel zo’n beetje gezegd. Ik wil niet, zoals mijn vader, iedere keer weer hetzelfde lesje afdraaien. Misschien dat ik eens een film ga maken. Of een boek schrijven! Ik bedoel: als jij het kan, moet ik het toch ook kunnen?

„Het mooie van ’Einde verhaal’, de voorstelling die ik nu speel, is dat het voelt als een verlossing. Het was niet per se een afrekening met het geloof van mijn jeugd, maar ik heb mezelf wel degelijk van mijn schuldgevoelens bevrijd. Het is net alsof ik terugben in de tijd voordat ze me naar de kerk begonnen te slepen. Ik kende het woord vast nog niet maar o, wat was ik toen gelukkig, daar aan de slootkant. Ik zat me suf te genieten! „Al die beestjes, al het leven – dat was mijn universum. Als ze me met rust hadden gelaten was ik 42 jaar achter elkaar gelukkig geweest. Maar nee, ze hebben me in de war gebracht, ze hebben me aan het piekeren gezet Dat is allemaal afgelopen, nu. Ik ben weer vijf. Ik heb mijn onbevangenheid terug. De cirkel is rond. Ik lees en ik leer. Ik snap waar we vandaan komen en ik weet dat we nergens heengaan. Dat vind ik een geruststellende gedachte. Ik geniet. Niet dat ik nu nóg eens veertig jaar door wil hé? Zo leuk is het leven nou ook weer niet. Het moet een keer afgelopen zijn. We blijven niet aan de gang.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden