Katholieken als voorbeeld voor moslimintegratie

AMSTERDAM - De positie van de islam in Nederland vertoont overeenkomsten met de positie van de rooms-katholieken in het 19de-eeuwse Nederland. Dat beweert J. de Bruijn in de bundel 'Kerk en recht'. Op een symposium op de VU in Amsterdam afgelopen donderdag betwijfelde voormalig minister Winnie Sorgdrager of deze vergelijking hout snijdt.

Uit het verhaal van De Bruijn blijkt dat Nederlands spreekwoordelijke godsdienstvrijheid niet altijd vanzelfsprekend is geweest. Duidelijk is dat de positie van de katholieken in de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648) hen lang is nagedragen. Hoewel veel katholieken zich uit politieke redenen bij de opstand tegen Spanje hadden aangesloten, vormden zij een onzeker element in de strijd.

Logisch, want de opstand was niet alleen een politieke oorlog, maar ook een religieuze. De religieuze verscheidenheid vormde een potentieel gevaar voor de jonge Republiek.

Dat gevaar werd concreet na het verraad van Rennenberg in maart 1580, waardoor de stad Groningen weer in Spaanse handen kwam. Daarna werd de publieke uitoefening van de rooms-katholieke eredienst in grote delen van de Republiek verboden. De Gereformeerde Kerk werd de officieuze staatskerk.

Dit wil niet zeggen dat andere religieuze minderheden nu vervolgd werden. In vergelijking met andere delen van Europa was de positie van rooms-katholieken, mennonieten, remonstranten, lutheranen en joden niet slecht. Maar in het dagelijks leven werden zij toch beschouwd als tweederangs burgers die uitgesloten waren van politieke ambten en met hun kerkdiensten niet in de openbaarheid mochten treden. Zij genoten een getemperde vrijheid.

Wat later, tijdens de Bataafse Revolutie van 1795, werd scheiding tussen kerk en staat een feit, kwam er een einde aan de godsdienstige en politieke discriminatie van religieuze minderheden.

Toch voerde vooral de koning de scheiding niet consequent door; hij greep naar believen in en ging moeiteloos over tot vervolging van een in ongenade gevallen minderheid. Pas met de Grondwet van 1848, ontworpen door de liberale grootheid J.R. Thorbecke, kregen de katholieken meer zeggenschap, al stak er nog geregeld een storm van antipapisme op.

Nu zijn we beland in de 19de eeuw, de tijd dus waarnaar De Bruijn verwees, om de huidige positie van moslims in Nederland te duiden. ,,Als katholieke minderheid met een sociale achterstand', zo schrijft hij, ,,en een sterke gehechtheid aan de kerk van Rome was hun loyaliteit aan het protestantse vaderland, dat hen zo lang had gediscrimineerd, niet vanzelfsprekend.'

Toch, zo concludeert De Bruijn, kon hun integratie juist tot stand komen nadat zij hadden gekozen voor de weg van het geïnstitutionaliseerde en georganiseerde pluralisme. ,,Een bewuste beleving van de eigen identiteit ging gepaard met een succesvol streven naar emancipatie en integratie.'

De Bruijn besluit zijn betoog zo positief dat Sorgdrager er in haar bespreking van het essay enkele kanttekeningen bij plaatst. Sorgdrager meent dat in de praktijk de traditioneel joods-christelijke en humanistische waarden nog steeds de grondvesten van onze cultuur zijn. En aan die grondvesten is door de katholieke minderheid in de loop der eeuwen nooit getornd.

Dat gebeurt nu wel. Daarom vraagt Sorgdrager zich af of de vergelijking met de katholieken wel opgaat. ,,In hoeverre accepteren wij dat onze identiteit nu gevormd wordt door mensen van andere culturen en nieuwe religies?'

Op die vraag is niet zomaar een positief antwoord te geven. ,,Vanuit historisch perspectief is er reden tot optimisme', zegt Sorgdrager, ,,maar dat betekent niet dat de huidige maatschappelijke problemen als het ware vanzelf worden opgelost.'

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden