Opinie

Katholiek, wees fier

(Trouw) Beeld
(Trouw)

Priester Antoine Bodar wil de geschonden katholieke gemeenschap vitaliteit en nieuw elan aanreiken. 'Wat zou troostrijker kunnen zijn dan dat?'

Antoine Bodar

Het komt hedentendage regelmatig voor dat een katholiek zich publiek moet verantwoorden voor het gegeven dat hij nog katholiek is, zeker nadat schandalen de Moederkerk hebben getroffen.

Kloosterlingen en priesters hebben het beeld van de Kerk geschaad. Predikers bleken zelf bij uitnemendheid niet te beantwoorden aan de hoge moraal die zij voorhielden. Wij, priesters, delen in de verslagenheid en in de verlegenheid en in de schaamte. Zo wenden wij ons gezamenlijk tot de Heer en vragen Hem om vergeving. Wij lijden nu eens te meer aan de Kerk als instituut van zondige mensen. En zo zien wij af door delen in de schuld. Wij lijden aan de Kerk en daarmee aan ons zelf. Want God is rechtstreeks beledigd in Zijn meest onschuldigen, kinderen aan ons toevertrouwd maar misbruikt. De troost is schraal dat het hier een schande uit het verleden is; want ook heden prediken vossen zonder twijfel de passie. Ook wij immers blijven zwak zoals iedereen.

Wat zou in een deerniswekkende periode zoals die van nu troostrijker kunnen zijn dan althans te proberen nieuwe moed, nieuw elan, nieuwe fierheid voor te staan om de eeuwen oude Christusgemeenschap in ons land iets van haar jeugd en vitaliteit terug te geven?

Hoe zwaar valt het menigeen zich te verdedigen tegen het publieke woordengeweld tegen de Kerk die gemakshalve voor achterlijk wordt gehouden juist door diegenen die amper of in het geheel niet gehinderd worden door kennis of informatie omtrent het 'instituut' dat hier in vaderlandse bescheidenheid voor 'niet meer van deze tijd' wordt gehouden. Maar de Kerk is niet alleen menselijke instelling. Zij is met Christus verbonden instituut van zondige mensen maar door Hem evengoed bedoelde en dus door Hem gewilde gemeenschap - Zijn lichaam of Zijn bruid - die blijft en zonder uitzondering zich richt op de Bijbel en rekening houdt met de Traditie waarin de Heilige Schrift ons is geschonken.

Wie in het buitenland woont of met regelmaat daar verkeert, krijgt weet van de veelheid aan mentaliteiten die de globaliserende wereld - en de Wereldkerk - telt. Het is daarom dat zij - ondanks zwakheid en zondigheid van vooral haar zonen - niet anders kan en wil dan het ideaal voorhouden inzake geloof en zeden. Dat ideaal koesteren beduidt geen ouderwetsheid, zoals hier te lande veelal aangenomen, maar omgaan met regels in samenspraak met een goed, mede door de Kerk, gevormd geweten. Maar ook dan blijft het eigen geweten de laatste bepaling van hetgeen de mens doet of nalaat. Als lid van de Kerk - over de dood heen - blijft hij persoonlijk verantwoordelijk en legt hij individueel verantwoording af van zijn leven.

Het gekoesterde ideaal valt in menselijkheid zelden of nooit samen met de werkelijkheid. Altijd blijft dus leerzame en gezonde spanning bestaan tussen leer en leven, theorie en praktijk, ideaal en werkelijkheid. Wie zo over de Kerk kan denken, voelt zich nimmer door Haar belaagd of gekleineerd, maar veeleer bemoedigd en getroost.
Haar Nederlandse critici en criticasters zouden eerst meer kennis moeten vergaren en Haar ideaal moeten overwegen alvorens het begrip 'achterlijk' in de mond te nemen. Wie zich uit over economie of kunst, heeft daarvan op enigerlei wijze werkelijk weet. Maar ik ontkom niet aan de indruk dat menigeen eigen oordeel en vooral veroordeling al gereed heeft nog vóór overweging. Als gevolg daarvan gaat het veelal niet om 'denken wat ik zeg' maar 'zeggen zonder te denken'.
Vanwaar deze gegroeide publieke houding? Smaakmakers hadden beslist dat godsdienst uit de openbaarheid moest verdwijnen. Maar dat is niet gebeurd. Anderen hadden geleden in hun jeugd en later aan het autoritaire gedrag van kerkelijke gezagdragers. Daar past volledig begrip. Niettemin past het niet te trachten de Kerk uit de maatschappij te bannen opdat zij als hinderlijk uit onze streken verdwijnt. De context moet altijd bij elk conflict, bij elke frustratie mede gewogen worden. Dit geldt autoritair gedrag van bazen maar helaas ook kindermisbruik, waaromtrent de tijd rijp is het probleem breed maatschappelijk aan te pakken in samenspraak met de overheid.

Wij, katholieken, willen het ideaal blijven hoog houden in weerwil van ons zelf. Wij zijn niet achterlijk maar willen in grootste pastorale zorg en in diepste empathische mildheid niet meedoen aan de luim van de dag en de waan van de week. Wij willen op ferme wijze in Christus fier zijn op Zijn Kerk wereldwijd. Dat immers is steeds een troost: De Kerk is weliswaar lokaal maar daaraan voorafgaand de wereld omvattend. Gaat het met de Kerk in het ene land of in het ene deel van een continent slecht - zoals nu in West-Europa, de Kerk bloeit elders op. Zij is wereldgemeenschap. In onderlinge nabijheid en in wederzijdse hulp wordt de wereldwijde saamhorigheid omhelsd. En dat dus niet slechts sociaal. Ook religieus past solidariteit. De ene lokale Kerk bekommert zich om de andere, zoekend naar eenheid in verscheidenheid met alle christenen, in omgang met andere godsdiensten en in respect voor andere culturen. Vandaar dat godsdienstvrijheid overal vereist wordt en vrijheid van meningsuiting, wil die zinvol zijn, gebonden blijft aan onderlinge wellevendheid.
Wij worden uit grootheid en schoonheid van schepselen door vergelijking onze Schepper gewaar, zoals het boek Wijsheid treffend vermeldt. Uit zichtbare goederen kunnen wij Hem leren kennen: Welke dwaling is tegenwoordig weer ons deel, zoals toen, wanneer wij vuur of wind, sterrenhemel of onstuimig water aanzien voor goden en niet bereid zijn, door die schoonheid bekoord, juist daarin de Heer te erkennen, enige oorsprong van schoonheid.
'Door vergelijking gewaar worden.' Wat wil dat zeggen? Wij zien de natuur en vermoeden God. Het landschap dat ruim blik geeft doet ons aangenaam klein worden - nietig in die gunnende weidsheid maar tevens nietig in de tijd. Want hetzelfde landschap zag het voorgeslacht en ziet het nageslacht. Wie zou dat niet zijn nakomelingen gunnen? We zouden daarom het landschap meer moeten sparen en verzorgen. Zo zou het landschap dan alleen in de wisseling van seizoenen veranderen. En zo wordt het zicht op eeuwigheid. Natuur is als het boek dat God opent bij het opstaan en sluit bij het slapen gaan. Hij wekt op Zijn schepping te bekijken, te genieten, te beschouwen en zo Zijn aanwezigheid te vermoeden. En neigt de dag ten einde en valt de duisternis, Hij gebiedt ons rust en vrede terwijl Hij in stilte waakt.

Schoonheid betreft ook de kunsten. Wij beluisteren Gregoriaans of Monteverdi, Bach of Mozart en proeven in afleiding de goddelijke harmonie, de volmaaktheid die alleen God eigen is.
Liever de dienende en daardoor communicerende kunsten dan de zelfmiddelpuntige en al te conceptuele waarbij een boekwerk van exegese noodzakelijk wordt. In ons tijdsgewricht is het de opdracht aan de kunsten opnieuw een verbond aan te gaan met de schoonheid. Laten de kunsten verheffen in plaats van verlelijken. Het zijn de kunstwerken die aansporen ook het christelijke ideaal niet te verliezen of te begraven maar met trots en gloed uit te dragen.
Waarin raakt het kunstwerk onmiddellijk de godsdienst? In de liturgie - het ritueel waarin de mens zichzelf probeert te vergeten om alleen God te prijzen en te danken, te belijden en te smeken. Vanuit de mens is liturgie louter dienst, eredienst en dus dienstbaarheid. Zelf doet hij niet ter zake; want hij richt zich tot God, knielt neer en buigt het hoofd. Geen egocentrisme maar Theocentrisme. In de organisch gegroeide, aardse liturgie van eeuwen, die zo objectief mogelijk is om hinderlijke creativiteit van mensen uit te bannen, komen we hemelse liturgie op het spoor. Zo haalt de kerk adem, omdat de Heilige Geest ademhaling aan de Christusgemeenschap geeft in weerwil van onwaardigheid en zondigheid van kerkleden in klerken- én lekenstand.

Waarom is kunnen geloven in God rijkdom - zonder geld of goederen? De mens zelf hoeft niet middelpunt van de schepping te zijn. De levenszin schuilt niet in hem zelf maar in de Heer. Het is bevrijdend en maakt vrij, als niet de mens zelf belangrijk behoeft te zijn. Zulks bevordert vooral hoogmoed en afgunst.
Het aangenaamst aan de mens is zelfrelativering, de opening naar vrolijkheid, ontspanning, tevredenheid. Wie zich zelf als betrekkelijk beschouwt, ontmoet spoedig ironie en humor. Wie niet om zich zelf kan lachen, vergaat elke lach om de ander, voor zover het althans toelachen en niet uitlachen betreft.

Het christendom is een prachtig geloof en in de Moederkerk wordt veel schoonheid, kunst en vermaak aangetroffen, heerlijk theater dat alle zintuigen mee optrekt naar Onze Lieve Heer. En dat geloof kost niets, zoals Gerard Reve heeft vastgesteld.

Geloven in Christus als de sleutel tot de gehele Bijbel, zowel het Oude als het Nieuwe Testament, voert ons binnen in de leerschool van de liefde. Het leert ons twee zaken: dat we onszelf niet als goddelijk zien, al hebben wij deel aan God en woont Hij ook in ons. En dat we de ander hoger achten dan onszelf. Zo wordt de verbinding met God en met mensen onderling opgebouwd tot de ene gemeenschap van Christus die nooit exclusief bedoeld is maar altijd elk mens insluit.
Het christelijke geloof schenkt hoop, overgave, zingeving. Het is de ware spiritualiteit die niet draait om prettig gevoel maar om leven met God door middel van de Spiritus Sanctus (Heilige Geest). Terwijl Kerstmis ons in kinderlijkheid troost, omdat God mens wordt, bevrijdt ons Pasen van de dood, omdat Christus de poort naar de hemel in het eeuwige leven heeft geopend. Daarmee is ons leven niet van ondergeschikt belang; we bestaan niet om pas in het hiernamaals maar ook al in het hiernumaals gelukkig te zijn. Alleen is het onzin om de gehele levenskaart op de tijdelijkheid te zetten. Dat maakt hijgerig, dikbuikig, verwend. Beter zo te leven dat elke dag de dood ons tegemoet kan treden. Dan overvalt hij ons niet. En bij niet te grote hechting aan het leven hier zijn wij ook vrijer, al kennen we slechts de eeuwigheid in geloof. Onthecht leven is onbekommerd leven.

Augustinus van Hippo leidt onze blik naar omhoog om te denken aan God in deze preveling van Psalm 8: "Als ik de hemelen zie, het werk Uwer vingers, de maan en de sterren - Wie is dan de mens, dat Gij naar hem omziet?"

Nochtans verwoordt de psalmist daar in enen de troostende kus van Gods mond - hoe wij ons ook gedragen: Toch hebt Gij hem haast tot een godheid gemaakt, hem met glorie en luister gekroond. Gij hebt hem gesteld over het werk Uwer handen en alles aan zijn voeten gelegd." Overeenkomstig Genesis blijft de mens geschapen naar Gods beeld en gelijkenis. Als wij al bijna goddelijk zijn, deel hebben aan God, hoe veel te eenvoudiger mogen wij Hem dan tegemoet treden, om vergeving vragen en opnieuw, door Hem getroost, de roeping in ons leven aanvatten. Want Hij heeft ons bekleed met een kracht als de Zijne. Hij heeft Zijn oog in ons hart geplant om ons te tonen hoe groot Zijn werken en wij Zijn heilige naam prijzen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden