Katholiek Utrecht gaf ruimte aan vernieuwing

De apostel Thomas ontleent zijn reputatie als ongelovige slechts aan een tweetal voorvallen die beschreven zijn in het Evangelie van Johannes. Alleen deze evangelist maakt melding van de ontmoeting van Christus die na de wederopstanding tegen Thomas zegt: “Kom hier met uw vinger en bezie mijn handen.

Steek uw hand uit en leg die in mijn zijde, en wees niet langer ongelovig, maar gelovig.'' In de 17de eeuw was dit bijbelse voorval een aantrekkelijk onderwerp voor schilders die er hun inzicht in de bijbel en hun schilderkunstige kwaliteiten in kwijt konden. Italiaanse schilders kozen het moment waarop Thomas zijn hand uitstak naar Christus' zijde-wond, terwijl de Nederlandse schilders Christus met grote overtuiging de pols van Thomas lieten grijpen om deze de wond te laten aanraken. Een klein, maar betekenisvol verschil.

Toch bestond er een nauwere relatie tussen Hollandse en Italiaanse schilders, een brug die gevormd werd door Caravaggio, de schilder die het chiaroscuro (de contrastwerking van licht en donker) in de schilderkunst introduceerde. Caravaggio liet Thomas zijn vinger als een onderzoekende dokter in de zij van Christus verdwijnen. Op zijn beurt heeft Caravaggio veel invloed op de Hollandse schilders gehad, in het bijzonder op de schilders uit Utrecht. Een van de gevolgen van de invloed van Caravaggio was dat de toch ietwat onfrisse scène juist in de schilderkunst van de Gouden Eeuw regelmatig is te zien.

Waarom Utrecht? Deze stad was aan het begin van de 17de en Gouden Eeuw een bolwerk van katholieke kunst. De r.-k. kerk was na de Beeldenstorm praktisch uit elke grote Hollandse stad verdreven. Ze had zich min of meer teruggetrokken in Utrecht, waar ze in deze verhoudingsgewijs tamelijk geïsoleerde stad redelijk kon overleven.

In haar pogingen zich te handhaven en in samenhang daarmee het geloof te verkondigen, trachtte de katholieke kerk met haar opdrachtenbeleid de schilderkunst een religieus karakter te laten behouden. De schilderkunst werd algemeen als een middel gezien om de gemeente een inzicht in de bijbel te geven. Veel meer dan de bijbel zelf bood de kerk aan de hand van een rijk beeldenprogramma een inzicht in het Oude Testament dat de parochianen gemakkelijk konden 'lezen'. Katholieke schilders konden wat dat opdrachtenbeleid betreft in Utrecht hun voortbestaan verzekeren, nergens waren er meer kerkelijke opdrachten te verwerven als daar.

Op de tentoonstelling 'Masters of Light - Dutch Painters of Utrecht during the Golden Age' die na een toernee langs twee Amerikaanse steden zijn eindstation in de National Gallery in Londen vindt, zijn veel religieus getinte (lees katholieke) schilderijen te zien. Ze variëren van kruisingen en martelingen (die het altijd goed hebben gedaan, ze maakten een hoop ellende inzichtelijk, lieten zien dat de kerk in een vernederende positie zat) tot meer lieflijke en emotionele beelden van Maria met kind. Ook de scène met de ongelovige Thomas komt er voor in een prachtig schilderij van Hendrick ter Brugghen, die met Abraham Bloemaert en Gerrit van Honthorst tot de drie belangrijkste meesters van de 'Utrechtse school' behoorde.

Ter Brugghen was in de eerste helft van de Gouden Eeuw de toonaangevende caravaggist in Utrecht. Ter Brugghen (die leefde van 1588 tot 1629) is op jonge leeftijd gestorven, waarschijnlijk aan de pest, die in het begin van de 17de eeuw genadeloos toesloeg. Ondanks zijn korte leven staat Ter Brugghen voor een indrukwekkend oeuvre. Op de tentoonstelling in de National Gallery in Londen is Ter Brugghen één van de twee sleutelfiguren van de 'Utrechtse School', als opvolger van zijn leermeester Abraham Bloemaert bij wie hij met het maniërisme (de stijl, niet het begrip dat in de schilderkunst tot in de huidige tijd in zwang is gebleven) in aanraking kwam.

Niet bekend

De schilderstijl van Hendrick ter Brugghen en die van zijn collega's Dirck van Baburen (die getuige de levensdata 1595-1624 ook al zo vroeg stierf, waarschijnlijk idem aan de pest), Gerard van Honthorst (1592-1656) en Peter Wtewael (1596-1660), wordt vooral zo bijzonder als je haar afzet tegen de achtergrond van waaruit ze voortkwam. De Utrechtse caravaggisten waren in de leer geweest bij Abraham Bloemaert (1566-1651), die gemiddeld een drietal decennia ouder was dan de jongeren die hij op een heuse academie in het schildersvak schoolde. Daar leerden ze naar levend model te tekenen, op een wijze die goed overeenkwam met de manier waarop in Italië les werd gegeven. Het is aan dit onderwijs te danken dat de studenten op reis naar Italië werden gestuurd: in Rome konden ze zich rechtstreeks aan de bron laven, de Antieken bestuderen en tegelijk van de nieuwste schilderkunstige inzichten leren.

Bloemaert vertegenwoordigde in Utrecht het maniërisme, een stijl die eerder in Haarlem door Hendrick Goltzius en Carel van Mander, maar vooral in het Franse Fontainebleau en in Rome tijdens de opkomst van de renaissance was geïntroduceerd. Het maniërisme, dat grotendeels samenvalt met de renaissance maar ook een deel van de barok omvat, komt er in grote trekken op neer dat de schilder stond voor een levensechte, realistische vormgeving die direct aan de natuur ontleend moest zijn, maar die zijn onderwerpen een geconstrueerde (ook wel gestileerde) indruk moesten wekken. Ondanks de licht gekunstelde weergave hoefden emotionele conflicten niet uit de weg gegaan te worden.

Ook de kleurweergave kreeg een behoorlijk emotionele lading. Zo werden 'koude' en 'warme' kleuren contrasterend naast elkaar gezet. Het meest blijkt dat nog uit de weergave van de menselijke, meestal naakte figuur: binnen één voorstelling bestaan zowel leverkleurige naakten als grijze, blauwglanzende. De reactie van Caravaggio daarop was bepaald revolutionair: hij schilderde zijn modellen, die hij letterlijk van de straat plukte, zo levensecht mogelijk. Dat wil zeggen dat ze een gebruinde huid hebben, vaak met het straatvuil onder hun handen en voeten.

De voorstellingen die Bloemaert schilderde, hadden steevast een geïdealiseerd karakter. Ook al hadden ze, als hij uit de bijbel of de mythologie citerend, een juiste historische context, het onderwerp zelf was ondergeschikt aan een opvatting om tot de mooiste uitdrukking van een figuur, een scène of een landschap te komen. Op de tentoonstelling in Londen is daar minstens één sprekend voorbeeld van te zien. In een voorstelling die in een achterafhoekje Mozes laat zien die op de rots slaat, gaat het veel meer om de figuren op de voorgrond. Die zijn in een zodanig geagiteerde situatie gebracht, dat een werveling van gestes en gebaren, van gestrekte armen en felle blikken ontstaat.

Mozes, in de 17de eeuwse schilderstraditie een van de belangrijkste figuren in het Oude Testament, is bij Bloemaert definitief naar het tweede plan verschoven. Het doek, dat uit 1596 dateert, toont de inzichten van een rijp en goed onderlegd schilder, die bewees dat hij een complexe compositie met een staalkaart aan menselijke houdingen, gebaren en uitdrukkingen aan kon, een proeve die natuurlijk in de eerste plaats voor de buitenwacht gold die de schilder aan opdrachten kon helpen.

Het verwerven van die opdrachten moet wel invloed hebben gehad op een onmiskenbare wijziging in de stijl die Bloemaert in het begin van de jaren '10 geleidelijk doorvoerde. Van het maniërisme stapte hij, mede onder invloed zijn leerlingen, op het caravaggisme over (Ter Brugghen keerde in 1614 uit Italië terug, hij moet er verscheidene jaren hebben doorgebracht. Dirck van Baburen kwam pas in 1621 terug, Jan van Bijlert niet voor het einde van 1623 en Cornelis van Poelenburch omstreeks 1620). De leraar had geen lessen meer voor zijn leerlingen, hij werd nu zelf door hen beïnvloed.

Overigens heeft deze periode voor Bloemaert kort geduurd. Halverwege de jaren '20 van de 17de eeuw schilderde hij al minder caravaggistisch, om kort daarna over te stappen op wat toen de nieuwste ontwikkeling was, het classicisme. Hoewel hij als een groot schilder zeer gerespecteerd was, speelde het latere werk geen sturende rol meer in het Utrechtse kunstleven. Bloemaert was wel een aanzienlijk man geworden, hij werd door aanzienlijke figuren bezocht (zo kwam Elizabeth Stuart, koningin van Bohemen, op zijn atelier kijken voor wie hij een 'portret' van haar hond maakte) en smaakte voorts het genoegen dat zijn twee zoons Cornelis en Frederick door middel van gravures zijn schilderijen een grotere verspreiding gaven. Zijn dood markeert echter ook de teloorgang van de Utrechtse school. Na 1650, toen de academies waren opgeheven, trokken schilders uit Utrecht weg en kwam de schilderkunst in de stad op ene provinciaal niveau te staan.

Caravaggisme en maniërisme zijn niet de enige stromingen geweest die het kunstklimaat in het katholieke Utrecht bepaalden. Op de expositie in Londen wordt duidelijk gemaakt dat de stad ook een grote aantrekkingskracht had op schilders die niet nadrukkelijk op religieuze opdrachten uit waren. Zo vestigden zich voor korte of langere tijd stillevensschilders als Balthasar van der Ast en Ambrosius Bosschaert in Utrecht, terwijl uit Duitsland de getalenteerde maar in Nederland helaas miskende schilder Nicolaus Knüpfer kwam. Door Bloemaert en Cornelis van Poelenburch kwamen studenten in Utrecht die er soms voor langere tijd zouden blijven. Tot hen behoorden onder meer Diderick van Lisse en Jan Baptist Weenix, die afgaande op wat de tentoonstelling laat zien, meer roem verdienen dan hun tot nu toe is toegevallen.

Wat dat betreft is deze expositie echt een eye-opener. Je zou verwachten dat ze op zo'n toernee ook Nederland zou aandoen. Het daarvoor in aanmerking komende Centraal Museum in Utrecht bleek volgens organisatrice Joaneath Spicer (zelf afgestudeerd in ons land) van de Walters Art Gallery in Baltimore geen interesse te hebben.

Waarschijnlijk speelde hierbij het feit een rol dat Utrecht zelf in 1986-'87 een tentoonstelling wijdde aan de schilder Hendrick ter Brugghen en zijn tijdgenoten. Maar tien jaar later is er een niettemin een nieuwe generatie kunstliefhebers bij gekomen voor wie deze tentoonstelling heel wat inzichten biedt. Dat was ook in de Verenigde Staten het geval. In San Francisco waar het Fine Arts Museum mede-organisator was, kwamen er 100 000 bezoekers op af, ondanks het feit dat ze de namen van Hendrick ter Brugghen en Dirck van Baburen nauwelijks konden uitspreken en hen vaak niet eens goed kenden. Maar Utrecht en zijn kunstleven staat er nu goed op de kaart.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden