Karin Kuiper Karel is niet meer dat zwarte silhouet

Karin Kuiper (45) verloor drie jaar geleden haar man en grote liefde Karel Glastra van Loon. Ze zorgt nu alleen voor hun drie kinderen Bobbie, Noa en Dante. De rouw zette haar relaties op scherp: van alle goede vrienden heeft ze er nog maar één over.

Fijn dat je iets te laat bent, zegt Karin Kuiper. „Want nu kon ik nog mooi even de wc schoonmaken.” Aan dit soort klusjes komt ze nauwelijks meer toe sinds zij solomoeder is van drie kinderen.

Drie jaar geleden overleed haar echtgenoot, de schrijver Karel Glastra van Loon. Daarna volgde een periode waarin ’het verlies als zoutzuur doorvrat’.

Kuiper schreef er een rauw en aangrijpend boek over: ’Je kunt mij altijd bellen. 1001 dagen van rouw’. Sinds de verschijning twee maanden geleden werden er 42.000 exemplaren van verkocht.

Dat haar boek blijkbaar in een behoefte voorziet, vindt Kuiper niet zo gek, zo vertelt ze in haar sfeervolle, oude huis in Hilversum.

„Ik schrijf over die eerste fase van het rouwproces, waarin je stuurloos dobbert op de zee van je emoties. Waarin je in tranen uitbarst in de supermarkt, omdat je zijn cornflakes ziet staan. Als dat je overkomt, dan is het fijn om te weten dat het niet absurd is.”

Zelf dacht Kuiper in die eerste maanden dat ze gek werd, ze sliep nauwelijks meer, voelde zich ’zombie-achtig’, ze wilde zelf ook dood zijn, was maar voor de helft aanwezig. Kleine dingen – de planten water geven, douchen, een verjaardagstraktatie voor de kinderen maken – werden haast onmogelijke opgaven.

„De dip was heel diep”, zo vertelt Kuiper, die haar rappe zinnen geregeld met een klaterlach onderbreekt. Ze is, en dat had ze nooit gedacht, tóch opgekrabbeld, aan het einde van de tunnel bleek er licht.

Al mist ze Karel nog hevig, hij is niet meer ’dat zwarte silhouet aan tafel’. Haar gezin, dat vroeger uit vijf personen bestond, is tegenwoordig compleet met vier leden: Kuiper en haar trio Bobbie (9), Noa (7) en Dante (5).

Hoe is het met uw kinderen?

„Het gaat ze goed, ze zijn veerkrachtig, al wordt Dante nog wel eens huilend wakker omdat hij papa mist. En Noa vindt het moeilijk dat ze zo weinig herinneringen aan Karel heeft, in vergelijking met haar oudere zus. Mijn kinderen missen de luxe van een tweede ouder, ze krijgen relatief weinig aandacht van mij. Ik neem met Bobbie huiswerk door in het zwembad, terwijl we ook moeten kijken hoe Noa duikt. Voor het slapen gaan krijgt zij ook geen eigen verhaaltje, ik lees m’n trio voor uit hetzelfde boek. Het is niet anders, meer kan ik ze niet bieden.”

U was lange tijd in diepe rouw, uw kinderen ook. Kon u wel een goede moeder voor ze zijn?

„Laat ik het voorzichtig zeggen: dit was geen toptijd voor mij als ouder. Ik moest de aandacht voor mijn kinderen echt uit m’n tenen halen en daar voelde ik me heel schuldig over. Ze kwamen aan alle kanten tekort, zij zijn de grootste verliezers geweest. Er zijn boeken vol tips hoe je je kinderen kunt steunen, maar de schrijvers daarvan zijn vast geen ervaringsdeskundigen. Hoe troost je je kinderen, als je zelf volledig aan de grond zit, als je al blij bent dat het je gelukt is om je tanden te poetsen of je aan te kleden?”

Wat hadden Bobbie, Noa en Dante nodig in die periode?

„Bobbie wilde veel praten en uitleg krijgen, dat kon ik nog wel opbrengen. Noa had behoefte aan de bescherming van het fysieke, ze wilde heel veel knuffelen, en dat vond ik veel moeilijker. Wat Dante betreft: ik heb weinig aan zijn ontwikkeling gedaan. De andere twee waren bijtijds zindelijk, hem heb ik tot ruim drie jaar in zijn pampers laten lopen.

Dante was amper twee toen Karel stierf, hij begreep niet waar zijn vader bleef, stond soms uren voor het kralengordijn naar buiten te kijken. ’Papa werk’, zei hij dan, als om te verklaren waarom het zolang duurde. Hartverscheurend vond ik dat, maar ik kon zijn verdriet niet wegnemen.

Pas sinds een half jaar ben ik de moeder die ik ook geweest zou zijn als Karel nog geleefd had. Ik ben vaak geduldig, zit redelijk goed in mijn vel. Maar er is één verschil: ik ben nu veel chaotischer, met Karel had ik veel meer rust. Als solo-ouder voel ik een voortdurende druk, ik kom vaak te laat, want zie zo’n trio onder de tien jaar maar eens op tijd in de auto te krijgen. Ik ben bijna altijd gehaast, kan me daardoor moeilijker concentreren.

Daarnet was ik mijn sleutels kwijt. Gelukkig zag ik ze liggen in het haardoosje, maar voor hetzelfde geld lagen ze in de vriezer.”

Hoe bestrijdt u die chaos?

„Ik zoek het in versimpeling. Mijn kinderen mogen bijvoorbeeld niet op heel veel clubjes tegelijkertijd. Het is natuurlijk wel heel Goois om van de tennisvereniging naar muziekles te sjezen, maar ja, dan ben ik maar geen Gooische vrouw. Ik ben ook niet spic en span, ik doe m’n keuken en de wc’s en verder kan het hier een enorme bende zijn, we zitten hier wel eens in een afgebrand dorp. Ik ben Madam Rommelkont geworden.”

Van vrienden kreeg u onvoldoende steun, zo schrijft u in uw boek. De titel klinkt cynisch: ’Je mag mij altijd bellen’. Ze belden zelf niet?

„Van alle goede vrienden heb ik er nog één over, de rest is verworden tot kennissen. Sommigen belden wel, maar dan kregen ze mijn antwoordapparaat. Niet iedereen begreep dat ik het met drie kinderen zo druk heb, dat ik meestal pas om half tien zit.

Het zinnetje ’Je mag mij altijd bellen’ is goed bedoeld, maar in die zwarte periode kón ik niemand bellen. Als de ander ervan uitging dat ik hem of haar niet nodig had omdat ik niet van me liet horen, verwaterde op die manier de vriendschap.

Wie mij wilde steunen, moest er gewoon zijn. Om koekjes te bakken met de kinderen, de kamer te helpen versieren voor hun verjaardagen, na het eten een kop koffie te drinken en een grotemensengesprek te voeren. Daar hebben de meeste mensen, zeker die met gezinnen, geen tijd voor.”

Vroeg u het ze wel? Belde u vrienden met de vraag: Komen jullie koekjes bakken?

„Nee, de investering kwam niet van mijn kant. Ik had al m’n concentratie en kracht nodig om m’n gezinnetje overeind te houden. Ik was zo op mezelf gericht, niet uit egocentrisme, maar omdat ik het anders niet redde. Alles stond in het teken van zijn dood.

Misschien kun je de rouwperiode wel vergelijken met de tijd na een bevalling: dan ben je ook volledig in beslag genomen door jezelf en je kind, en is er weinig ruimte voor iets anders.”

Weduwen en weduwnaren zijn een ’lastig volkje’, zegt u zelf. Stelt u niet te hoge eisen aan vriendschap?

„Nee, dat geloof ik niet, ik ben vrij mild. Ik wás teleurgesteld in vrienden, toen ik rouwde kon ik me moeilijk in hen verplaatsen. Maar nu zie ik wel degelijk dat mensen goede redenen hadden om weg te blijven.

Ik heb bijvoorbeeld een oude schoolvriend, die kinderen kreeg toen Karel ziek werd. Hij is die zorgvader die mij niet belt, omdat hij met één kind op de heup loopt terwijl hij probeert het andere kind een boterham met pindakaas te laten eten.

Wat ik verlang van vriendschap, is dat je dingen met elkaar deelt. En dat lukt in sommige perioden gewoon niet, dat moet je accepteren. Ik zie vriendschappen niet als statisch, vrienden kunnen kennissen worden en andersom.”

U toont nu begrip voor de vrienden die er niet waren. Maar bent u niet ook een beetje boos op ze?

„Ik leg de verantwoordelijkheid voor vriendschap bij beide partijen neer. De verweduwde mens kan niet gaan zitten en zeggen: nu blijkt wie mijn werkelijke vrienden zijn. Je moet die bozigheid laten varen, ze komen er niet door terug. Ik heb zelf in het verleden ook steken laten vallen, en nog...

Naar aanleiding van de publicatie van mijn boek hebben vrienden van vroeger overigens weer contact met me opgenomen. Met sommigen is de oude basis stevig genoeg om verder te gaan.”

Was u voorbereid op het verlies van vrienden? Of dacht u: mij overkomt dit niet?

„Aan het eind van Karels leven heb ik met angst gekeken naar de periode die voor me lag, want we zijn toen al veel mensen kwijtgeraakt. Als iemand drie maanden ziek is, dan gaat het nog wel, maar langer houden veel vrienden het niet vol. Ze hebben drukke levens, en vinden het bovendien heel moeilijk om te zien hoe hun beste vriend doodgaat. Dat zie je vooral bij mannen: als die volschieten, dan lopen ze de kamer uit.

Sommige vrienden zeiden: ’We willen graag binnenkort komen’. Twee maanden later waren ze nog niet geweest. Dat heeft Karel wel pijn gedaan, dat zijn vrienden wegbleven. Hij was zelf zo trouw, dit had toch de tijd moeten zijn om te oogsten... ’Ach, ik begrijp het wel’, zei hij, maar dat was ook omdat hij gelimiteerde energie had en niet in verbittering wilde blijven hangen.

Maar toch: op het laatst was hij licht geshockeerd en eenzaam, alsof hij al was uitgegumd. Hij dacht dat mensen hem twee weken na zijn dood wel vergeten zouden zijn. ’Nou ja, jij niet’, zei hij dan.”

En, zijn de mensen hem vergeten?

„Nee, zeker niet. Laatst kwam ik een oude vriend tegen, en die zei: ’Ik moet toch zo vaak aan Karel denken’. Dat geloof ik. En al die vrienden die wegbleven toen Karel ziek was, kwamen wel heel droevig naar de crematie. Hun verdriet was en is echt en oprecht.”

Uw kinderen vragen nog geregeld naar die oude vrienden, blijkt uit uw boek.

„Ja, dat klopt. Zij snappen niet waar al die mensen van vroeger gebleven zijn. Ze missen de gezelligheid, ze willen niet alleen met mij een eilandje zijn, ze willen ook een netwerk.

Het is een van de grootste schades die zij hebben opgelopen: dat vriendschappen zo onzeker zijn. Zelf hebben ze beste vriendjes, voor hun gevoel is dat voor het hele leven. Nu hebben ze gezien dat dat bij volwassenen niet zo is, en dat maakt ze onzeker.”

U maakte in de rouwperiode ook veel nieuwe vrienden. Waar vond u die?

„Door wat ik tijdens Karels ziekte had gezien, maakte ik me geen illusies. Ik ben meteen het internet op gegaan, op zoek naar lotgenoten. Nu heb ik veel nieuwe weduwvriendinnen. Volgende week gaan we met z’n vijven naar de sauna. Dat wordt niet droevig hoor, onze mannen komen wel een keer voorbij, maar we praten vooral over nu.

Het fijne van lotgenoten is dat je zo weinig hoeft uit te leggen. Gewone vrienden die thee komen drinken, denken er niet aan om hun kopje naar de keuken te brengen. Dat neem ik ze helemaal niet kwalijk, vroeger vond ik dat ook totaal niet belangrijk. Maar mijn weduwvriendinnen snappen wel dat je als solo-ouder soms weinig energie hebt, dat de bende maar moeilijk te beteugelen valt. Die pakken gewoon zelf even een bordje uit de kast om voor hun én mijn kinderen een boterham te smeren.”

De dood van uw man zette niet alleen uw vriendschappen op scherp. Hoe is uw relatie met uw schoonfamilie?

„Ik heb mezelf al vrij gauw na Karels dood teruggetrokken, door met mijn kinderen een paar maanden naar Australië te gaan. Dat was voor mij heel goed: reizen is iets positiefs, ik kon mijn leven weer voor een deel zelf vormgeven. Die reis heeft me geholpen in mijn rouwverwerking.

En tja, op bezoek bij mijn schoonouders... Het ging gewoon niet. Dan zat ik daar en dan voelde ik me zo afschuwelijk. We zaten allemaal met ons eigen verdriet en hadden weinig over om elkaar te troosten. Rouw is wat mij betreft een soort depressie, en depressieve mensen kunnen elkaar moeilijk opbeuren.

En daarbij: hoe rouw je om iemand met wie je geen huis meer deelt? Karels ouders moesten hem bij mij zoeken, maar dan kwamen ze hier en vonden ze hem toch niet... Het irriteerde sommige familieleden dat ik Karels urn hier op het achterplaatsje heb gezet, en niet op een plek die zij ook konden bezoeken. Ik had daar totaal niet bij stil gestaan toen ik dat besloot. Ik wilde de urn gewoon niet in een urnenmuur.

Ik vind het wel heel fijn als ze me verhalen vertellen over Karel als klein jongetje. En als ze er zijn voor de kinderen. Dante is trouwens een regelrechte confrontatie met hun en mijn gemis. Hij lijkt zo op Karel, hij is zowat een kloon. ’t Is net of ik niet bij de verwekking betrokken ben geweest.”

Hildi en Ruth Glastra van Loon, Karels zussen, leverden een bijdrage aan ’Rouw in de zijlijn’, een bundel van verhalen van zussen over het verlies van een broer of zus. Heeft u hun verhalen al gelezen?

„Nee, daar ben ik nog niet aan toegekomen. Maar ik vind het heel goed dat er ook aandacht is voor de rouw om een volwassen broer. Veel mensen nemen dat verdriet niet zo serieus. Ze vragen mij: ’Hoe vaak zag je hem nou?’ Maar een broer is deel van je eigen geschiedenis, het zijn jouw genen die zijn overleden. De balans in het oude gezin is helemaal weg.”

U bent weer verliefd geworden, schrijft u in ’Je mag mij altijd bellen’. Hoe is het met u en uw partner?

Aarzelend: „Ik heb die relatie weer afgerond, maar schrijf dat maar niet op. Mensen ontlenen veel hoop aan het feit dat verliefd worden überhaupt weer mogelijk is. En die hoop wil ik ze niet ontnemen....

Nou ja, ik leg het toch maar even uit. Karel was ook emotioneel heel sterk, we konden zoveel met elkaar delen. Ik heb met name gescheiden mannen gedatet, en laat ik het zo zeggen: ik ben niet onder de indruk van hun communicatieve en sociale vaardigheden.

De kinderen vinden het heel jammer dat het uit is, die vonden het wel gezellig dat hier geregeld een man over de vloer kwam. Maar ja, ik ben toch liever een single met kinderen.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden