Karen Armstrong

Karen Armstrong (Worcestershire, Engeland, 1944) wordt gezien als 'een van de meest vooraanstaande commentatoren van religieuze kwesties in de wereld'. Armstrong was van 1962 tot 1969 non, studeerde nadat ze het klooster had verlaten in Oxford en werd daarna onderwijzeres. In 1981 werd ze tv-presentatrice en schreef ze haar eerste boek: 'Door de nauwe poort', een verslag van haar jaren in het klooster. Sindsdien zijn er tien boeken over de grote godsdiensten van haar hand verschenen.

IGij zult de here uw god aanbidden en hem liefhebben met geheel uw hart, geheel uw ziel en met al uw krachten

Ik was zeventien toen ik het klooster in ging, op zoek naar God. Ik stelde mij Hem als een wezen voor, als iemand met wie ik -als ik lang genoeg zou bidden -in contact zou kunnen komen, maar het is me nooit gelukt. Hoewel ik mij nu urenlang kan concentreren bij het schrijven van mijn boeken, kon ik mijn gedachten er toen, tijdens de meditatie, nog geen fractie van een seconde bij houden. De eerste tijd nam ik het mezelf nog kwalijk -wat deed ik verkeerd? -maar toen ik na zeven jaar het klooster verliet, was ik ervan overtuigd dat God niet bestond. Jaren later, toen ik met de research voor 'Een geschiedenis van God'begon, begreep ik pas goed hoe onbeholpen, hoe na’‘ef mijn godsbesef was geweest. Voor mij is het woord God inmiddels veel te beladen, ik noem de momenten waarop ik me plotseling diep geraakt voel -de seconden van ontzag, van wonderlijke verrukking -intimations of holyness, tekens van heiligheid. Het overkomt me als ik aan mijn schrijftafel zit, als ik muziek hoor of een mooi gedicht lees. Zo zou theologie moeten zijn. Ja, theologie zou een gedicht moeten zijn. O, zeker, er zijn mensen die God ontmoeten tijdens het gebed, voor hen werkt het kennelijk wel op die manier, maar als het je bekrompen, gewelddadig of zelfs oorlogszuchtig maakt, is het een slechte religieuze ervaring. Volgens mij draait het uiteindelijk allemaal om compassie. Als we meeleven met de ander, als we het goddelijke in onze medemensen erkennen, kan iedere ontmoeting 'heilig'zijn.Nee, ik heb geen enkele behoefte ergens bij te horen. Hoe meer ik over religies te weten kwam, hoe meer ik ervan overtuigd raakte dat ze onmogelijk allemaal de Waarheid konden prediken. Iedere stroming kent haar eigen kracht, haar eigen tekortkoming. De kracht van de katholieke kerk school, wat mij betreft, in de liturgie. Die was prachtig, vormend en ondersteunend. Ja, daar kan ik nog wel eens naar terugverlangen, maar het is voorgoed voorbij. Tegenwoordig spelen ze gitaar en zingen ze 'Jesus loves you, yeah, yeah, yeah.'Goed, er zijn katholieken die het Gregoriaans weer willen horen in de kerk, maar’‘ nee, ik kan onmogelijk terug. Wat moet ik met een paus die zegt dat er maar één weg naar God mogelijk is? Iemand die beweert dat alle mediaaandacht voor priesters die kinderen seksueel misbruikt hebben niet meer was dan een poging de katholieke kerk in diskrediet te brengen? O nee, ik wil beslist niet tegen de paus ten strijde trekken! Ik geloof niet in vechten. Bovendien is het aan de katholieken zelf om zaken in hun kerk te veranderen. Ik heb er niets meer mee te maken. Ik ben een buitenstaander.’‘

IIGij zult de naam van de heer uw god niet zonder eerbied gebruiken

‘‘ Als ik overwerkt, gefrustreerd of ongeduldig ben, kan ik, zonder mij schuldig of beschaamd te voelen, Gods naam zonder eerbied gebruiken. Ik ben al te lang op reis om nog 'stemmetjes'te horen. Er is geen echo meer, ik hoor de kerkklok niet meer slaan. Een vloek brengt niets bij mij teweeg. Geen opluchting, geen schuldgevoel, niets.’‘

IIIGij zult de dag des heren heiligen

‘‘ Het is gezond en zinvol om een dag per week te rusten en daarvan te genieten, maar ik kan mij daar de laatste tijd niet aan houden. Ik word, vooral sinds 11 september, steeds maar weer voor lezingen over religie, over de islam, gevraagd en als er een keer een rustdag in mijn schema is opgenomen staat er altijd zoiets als 'Vlucht naar Los Angeles'achter de schuine streep. Maar ja -iemand moet het doen. Een missie? Ja, zo zou je het wel kunnen noemen. In de westerse cultuur doen veel leugens en ontkenningen over de islam de ronde. Daar wil ik iets tegenover stellen. Het liefst in boekvorm, want ik hou helemaal niet zo van die lezingen. Ik ben in wezen heel verlegen, zit het liefst alleen thuis te schrijven. Echt, ik móet weer eens naar huis. Ik wil lezen, ik wil schrijven, ik móet mij weer een tijdje kunnen opladen. Maar goed, dan heb ik ook mijn zieke moeder nog’‘ Ze woont niet bij mij in de buurt, dus dat betekent nóg meer reizen, nog minder tijd voor mezelf. Ja, ik vind het een behoorlijke belasting, maar ik kan haar toch niet in de steek laten?

IVEer uw vader en uw moeder

‘‘ Ik wil je wel vertellen -de kans dat mijn moeder dit ooit zal lezen lijkt me nihil -dat onze relatie uiterst ongemakkelijk is. Ik doe echt mijn best haar te eren, maar het kost mij vreselijk veel moeite. Dat komt, denk ik, doordat mijn moeder zelf een beschadigd persoon is. Haar moeder was een alcoholist. Alcoholisme is altijd problematisch, maar mijn oma zou er, in onze tijd, in ieder geval met mensen over hebben kunnen praten. In de jaren '30 was dat onbestaanbaar. Mijn moeders oudere zuster liep in haar jeugd zo'n deuk op dat ze later, zomaar ineens, haar kinderen in de steek liet - en bij ons achterliet. Mijn moeder was iets verstandiger, maar nu ze oud en ziek is, zie ik alle angst, alle woede bij haar naar boven komen. Ze is boos op mij, boos op de mensen die haar verzorgen, boos op het leven zelf. Ze is onbeschoft en onredelijk, de schaamte voorbij. Ik heb een hekel aan de manier waarop ze haar ongenoegen uit, maar het is mij nu ook wel duidelijk dat ze altijd zo ongelukkig is geweest. Vroeger voelde ik mij schuldig, ik vond dat ik niet genoeg van mijn ouders hield. Nu zie ik dat het mijn schuld niet was, dat het niemands schuld was; dat mijn moeder ook maar werd opgezadeld met de misère van haar eigen ouders.Mijn vader was een heel ander wezen dan mijn moeder. Een onhandige, charmante man. Hij was handelaar in metaal, ging failliet maar leek daar niet echt onder te lijden.

Ik hield wel van hem, maar we waren gewoon geen hechte familie. Liefde zou iets vanzelfsprekends moeten zijn, maar het is vooral hard werken, onbaatzuchtig zijn, je proberen in te leven in een ander en mijn vader was daar niet zo goed in. Hij begreep niet waarom ik het klooster in ging en toen ik er uit kwam was ik zo getraumatiseerd dat er van een goed contact tussen ons geen sprake meer kon zijn. Niet lang daarna is hij, al op zijn zevenenveertigste, overleden.

Zijn vroege dood, het faillissement, haar jeugd -voor mijn moeder is het een opeenhoping van onrecht dat haar werd aangedaan. Dat maakt het ook zo moeilijk om met haar om te gaan. Als ik haar hoor klagen, denk ik aan al de mensen, wereldwijd, die het zo veel slechter hebben gehad. De Boeddha zegt dat het niet handig is om te denken zoals mijn moeder denkt. Het is niet goed of fout -ze is zoals ze is -maar het helpt je niet verder zo door jezelf geobsedeerd te zijn. Ik vind het verdrietig, ik heb met haar te doen, maar ik moet bekennen dat haar dood voor mij waarschijnlijk vooral een opluchting zal zijn.’‘

VGij zult niet doden

‘‘ Ik wilde niet sterven; ik wist niet hoe ik verder moest leven. Ik was al jaren in gevecht met een onduidelijke ziekte, geen dokter, geen psychiater kon mij helpen. Het was niet eens een weloverwogen keuze geweest, maar kennelijk had ik mijn dieptepunt bereikt: op een dag werd ik in het ziekenhuis wakker. Ik had te veel pillen geslikt en mijn maag was leeggepompt.

Terwijl ik daarvan lag bij te komen, probeerde ik mijn zegeningen te tellen: ik studeerde aan een van de meest gerenommeerde universiteiten ter wereld, had een zeker talent, kwam niets tekort -ik moest, met die ingrediënten - en zonder de zekerheid van het geloof -mijn eigen geluk gaan construeren. Het was zoals T. S. Eliot in zijn gedicht Ash Wednesday schreef: 'Omdat ik weet: tijd is voortdurend tijd/En plaats altijd en alleen maar plaats/En wat werkelijk is is werkelijk voor één tijd/En alleen maar voor één plaats/Verheug ik mij om de werkelijkheid/En verzaak ik het gezegende gelaat/En de stem/Omdat ik niet hopen kan terug te keren/Daarom verheug ik mij, want iets zal ik toch moeten maken/Dat mij vreugde laat.'

Nadat ik die beslissing had genomen, gebeurden er allerlei goede dingen, maar de grootste verandering in mijn leven werd door die ene diagnose teweeggebracht: ik bleek al jaren last van epilepsie te hebben. De sessies bij de psychiater, de korte opnames in klinieken; het was allemaal even zinloos geweest. Het enige wat ik nodig had was goede medicatie. Ik was niet eerder zo gelukkig geweest! Voor het eerst zag ik de toekomst.’‘

VIGij zult geen onkuisheid doen

‘‘ Toen ik vijftien, zestien was en geacht werd verkering te krijgen, kwam ik vaak door mijn ziekte in de problemen. Een geheugengedeelte van mijn brein was beschadigd en zo'n defect openbaart zich pas in de puberteit, als de hormonen gaan razen. Ik kreeg plotselinge angstaanvallen, kon schrikken van gewone, alledaagse dingen. Ik kon, bij wijze van spreken, naar een kop koffie kijken en me verbijsterd afvragen wat dat voor een griezelige, bruine vloeistof was. Hoe moet je relaties aangaan als je je eigen hersens niet kunt vertrouwen? Met die geschiedenis - en mijn tamelijk frigide familieachtergrond -was de overstap naar het celibaat niet groot, al moet ik zeggen dat de sfeer in het klooster wel heel erg ijzig was. Seks was natuurlijk uitgesloten -daar werd niet eens over gesproken -maar ook het sluiten van vriendschappen was niet toegestaan. Ik geloof dat de Engelse maatschappij in die naoorlogse jaren sowieso erg conventioneel en strikt was. De seksuele revolutie bracht daar uiteindelijk verandering in, maar die is aan mij voorbij gegaan. Toen ik in 1969 uit het klooster kwam, stapte ik een wereld die, in een paar jaar tijd, totaal veranderd leek te zijn. Ik herinner me dat vrienden mij ergens mee naartoe namen waar een paar jongens van mijn leeftijd muziek maakten. Ik probeerde boven de herrie uit te komen en riep: 'Wie zijn dit in godsnaam?”The Beatles!'antwoordden ze, onthutst. Zij waren hun 'bevrijders'geweest. En ik had nog nooit van die lui gehoord.’‘

VIIGij zult niet stelen

‘‘ Toen ik een klein meisje was, heb ik een penny, die ik op school in de kleedkamer had gevonden, gebruikt om de busrit naar huis mee te betalen. Er werd op school en in de kerk zo vaak over zonde gesproken, dat ik zeker wist dat dit er één was. Een doodzonde. Ik durfde er tijdens de biecht niet over te beginnen, waardoor ik een nieuwe zonde bedreef: heiligschennis. Ook tijdens de communie verzweeg ik de gestolen penny. En zo stapelden de zonden zich op; dat ene muntje werd een vreselijk kapitaal. Nee, ik heb het nooit opgebiecht, ik heb gelukkig op tijd ingezien dat het een volstrekt belachelijke gedachte was.’‘

VIIIGij zult tegen uw naaste niet vals getuigen

‘‘ De Boeddha zegt dat we altijd de waarheid moeten spreken, maar wat is precies de waarheid? Daar moeten we serieus over nadenken. Mensen spreken niet vaak de waarheid. Ze maken een verhaal grappiger, of vertellen het zo dat ze er zelf beter uit te voorschijn komen. De leugen is kennelijk nodig om onszelf te beschermen, te promoten of te verheffen.O, dat geldt zeker ook voor mij -ben beslist geen heilige -maar het blijft mijn doel mezelf in de waarheid te verliezen. Laat ik het zo zeggen: ik vind eigenlijk dat we minder moeten praten. Dat we stiller moeten zijn. Dat we langer moeten nadenken voor we iets zeggen. Ik vind dat we in een kletsmaatschappij leven, waarin iedereen voortdurend lucht lijkt te willen geven aan zijn emoties of ongefundeerde meningen over van alles en nog wat. Al dat geluid draagt alleen maar bij tot een steeds grotere kluwen van leugens.

Ik geloof dat we, in onze tijd, een flinke dosis Socrates kunnen gebruiken, die schreef dat we alles wat wij voor de waarheid houden aan een kritisch onderzoek moeten onderwerpen, omdat we anders een ongepast en oppervlakkig leven leiden. Een leven zonder introspectie is, volgens Socrates, niet de moeite waard geleefd te worden.’‘

IXGij zult geen onkuisheid begeren

‘‘ Niet alleen The Beatles waren mij vreemd toen ik uit het klooster kwam: álle mannen waren een soort buitenaardse wezens. Het kostte mij een paar jaar om ze te leren kennen. Daarna brak een wilde periode voor mij aan. Het waren de jaren zeventig -iedereen sliep met iedereen -maar op een gegeven moment dacht ik: waar ben ik eigenlijk mee bezig? Ik vond het een vermoeiende bezigheid. Bovendien hadden mannen de nare gewoonte mij zomaar ineens neer te halen, dan riepen ze dat ik lelijk was of zo belabberd kookte. Ik denk dat ze zich, zeker in die tijd, heel ongemakkelijk voelden in de buurt van slimme vrouwen. Zolang ik mijn leven niet op orde had en een bang, onzeker meisje was, ging het prima, maar toen het beter met mij ging en duidelijk werd dat ik niet de allerdomste was, wisten ze zich met mij geen raad meer.

Ik heb vriendschappen met mannen gesloten, maar meer dan dat hoeft het voor mij niet te zijn. Ik ben nu bijna zestig, de mannen van mijn leeftijd hebben toch de neiging de baas te spelen en ik zit niet te wachten op zo'n kleine dictator in huis die gaat zeggen hoe laat we naar bed gaan en wat we de volgende ochtend voor het ontbijt zullen eten.’‘

XGij zult niet begeren wat uw naaste toebehoort

‘‘ Toen ik nog schooljuf was, kon ik jaloers zijn op vrienden die academici waren geworden; wat had ik eigenlijk gepresteerd? Ik herinner me dat ik op de ochtend van mijn vijfenveertigste verjaardag wakker werd met het gevoel dat het leven onopgemerkt aan mij was voorbijgegaan. Ik had voor niemand iets kunnen betekenen en ik dacht, in alle eerlijkheid, dat niemand mij zou missen als ik op een dag ergens in een of andere verlaten mijnschacht zou vallen.

En nu’‘ als ik een vliegtuig mis, zorgt de uitgever ervoor dat ik toch nog op tijd ben voor die ene lezing in Amsterdam. Ze boeken een hotelkamer met uitzicht op de gracht, alles wordt voor me betaald. Ik vlieg de hele wereld over, heb overal vrienden. Het is mij gelukt anderen te helpen, soms weet ik mensen op andere gedachten te brengen -alles valt op zijn plaats. Soms lach ik naar mezelf in de spiegel en denk: wie had dat gedacht? Mijn leven is een grote joyride!

Ja, ik heb geluk gehad, maar het is ook iets anders: ik ben op zoek gegaan naar wat ik werkelijk wilde met mijn leven. Wat gaf mij voldoening? En hoezeer het mij ook werd afgeraden -'Godsdienst is niet sexy!', 'Niemand is erin ge’‘nteresseerd, Karen!”Je zult er niets mee verdienen!'-besloot ik mijn eigen koers te varen, niet toe te geven aan wat wel of niet in de mode was, en te schrijven over religie. Ik ben daardoor uitgekomen in het centrum van mijn leven en daarmee misschien zelfs in de kern van het leven zelf. Hier heb ik mijn geluk gevonden. Ik ken geen groter genoegen dan te schrijven, te lezen, te denken over religie, over God. In de trein, in het vliegtuig, voor ik ga slapen: altijd zijn die gedachten er.

Waarschijnlijk leef ik nu het leven dat ik ooit in het klooster wilde leiden. Ja, alleen de stilte ontbreekt en dat is juist de paradox: hoe meer ik mij probeer terug te trekken uit de wereld, hoe meer ik word opgezocht door mensen die de waarheid zoeken. Ze hebben hun werk, hun familie en niet de tijd om, bijvoorbeeld, tot op de bodem uit te zoeken waar de islam precies voor staat. Soms denk ik: O, in 's hemelsnaam, laat me met rust! Maar ik denk ook aan de Boeddha, die zei dat de mens, na zijn verlichting, terug moet keren naar de markt om zijn compassie voor alle levende wezens in praktijk te brengen. Bovendien: ik neem niet alle uitnodigingen aan, ik stel prioriteiten. Alleen voor belangrijke dingen kom ik naar buiten.’‘

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden