Karel Lotsy: regelneef van de Nederlandse sport

Lotsy (rechts) met de atleet Tinus Osendarp bij de Spelen in Berlijn, 1936. (Trouw) Beeld
Lotsy (rechts) met de atleet Tinus Osendarp bij de Spelen in Berlijn, 1936. (Trouw)

Karel Lotsy was een begeesterende sportbobo. Tijdens de bezetting ging hij door met regelen. Met collaboratie had het weinig te maken.

’Als Lotsy sprak voelde ik me nietig’, zei voetballer Faas Wilkes. „Hij maakte je dronken met zijn woorden. Als je later aan me gevraagd zou hebben: ’Wat heeft hij nou eigenlijk gezegd?’, dan zou ik het niet weten. Het leek een soort hypnose.”

Sportbestuurder Karel Lotsy was een begenadigd spreker. Misschien zat dat ’m inderdaad niet in de woorden, maar in de overtuigende manier waarop hij ze naar voren bracht. In een tijdperk zonder haptonomen en sportpsychologen zweepte hij teams op. Mental coaching, zoals aan de vooravond van de interland Nederland-Ierland in het voorjaar van 1934: „Kerels, denkt erom, 't is aan jullie om ons grote ideaal, ons doel waarmede wij drie jaar geleden aanvingen, namelijk Nederland uit 't voetbalmoeras terugbrengen op 't eerste plan, te verwezenlijken. Zet zondag de kroon op 't werk, strijdt tot de laatste seconde voor de eer van dat kleine landje aan de zee, dat ons allen zo innig dierbaar is.”

Als voetballer was Karel Lotsy (1893-1959) bepaald geen hoogvlieger, blijkt uit de biografie die Frank Kolfschoten over de man schreef. Hij keepte in het vijfde en het zesde van het Haarlemse HFC. Lotsy had andere kwaliteiten: als regelaar en al snel als bestuurder. Op zijn 24ste benoemden de HFC-leden hem tot hun voorzitter. Opmerkelijk, gezien zijn leeftijd, maar ook gezien zijn woonplaats. De nieuwe preses was verhuisd naar Dordrecht waar hij werkte bij ’de Holland’, de verzekeringsmaatschappij van zijn oom.

Lotsy groeide uit tot de machtigste man van de Nederlandse sportwereld: KNVB-voorzitter, bestuurslid van de FIFA, lid van het Nederlands Olympisch Comité en chef de mission tijdens diverse Olympische Spelen. Zijn arbeid droeg vrucht: sport werd steeds populairder.

Kolfschoten, die eerder boeken schreef over voetbal, de Amsterdamse Beethovenstraat en bedrog in de wetenschap, ging op gedegen wijze de gangen van Lotsy na. Soms zou je als lezer willen dat hij nog net wat meer was losgekomen van de notulen en andere stukken om nog duidelijker de sportwereld van weleer te laten zien. Fraai is bijvoorbeeld Kolfschotens schets van de klasssentegenstellingen binnen het Nederlandse elftal in de jaren twintig van de vorige eeuw. In de trein op weg naar een interland wees een speler die zijn brood verdiende als machinebankwerker kaartende teamgenoten uit betere kringen op een fout. Die vonden dat niet fijn en wensten bovendien met ’meneer’ aangesproken te worden.

Kolfschotens nuchtere aanpak veegt wel overtuigend de vloer aan met alle grootinquisiteurs die Lotsy postuum als collaborateur veroordeelden. Al voor de oorlog waarschuwt deze voor de vermenging van sport en politiek. Die waren volgens hem ’als water en vuur, zij behoren niet bij elkaar’. Met die gedachte in het achterhoofd en met de aanname dat alleen samenwerkende sportorganisaties de bezetter tegenwicht konden bieden, ontpopte Lotsy zich na mei 1940 nog meer dan voorheen als een pleitbezorger van eenheid. Hij werd sportadviseur van de bezettingsautoriteiten en trad toe tot een College van gevolmachtigden.

Hoewel na de oorlog gezuiverd van blaam, moest het optreden van Lotsy tijdens de oorlog het vanaf eind jaren zeventig in toenemende mate ontgelden. De belangrijkste publicaties die daar aan bijdroegen waren een bijlageverhaal van Barend en Van Dorp in Vrij Nederland en het proefschrift ’In de pas’ over sport tussen 1940 en 1945 van André Swijtink. Rammelend bronnenonderzoek en tunnelvisie maakten dat deze auteurs en hun vele navolgers niet te rechtvaardigen conclusies trokken.

Tegelijkertijd is Kolfschoten zelf iets te mild voor Lotsy. De auteur noemt hem een zeiler die het schip van de sport in veilige haven wil brengen. Iemand die bereid was om voor de goede zaak een eind in de door de bezetter gewezen richting te varen, maar die afhaakte als het echt de verkeerde kant op dreigde te gaan. Voor dat laatste had Lotsy, gezien zijn ervaring en statuur, echter meer antenne moeten hebben. Hij had bijvoorbeeld moeten zien dat de door hem zo nagestreefde eenheid voor de Duitsers mogelijkheden bood om de sportwereld te controleren en eventueel gelijk te schakelen.

In een sceptische recensie van Swijtinks in zwart-wittinten geschilderde proefschrift kwam oud Trouwredacteur Ruud Verdonck tot de conclusie dat Lotsy niet ’echt fout’ handelde tijdens de bezetting. „Het is allemaal een beetje mistroostig menselijk”, concludeerde hij. Die indruk overheerst ook na lezing van Kolfschotens boek over Lotsy. Bij 's mans eerzucht en regelkwaliteiten hoorden ook enig opportunisme en naïviteit. Grijs, noemen we dat tegenwoordig.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden