Karel en het verdriet van Feyenoord

Bladzijde uit een fotoboek van de auteur. Rechts op de foto: Karel de kat. (FOTO'S JÿRGEN CARIS)

„Feyenoord is decennialang de zekerheid in mijn leven geweest”, schrijft Trouw-redacteur Adri Vermaat. De onttakeling van de voetbalclub berooft hem daarvan. „Als supporter ga je de oorzaak van deze misère bij jezelf zoeken.”

In de Donkerslootstraat, waar ik opgroeide, heerste in de jaren zestig, zeventig van de vorige eeuw een echte Feyenoordsfeer. Dat kon haast niet anders. Alleen de ’luchtbrug’, zoals het viaduct over het treinspoor in de volksmond heet, scheidt de woonwijk Hillesluis van dat grote, machtige stadion De Kuip.

Op zondagen zag je rond één uur ’s middags mannen de voordeur achter zich dichtslaan om naar weer een overwinning van Feyenoord te gaan kijken. Sommigen hadden eerst de traditionele ochtendmis bezocht in de Kruisvinderskerk op de Beukendaal. Voetbal was in die jaren een mannenbezigheid. Alleen kapper Jan van Saus ging altijd met zijn vrouw, met de groen-witte kartonnen seizoenkaarten van vak V veilig opgeborgen in zijn suède jasje.

In de straat woonde één Spartafamilie. Vader Vrijdag, een vriendelijke buschauffeur van de RET, was een oer-Spartaan. Op een sneeuwerige zondag nam hij mij zelfs eens mee naar Eindhoven, waar zijn Sparta tegen PSV speelde (1-1). Zijn zonen Hans en Jan traden in het voetspoor van hun vader. Maar vooral Hans, de jongste van beiden en mijn beste jeugdvriend, had moeite om de verleidingen van het sterrendom van Feyenoord te weerstaan. Ook de niet te onderschatten uitstraling die de Kuip op jongens van elf, twaalf jaar nu eenmaal had, speelde hierbij een rol.

Vaak stonden we in vak S, een staanvak dat onder het jeugdige supportersdeel behoorlijk populair was. Van een gewelddadige kern was nog geen sprake. In S stonden soms zelfs supporters van de tegenpartij, zonder dat de opponenten hiermee hun leven riskeerden. Toen bij Feyenoord-ADO – een wedstrijd die op een zaterdagmiddag werd gespeeld en die onze club met 3-1 won – een Hagenaar brutaal juichte, tikte Hans Vrijdag hem op de schouder: „Hee broer, een beetje rustig hé”. Dat hielp.

Pas veel later ben ik mij gaan realiseren dat Feyenoord zekerheid bood in het leven. Op de mulo kregen we les in Engels en aardrijkskunde van meneer Hof, een straatgenoot die een al even fanatieke aanhanger van de club was. Als er eens onverhoopt werd verloren, kwam hij op maandagmorgen met een pestbui de klas binnen. Dat gaf herkenning, zekerheid en het schiep een band.

In onze buurt woonden allerlei helden. Manager Guus Brokx woonde bij ons in de straat. Net om de hoek huisde Hans Venneker, die zich op 29 november 1964 bij het Legioen onsterfelijk maakte door vijf (5) keer te scoren tegen, toen al, aartsrivaal Ajax (9-4 werd het). Limburger Gerard ’Pummie’ Bergholtz woonde in bij een hospita aan de Beukendaal, terwijl naderhand legendarische Feyenoorders als Ove Kindvall, Rinus Israel en Ernst Happel voor de nabijgelegen wijk Lombardijen kozen.

Als je bij deze Europese sterren thuis aanbelde en bij hen om een handtekening jengelde, gaf de aaibaarheid waarmee zij dit verzoek inwilligden, je voor jaren zelfvertrouwen. Ik keek geweldig op tegen Coen Moulijn, Frans Bouwmeester, Eddy Pieters Graafland, noem ze op. Maar op het moment dat je oog in oog met hen stond, waren zij nuchtere voetballers, eenvoudige mannen. Eerzuchtig, trots op hun Feyenoord, gespeend van sterallures.

Op de Groene Hilledijk en omgeving had je meerdere cafés en winkels, die iets met Feyenoord hadden. Van de eerste categorie waren Spork en De Heinekensbron belangrijke exponenten. Als Feyenoord kampioen was geworden, zag je aan vensters van woonhuizen in de omgeving van de Bree Feyenoord-vlaggen uitgestoken en bij banketbakkerij Van der Stelt kocht je voor deze gelegenheid bijzonder rood-wit gebak. De winkel van Toon Groffen was gespecialiseerd in clubartikelen.

Aan mijn kant van het bed staat nóg een van mijn ouders cadeau gekregen koperen scheepstoeter, vijftig jaar geleden een populair attribuut om achter de doelen geluid mee te fabriceren.

Zelf heb ik het ding nooit naar het stadion meegenomen. Bij belangrijke wedstrijden, zoals voor de Europa Cup in de jaren zestig en zeventig, blies ik thuis op ons balkon, uit bijgeloof, drie keer achtereen op deze toeter. Dat gaf in het donker, met de lichten van de Kuip die aan de overkant over de huizendaken gloeiden, een onoverwinnelijk gevoel. Meteen na deze handeling trok ik mijn jas aan, riep ’ciao’ en voegde mij tussen de duizenden die over de luchtbrug naar de Kuip gingen.

Op 8 september 1965 riep ik, net twaalf, niet eens ’ciao’. Feyenoord speelde tegen Real Madrid en het stadion, dat destijds 63.000 bezoekers kon bergen, zou ook zijn volgestroomd als er 180.000 plaatsen waren geweest. Zonder kaartje op het voorplein van de Kuip vroeg een man in een lichte regenjas, een veertiger in mijn beleving met Brylcreem in zijn achterover gekamde haar, of ik soms een kaartje had. „Nee”, antwoordde ik. „Het spijt me”. Waarop deze onbekend gebleven man, die weldoener, mij een kaartje in de handen drukte en alleen maar zei: „Nou, dan heb je er hier één”.

Gevoelsmatig verstevigde die geste de band met de club enorm. Vooral omdat ik bij thuiskomst van mijn ongeruste ouders de wind genadeloos van voren kreeg.

Feyenoord is decennialang die zekerheid in mijn leven geweest. Oók eind jaren tachtig, begin jaren negentig, toen hoofdsponsor HCS failliet ging en het voortbestaan van de club, althans voor de grote boze buitenwereld en al helemaal voor die lamlendige media, in gevaar leek.

Natuurlijk was de situatie ernstig, maar in werkelijkheid wist iedereen op Zuid dat de club niet kapot kon. Jorien van den Herik pompte een paar miljoen gulden in de club. Hij ontpopte zich als de grote leider en werd voorzitter. Vanaf die tijd, maar dat is toeval, gingen mijn vrouw en ik ook naar vrijwel alle uitwedstrijden. Ook in Europees verband, dit laatste tot idioten zich zo wezenloos misdroegen dat je je, niet voor het eerst, schaamde Feyenoordsupporter te zijn.

Slechts een enkele keer viel de laatste twintig jaar iets in de Kuip te vieren. Het laatste landkampioenschap dateert van elf jaar geleden. Op 8 mei 2002 won Feyenoord, dit dan weer wel, als laatste Nederlandse club een Europese beker: de UEFA Cup. Dat was ook de laatste keer dat ik, voorafgaande aan die in de Kuip gespeelde finale, drie keer vanaf het balkon op de toeter heb geblazen. Hierna ging het de club minder, met als pijnlijk dieptepunt de rellen in Nancy. We gaan nog steeds zonder aarzeling iedere week naar Feyenoord. Ook naar de uitduels, al rijd je al lang meer niet voor je plezier naar Alkmaar, Groningen of Enschede. Het is meer omdat je ’moet’.

Varkenoord, de kraamkamer van Feyenoord, is veel aantrekkelijker om op zaterdag heen te gaan. Daar zag je de afgelopen jaren talenten als Georginio Wijnaldum, Leroy Fer, Ricky van Haaren, Stefan de Vrij, Bruno Martins Indi en Luc Castaignos opgroeien tot waar zij nu zijn: De Kuip. Dat maakt het Feyenoordleed meteen zoveel schrijnender. Jaren wacht je op een doorbraak van de jeugd, en als die er eindelijk is, lukt er niets bij die jongens en klinkt er boegeroep. Van hun vrolijke voetbalbuien op Varkenoord is niets meer over. Bij uitwedstrijden van het eerste stappen ze steevast als aangeslagen boksers uit de spelersbus. En dan moet er nog gevoetbald worden!

Zonder ervaring kunnen de jonge jongens niet veel op het hoogste podium. De druk van het trouwe, maar kritische Legioen is te groot. „Werken voor je kankergeld”, scandeerde de harde kern na die 10-0 voor Philips. En: „Schaam je kapot”.

Die jongens van achttien, negentien jaar willen al te graag, maar ze missen het plezier, de routine, de koelbloedigheid en hierdoor de kwaliteit om wedstrijden naar hun hand te zetten. Zij horen nog op Varkenoord, in de schaduw van de Kuip. Om te rijpen, te leren, stijfgevloekt te worden door de trainer en frivool te zijn op momenten dat dit kan.

Behoudens Varkenoord, geeft Feyenoord al lang geen zekerheid meer. De Donkerslootstraat en omgeving is geen bolwerk meer van de volksclub Feyenoord. De structuur en de bevolkingssamenstelling van de wijk zijn veranderd. Feyenoordwinkels zijn er niet meer op de Groene Hilledijk en de Beijerlandselaan. Het gros van het Legioen komt van buiten de stad, uit Dokkum of de Achterhoek, of uit Zierikzee.

Rond onze vaste tribuneplek slaat de twijfel genadeloos toe. Supporters die al jaren naar de Kuip gaan, aarzelen of zij hun seizoenkaart zullen verlengen. Dick, die links van mij zit, vraagt zich telkens hardop af of een grote inzamelingsactie perspectief biedt voor de club. Hij wil best zelf het initiatief hiertoe nemen en is niet de enige. Maar er gebeurt niets. Over de oorzaken van de crisis lopen de meningen uiteen. Maar de teneur van de discussies is: „Jongens, dit moet niet te lang duren, anders houdt het op”.

Als supporter ga je onder deze omstandigheden de oorzaak van de misère bij jezelf zoeken. Na de verpletterende nederlaag tegen PSV van zondag, sprak ik mijn vrouw er opnieuw op aan. Want, hoe gek waren we zes jaar geleden niet om uit een asiel in nota bene Eindhoven een kater weg te halen en die te nestelen op onze vensterbank langs de Nieuwe Maas.

Hij heeft sindsdien in de verte frontaal uitzicht op de lichtmasten van de Kuip.

Een kat uit Eindhoven was de goden verzoeken, waarschuwde ik destijds. Na het als intens ervaren verlies tegen PSV zijn de gevolgen van het negeren van deze waarschuwing bekend tot in Canada, stond in een meedogenloos krantenartikel. Maar in haar antwoord bezwoer mijn vrouw dat ik voor altijd mijn mond moest houden over dit, via een zoektocht op internet verkregen, knuffelbeestje. Als het erop aankwam, zou ik eerder buiten de deur staan dan hij, waarschuwde zij nog.

Aanhankelijk en prettig in de omgang is Karel zeker, maar het pijnpunt met hem is dat Feyenoord sinds zijn komst in Rotterdam in een peilloze diepte is gestort. Naarmate hij de vensterbank meer koestert, worden de berichten uit de Kuip zorgelijker. Onze club kampt met een schuld van veertig, vijftig miljoen euro. Met een handvol competitiepunten zit zij financieel en sportief volledig aan de grond. Uitzicht op enig herstel is er niet of nauwelijks. De woorden ’potentiële geldschieters’ kan ik niet meer horen. Vijftien jaar geleden deden al verhalen de ronde over havenbaronnen die de club wel eens even uit het moeras zouden tillen. Het enige dat je sindsdien concreet uit deze hoek vernam was een veroordeling van zo’n meneer – nog wel de voormalige directeur van het Havenbedrijf Rotterdam – wegens malversaties.

Degradatie, faillissement, het kan dit Feyenoord zomaar overkomen. Het gunstigste scenario is nog dat de Kuip volgend seizoen met gemiddeld 25.000 supporters is gevuld. In dat geval leeft de club immers nog en speelt ze ook in de eredivisie. Bovendien zouden in dat geval ’slechts’ vijftienduizend mannen, vrouwen en kinderen na dit seizoen zijn afgehaakt. Want wat er ook gebeurt: het aantal verkochte seizoenkaarten zal drastisch dalen. Die kaarten gingen afgelopen zomer al sterk in prijs omhoog, op de duurste vakken zelfs met honderd euro. Met de prestaties van dit seizoen in ogenschouw, kun je niet verwachten dat modale Rotterdammers zich opnieuw kleren, schoenen, vakanties, beleg of de broodnodige wasautomaat ontzeggen om voor veel geld naar, voor Feyenoord onwaardig voetbal te gaan kijken.

Maar ja, je bent Feyenoorder en zoals Gerard Cox eens opmerkte ben je dat niet voor de lol. Neem onze vaste buurman en metgezel bij uitwedstrijden, een geweldige supporter die, anders nog dan wij, op een doordeweekse dag naar Deurne, Veendam of Emmen rijdt als zijn club daar een of ander niemendalletje voor de beker afwerkt. Deze man is eerder aan zijn hart geopereerd en heeft wat omleidingen. Zijn vrouw, die niet van voetbal houdt, waarschuwt hem elke week als hij naar Feyenoord gaat dat hij zijn leven ’vergooit’. In zijn linkerbroekzak zitten de pillen die wij onder zijn tong moeten leggen, als het hem tijdens de wedstrijd teveel wordt. Hij praat vóór iedere wedstrijd over ’appeltje, eitje’ en erna predikt hij voornamelijk ’hoop’. Heel af en toe mompelt hij ook iets over ’het lek boven’ en ’schiet mij maar lek’.

Hartstochtelijke supporters als hij zijn er bij Feyenoord veel. De club is doorspekt van sentimenten. Deels ligt dit besloten in de rijke historie, met kampioenschappen, successen in de Europese voetbaltoernooien en bekerwinsten. Maar ook de sociale achtergrond speelt een voorname rol in de clubbeleving. Feyenoord, toen nog Feijenoord, wás een club van en voor arbeiders, havenwerkers die zich kapot zeulden om op zondag naar hun club, hun ’uitje’, te gaan. In het stadion scheppen energie opdoen voor een nieuwe, zware werkweek.

Feyenoord was de gelijknamige wijk, en Sportdorp, Hillesluis, Vreewijk, Bloemhof, Charlois en Katendrecht. Soms rauwe, ogenschijnlijk onverschillige mensen, zoals je die in Rotterdam nog vaak tegenkomt. Vloeken en schelden als beesten, maar als het er op aankomt, tonen ze een klein hart. Dat zie je terug op de tribunes van de Kuip. Geen hartstocht zo groot, als in dat stadion. Als één man achter de club, als één man bij een minder resultaat de spelers, trainer en directie verrot schelden.

Naast ons in het stadion zit al jaren Jan (81) uit Rijswijk. Wij noemen hem thuis ’Churchill’ omdat hij in een gelijknamige laan woont én omdat hij een geweldige Feyenoorder is. Wat hem bijzonder maakt is dat hij door wind, regen en kou met het openbaar vervoer naar zijn club komt, ook als er ’s avonds wordt gespeeld en de temperatuur tot onder nul is gedaald. Zijn liefde voor Feyenoord bestaat hieruit, dat hij verbaal soms aan zondagsontheiliging doet en dat hij altijd een ’goed gevoel’ heeft. „Ik denk vandaag echt dat ze winnen”, zegt hij vooraf, om na afloop stilletjes de trein op te zoeken. Tot aan dit seizoen trakteerde hij zichzelf, bij winst en eenmaal thuis, op een borreltje. Maar de zeges zijn zo spaarzaam, dat hij tegenwoordig ook bij verlies een glaasje neemt. Anders, redeneert hij, komt die fles nooit leeg.

Hoop. Een deel van het Legioen heeft nog hoop, een ander deel ziet het niet meer zitten. Zelf neig ik naar de laatste categorie. Feyenoord is verworden tot een oude, weerloze vrouw, die na een achterbakse duw van achteren is gestruikeld en niet zelf meer overeind kan. Zij ligt op haar rug en onderwijl blijven boze krachten op haar intrappen en schoppen. Het vrouwtje ondergaat haar lot moedig. Feyenoord doet dit ook. Maar in beide gevallen wenden de hulpverleners hun blikken af.

Na Feyenoord - FC Twente (0-1) verliet ik voor het eerst van mijn leven met tranen van verdriet de Kuip. Na het drama van Eindhoven kan ik ’s nachts de slaap slecht vatten. Doen de directeuren Eric Gudde en Onno Jacobs straks zelf het licht uit, als de club definitief kapot is, denk ik, terwijl ik, met Karel in de vensterbank, in de duisternis naar de vage lichtmasten van het stadion staar? Gooit perschef Raymond Salomon er in dat geval nog een stukkie uit naar de media? Krijgt het Legioen excuses aangeboden voor het financiële en personele wanbeleid, dat zo kenmerkend is geworden voor ons Feyenoord en dat na het wegjagen van Jorien van de Herik werkelijk angstaanjagende vormen heeft aangenomen?

Ik hoor supporters en vooral niet-supporters in het land roepen: „Feyenoord kan niet kapot”. Met een steen op mijn maag verwijs ik naar een andere inmiddels overleden en begraven gigant van Rotterdam-Zuid, ooit landskampioen bij de zaterdagamateurs, het roemruchte Zwart Wit ’28. Die prachtige club, het ’Feyenoord van het amateurvoetbal’, ging zes jaar geleden door wanbeleid failliet en werd op 24 februari 2004 opgeheven. Ouwe, trouwe gedienden van de club, oer-Zwartwitters, houden nog regelmatig een reünie.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden