Karel de Grote, Mozes en de goddeloze lijkverbranding

De auteur is oud-kunstredacteur van de Kwartetbladen.

Het is een gedachte achteraf om het besluit van niet te cremeren te onderbouwen. Men gaat dan wel voorbij aan al die ordentelijk begravenen, die na verloop van tijd door de wormen tot humus zijn verwerkt en onnaspeurbaar van de aardbodem zijn verdwenen. Ook wordt er niet gelet op de velen die hun einde haalden zonder begraven te zijn en op het veld verslonden zijn door wilde dieren en zo tot faecalien zijn gereduceerd. Ook degenen die op de bodem van de zee verzonken zijn en aldaar tot niets werden verzwolgen; om niet te spreken van de ongelukkigen die bij een brand om het leven kwamen en wier as verwaaide.

Zou er voor die allen die door het onheil der spoorloosheid getroffen werden, geen wederopstanding meer mogelijk zijn? Dat is amper aannemelijk. Maar dan ook voor ordentelijk gecremeerden geen bijzondere uitzondering gemaakt!

Het komt mij voor dat het besluit van Karel de Grote veeleer is ingegeven vanwege de botsing van twee culturele (c.q. religieuze) tradities. In de joods-christelijke cultuur gold het begraven; in de Saksische het cremeren.

Als Karel de Grote de Saksen onderwerpt en bekeert (d.i. hij stelt ze voor de keus: de Doop of de dood) blijven velen Wodan trouw en kiezen voor de dood. Als Karel dan verneemt dat de overgebleven (nu christen geworden) Saksen hun dode familieleden verbranden, is hij ontdaan over zulk heidens gebruik en vaardigt in 785 in zijn paleis te Paderborn zijn edict uit: 'Wie volgens heidense gewoonte een dode verbrandt en zijn beenderen verast, krijgt de doodstraf!' Karel de Grote had besloten nu eens goed ernst te maken met het christendom en het door te drukken 'op alle terreinen des levens; in school, staat en maatschappij'. Hij wilde een tweede David zijn, een koning naar Gods hart.

Hij streefde er daarom naar, de wetten die Mozes had uitgevaardigd voor staat en maatschappij (legis usus civilis - het burgerlijk gebruik van de wet) zo goed en zo kwaad dit kon uit te voeren. Zo kwam er een goede taakverdeling tot stand: de staat beoefende het Oude Testament met de wet en luisterde naar Mozes; de kerk het Nieuwe met het Evangelie en luisterde naar Jezus. De staat kreeg het zwaardrecht, want de kerk mocht geen bloed doen vloeien maar diende de barmhartigheid te verkondigen.

Het verbod tot crematie komt geheel overeen met wat Mozes terzake geleerd had. Lijkverbranding was in de ogen van Mozes een verschrikkelijke schanddaad. Lees er bij voorbeeld Leviticus op na: Lev. 20: 14: 'En wanneer een man eene vrouw en hare moeder zal genomen hebben, het is eene schandelijke daad; men zal hem en diezelve met vuur verbranden, opdat geene schandelijke daad in het midden van u zij'. Geen lijkverbranding dus, behalve als straf voor hem die zijn schoonmoeder beslapen heeft (en tegelijk ook maar voor die schoonmoeder).

De Saksen waren met hun cremeren afschuwelijk heidens bezig. Vandaar het verbod van 785, dat zich heel lang in de Europese cultuur heeft weten te handhaven. Meer dan duizend jaar.

De opvattingen van Mozes hebben hun achtergronden. Israel heeft van oudsher tot de begravende volkeren behoord. Jakob en Jozef lieten zichzelf zelfs balsemen; een Egyptisch oergebruik dat zij graag overnamen. Zoals tevoren Abraham de besnijdenis van de Egyptenaren had overgenomen.

Prediker zegt, dat de dode mens 'naar zijn eeuwig huis' gaat (d.i. naar het graf). Hij vervolgt, Prediker 12: 7, 'en dat het stof wederom tot God keert, Die hem gegeven heeft'. Deze tekst bevat een herinnering aan Genesis 2 7 'En de HEERE God had den mensch geformeerd uit het stof der aarde, en in zijn neusgaten geblazen den adem des levens; alzoo werd de mensch tot eene levende ziel'.

Zo kan dan later Eva zeggen na de geboorte van haar eerste zoon, Kan: 'Ik heb eenen man van den Heere verkregen!'

De Talmoed sluit hierop aan (in het boek Nidda, d.i. de Menstruerende en betrekking hebbende op leven en dood). Nidda 31 a:

'Onze Meesters leerden: Drie nemen deel aan (de wording van) een mens: De Heilige, geloofd zij Hij, zijn vader en zijn moeder. Zijn vader zaait het witte, waaruit de botten bestaan, de zenuwen, de nagels, de hersenen in zijn hoofd en het wit in het oog. Zijn moeder zaait het rode, waaruit de huid bestaat, het vlees, de haren en het zwart in het oog. De Heilige, geloofd zij Hij, schenkt hem de geest, de ziel, de uitdrukking van het gezicht, het zien van het oog, het horen van het oor, het spreken van de mond, het gaan van de voeten, inzicht en verstand. Zodra zijn tijd gekomen is om uit de wereld heen te gaan, neemt de Heilige, geloofd zij Hij, Zijn aandeel weg; het deel van zijn vader en van zijn moeder laat Hij echter voor hen achter. Raw Pappa zei: Dat is het waarom de mensen zeggen: Schudt het zout uit en gooi het vlees voor de hond!'

Hoewel een dode onrein was en wel zo onrein dat er naar voorschrift van Mozes speciaal een geheel rode koe geslacht moest worden, verbrand en met haar zorgvuldig opgeveegde as een mengsel bereid moest worden waarmee men zich had te reinigen (ontzondigen) omdat andere reinigingsmiddelen faalden (Numeri 19:11, na aanraking van een dode was men zeven dagen onrein), toch is het aandoenlijk te zien hoeveel respectvolle zorg men in Israel aan het begraven besteedde.

Van oudsher was er in een joodse gemeenschap wel een 'chevra kadisha', een heilige vereniging van (meestal) vooraanstaande lieden, die vrijwillig de verzorging van de dode, de uitvaart, de teraardebestelling en de liturgische verrichtingen bij het rouwproces op zich namen; maar bovendien de gelden ervoor beschikbaar stelden, zodat zelfs de armsten een ordentelijke begrafenis kregen.

Wat vooral een diepe indruk maakt, is het grote respect dat een dode te beurt valt als hij in zijn eeuwig huis is bijgezet. Nimmer mag zijn graf beroerd worden, want al was de dode onrein, nooit mag vergeten worden dat dit lichaam eens de drager was van de Roeach JHWH, de levensadem Gods: eens was dit lichaam het huis van Gods Geest; laat thans het graf het onaantastbare huis zijn voor deze dienaar Gods.

In deze geindustrialiseerde tijd - en dat heeft het artikel van de heer Steenhuis schrijnend in het licht gesteld - is de dood helaas een economisch consumptieartikel geworden. Er hangt 'een prijskaartje' aan. En niet zo mis ook. Hadden we nog maar 'heilige verenigingen', die de kosten drukten en deze de armen geheel uit handen mamen. Maar niets is meer 'heilig' in onze tijd. De uitvaartindustrie floreert en maakt het begraven tot een koffiepraatje met nog maar een (bange) vraag: Is er nog koffie na de dood? En zo ja: is de koffie van de concurrent niet beter?

Ten slotte wordt begraven of cremeren definitief beslist door de uitkomst van het onderzoek naar de grootste milieubelasting van deze twee, uiteraard afgewogen tegen het meest economische kostenplaatje.

Deze ontwikkeling evenwel kan nimmer in de bedoeling gelegen hebben van Mozes, noch van Karel de Grote, die Mozes zo graag wilde navolgen.

Deze ontwikkeling (de commercialisering, en niet naar men menen mocht, de crematie) is een even gigantische als goddeloze ontsporing.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden