Kanttekeningen bij Regtien

Deze zomer publiceert Letter & Geest historische documenten uit de jaren zestig en zeventig. Met o.a. Hans Achterhuis, Abel Herzberg, Jacques de Kadt, Roel van Duijn en Joke Kool-Smit. Vandaag Karel van het Reve die in 1969 kanttekeningen plaatste bij studentenleider Ton Regtien: 'Hij schijnt te denken dat er een kapitalistische scheikunde, natuurkunde, taalkunde bestaat. Dat is een even dwaze gedachte als de gedachte van de nazi's dat er een joodse natuurkunde bestaat, of de bigotte sovjetgedachte dat ware wetenschapsbeoefening slechts mogelijk is op basis van het marxisme-leninisme.'

door Karel van het Reve

De internationale opstand der studenten heeft vele kenmerken van een echte revolutie. Een revolutionaire vergadering van studenten van de London School of Economics, die ik enige maanden geleden bijwoonde, deed mij nergens zo aan denken als aan plaatjes en verslagen van de vergaderingen van de Sovjet van Petrograd tussen februari en oktober 1917. Ook de verbijstering in het kamp der machthebbers herinnert sterk aan een echte revolutie. Dezelfde mensen die het ene ogenblik woedend worden en vinden dat het gedonder nu eens uit moet zijn, laten zich het volgende ogenblik ontvallen dat ze die studenten toch eigenlijk wel aardig en sommige van hun eisen niet onredelijk vinden. Lieden die twee jaar geleden niet toestonden dat eerstejaars op hun college vragen stelden bezoeken hen nu in het Maagdenhuis. Kenmerkend is ook de bijna algemene sympathie met de revolutionairen, de tegenzin om iets kwaads te zeggen van wat zij doen, ook als men wat zij doen als verkeerd beschouwt.

Typisch is ook de geweldige opwinding, waarmee de revolutionairen steeds dezelfde uitspraken herhalen, kennelijk met het gevoel dat ze iedere keer iets nieuws en belangrijks zeggen, en de ontzaglijke vaagheid van die uitspraken. In het boek van Ton Regtien 'Universiteit in opstand' komt ergens de volzin voor 'Politiek bedrijven wil zeggen vorm geven aan de omgeving waarin gewoond en gewerkt, kortom geleefd wordt'. Er is geen televisiedominee die hem dat verbetert. Maar zo'n dominee gebruikt dergelijke in het geheel niets betekenende zinnen omdat hij schnabbelt voor zijn gezin. Ton Regtien en vele van zijn aanhangers geloven oprecht dat die zin een betekenis heeft.

Men kan tegen dit alles aanvoeren dat deze revolutie niet meer is dan een revolutie in een glas water. Het zijn tot dusverre alleen de universitaire autoriteiten die aan het wankelen zijn gebracht, en geen autoriteit ter wereld is gemakkelijker aan het wankelen te brengen. De universiteit immers beschikt slechts over één middel om het gezag van het universiteitsbestuur te handhaven: de vrijwillige onderwerping aan dat gezag van alle betrokkenen. Daarentegen heeft iedere school een repressief apparaat. Iedere leraar of concierge is tegelijk politieagent, met een hele scala van strafmaatregelen: vermaning, strafwerk, in de hoek staan, naar de rector gestuurd worden, schoolblijven, van school gestuurd worden. De universiteit kent eigenlijk geen strafmaatregelen.

Zelf ben ik een aardig voorbeeld van de verbijstering onder de vertegenwoordigers van het ancien régime. Ik heb nooit een mening gehad hoe een universiteit eigenlijk bestuurd en hoe het onderwijs geregeld behoort te worden. Ik ken de literatuur over het onderwerp niet. Alle mij door de Academische Raad toegezonden stukken vernietig ik ongezien, want ik heb secretaresse noch opslagruimte om die stroom van in slecht Nederlands gestelde gestencilde papieren te verwerken.

Ik heb geen twist met de oude universitaire orde. Maar ik heb er ook niets tegen als die veranderd wordt. Zelfs het meestemmen van een vertegenwoordigster van de schoonmaaksters van het academiegebouw bij de benoeming van een ordinarius voor egyptologie wil ik accepteren - het goede mens weet van het vak tenslotte weinig minder dan ik.

Het eerste en tot dusverre enige boek dat ik over de studentenrevolutie heb gelezen is dat van Ton Regtien, die mij door zijn portret onmiddellijk tegen zich innam. Tevergeefs hield ik mezelf voor dat Carmiggelt, die er op zijn foto's uitziet als een recidivist (kleine oplichterijen, pogingen tot zedenmisdrijf) volgens allen die hem kennen een oppassend huis- en grootvader is. Regtien ziet er uit als een overjarige scholier die op zijn twaalfde nog in de vierde klas zit, daar kleine jongetjes pest, door de juffrouw gestraft is en nu het gezicht van de vermoorde onschuld zet dat in zulke gevallen zo dikwijls kan worden waargenomen. Zijn tv-optreden maakt dezelfde indruk. Maar het kan best zijn dat hij een heel goede inborst heeft, al zou je dat uit zijn boek niet opmaken. Het is helemaal geschreven in de verongelijkte toon van de hierboven geschetste jongen.

Hij is voor socialisatie der produktiemiddelen en gelijkmaking der inkomens (de universitaire revolutie interesseert hem alleen als middel tot een politieke en economische revolutie). Zijn argument voor die socialisatie is dat 'produktie het resultaat van teamwork' is, een duidelijk non sequitur, dat hij ook op de wetenschap toepast: 'De vernietiging van de maatschappelijke realiteit van kennis als koopwaar, de socialisering van de kennis, houdt in dat onderwijs en onderzoek door de betrokkenen zelf bepaald gaat worden: zelfbeheer'.

Waarom eigenlijk? Het kan best wezen dat onderwijs en onderzoek beter door de 'betrokkenen' 'bepaald' (wat dat dan ook betekenen moge) kunnen worden. Maar niet op deze gronden. Op deze gronden immers kan men beweren dat de verkeersregeling door de automobilisten en de dosering van geneesmiddelen door de patiënten moet worden 'bepaald'. Het wil mij veeleer voorkomen dat als ik een boek schrijf of een college geef, de inhoud van dat boek of dat college door mij bepaald moet worden en niet door Ton Regtien of door Geert van Oorschot of door mijn studenten of door de mensen op Geerts kantoor of wie nog verder bij dit 'teamwork' 'betrokken' zijn.

Een aardig voorbeeld is ook zijn argument tegen Drees jr., die heeft betoogd dat invoering van studieloon zou neerkomen op het investeren van geld in jonge mensen uit de beter betaalde bevolkingsgroepen, terwijl dat geld in hoofdzaak moet worden opgebracht door de minder betaalde groepen, waarvan de jongelieden (kleine zelfstandigen bijvoorbeeld) hun investeringen niet van de staat krijgen uitgereikt. Deze redenering, zegt Regtien, 'is flagrant in strijd met de maatschappelijke werkelijkheid: de student verricht arbeid die maatschappelijk noodzakelijk is'. Maar is de arbeid van iemand die tussen zijn 18de en 25ste jaar ploetert om een groentezaakje op te zetten niet maatschappelijk noodzakelijk?

Ander voorbeeld: 'Doel van deze actie (het plan, in februari 1969, om het Maagdenhuis te bezetten - vhR) was, duidelijk te maken dat alle van bovenaf geprogrammeerde discussies over de nieuwe structuur van de universiteit, alle toch zo uiterst constructief aandoende overlegsituaties en de bij herhaling beleden bereidheid van ministeriële en universitaire overheden de studenten werkelijk te betrekken in de besluitvorming, een grote fopspeen waren gebleken.'

Kijk, dat is niet waar. Een bezetting maakt dat helemaal niet duidelijk. Men maakt meningen niet duidelijk door bezetting van een gebouw. Men maakt alleen maar duidelijk dat het mogelijk is dat gebouw te bezetten, en dat een vrij groot aantal studenten het min of meer eens is met de meningen van de bezetters. Maar de juistheid van die meningen wordt door zulk een bezetting niet aangetoond. Als ik Ton Regtien met een hamer de schedel insla toon ik daarmee aan dat zijn optreden althans bij één academicus wrevel wekt, dat ik iemand ben die ter bescherming van de openbare orde beter achter slot en grendel gezet kan worden, en dat de schedel van Regtien niet tegen een flinke klap met een hamer bestand is. Maar óf mijn opvattingen over Regtien juist of niet juist zijn, daarover verschaft het inslaan van zijn schedel geen enkele informatie. Het bestormen van de gebouwen van het Springer-concern bewijst evenmin iets ten nadele van de door dit concern uitgegeven periodieken als de moordaanslag op Dutschke iets ten nadele van 's mans denkbeelden bewijst.

In de Verenigde Staten is volgens Regtien 'de wetenschap tot blind instrument van een misdadige politiek' geworden. 'Het is toch uiterst politiek te noemen dat de taleninstituten aan de Amerikaanse universiteiten waar Vietnamese dialecten worden bestudeerd als paddestoelen uit de grond zijn geschoten. En de grammaticale deskundige die zich op dit vakgebied toelegt, zonder te weten of te erkennen dat hij binnen de context van de historische actualiteit bezig is met een totaal politiek werkterrein, is ofwel een bekrompen vakidioot ofwel iemand die niet openlijk toe wil geven dat hij de politiek van Johnson-Nixon met hart en ziel is toegedaan.' (p. 52)

Men lette hier op de Leninachtige redenering: het zou best kunnen zijn dat menige linguist die zich op kosten der Amerikaanse regering met de talen van Vietnam bezighoudt zeer aarzelend staat tegenover de Amerikaanse oorlog in Vietnam, of het er maar half mee eens is, of helemaal niet, en daarom in zijn maag zit met de eventuele bijdrage van zijn studie tot die oorlog - maar nee: hij is of een bekrompen vakidioot of meteen iemand die het met hart en ziel met die oorlog eens is.

Dat bij het financieren van de wetenschap de behoefte aan bepaalde specialisten een rol speelt wil nog niet zeggen dat de beoefenaren van zo'n wetenschap op een 'totaal politiek werkterrein' bezig zijn als blinde instrumenten. Zolang de Amerikaanse regering die onderzoekers op hun eigen wijze de talen van Vietnam laat bestuderen, is er naar het mij voorkomt sprake van vrije wetenschap. Dat die wetenschap betaald wordt door de overheid is onvermijdelijk, evenals het feit dat de resultaten van die wetenschap door allerlei slechte mensen en instellingen kunnen worden gebruikt. Wil men dat vermijden dan kan men beter alle wetenschappelijk onderzoek stilleggen - waar dan trouwens ook weer door slechte mensen gebruik van kan worden gemaakt. Er kan van die resultaten trouwens ook door anderen gebruik worden gemaakt. De grammatica's en woordenboeken die het resultaat zijn van de door de Amerikaanse regering gestimuleerde studie van de talen van Vietnam stellen bijvoorbeeld Regtien in staat (als hij tenminste niet te beroerd is om te leren) althans de krantenkoppen van de te Hanoi en Saigon verschijnende bladen te ontcijferen - toch wel nuttig lijkt me, voor iemand die zoveel uitspraken over dat land doet.

Van beperking van de wetenschappelijke vrijheid is pas sprake als het beoefenen van bepaalde wetenschappen onmogelijk wordt, zoals in Rusland lange tijd het geval was met de algemene taalwetenschap en de genetica, en zoals dat nu goeddeels het geval is met de geschiedenis of de literatuurwetenschap. Wanneer beoefenaren der wetenschap gedwongen worden van bepaalde beginselen uit te gaan en tot bepaalde conclusies te komen, zoals dat in het huidige China het geval is. Wanneer een citaat uit de Bijbel of uit Lenin of Mao bewijskracht wordt geacht te hebben, kortom, wanneer men overgaat tot de door Regtien gepropageerde politisering der universiteit.

Het is erg jammer, en het kan op den duur desastreuze gevolgen hebben, dat een vrij groot aantal leden der universitaire gemeenschap niet inziet dat de eis, dat de universiteit geen vakidioten moet opleiden, maar maatschappijkritiek moet bedrijven, een bedreiging inhoudt van de vrijheid van wetenschap. Het is de taak van de universiteit om juist wel vakidioten te maken. Maatschappijkritiek, de gedachten van voorzitter en stuurman Mao, het groeten van de Amerikaanse vlag, maatschappelijk verantwoordelijkheidsgevoel, Deutschtum, christelijke en maatschappelijke deugden, proletarisch internationalisme, strijd tegen het grootkapitaal, oranjeliefde, waakzaamheid tegen het internationale jodendom en dergelijke zaken kunnen iemand elders worden bijgebracht. De wetenschap wil juist vakidioten, en probeert de vrijheid die de maatschappij haar toestaat te gebruiken om die vakidioten op te leiden. Einstein was wel niet zo bekrompen als Regtien, maar hij was wel degelijk een vakidioot.

Het is vooral de vrijheid der wetenschap die Regtien kennelijk een doorn in het oog is. Net als Lenin het met de persvrijheid doet, durft hij niet te zeggen dat hij eigenlijk een tegenstander van die vrijheid is. Hij beperkt zich er toe het bestaan van die vrijheid te ontkennen. Als in de Sovjet-Unie wetenschapsbeoefenaren ageren tegen de beperkingen van die vrijheid - en daarbij hun vrijheid en soms hun leven op het spel zetten - dan noemt hij hun actie een actie voor 'schijnliberaliteit'.

Hij schijnt te denken dat er een kapitalistische scheikunde, natuurkunde, taalkunde bestaat. Dat is een even dwaze gedachte als de gedachte van de nazi's dat er een joodse natuurkunde bestaat, of de bigotte sovjetgedachte dat ware wetenschapsbeoefening slechts mogelijk is op basis van het marxisme-leninisme.

Dit is een bekorte versie van 'Kanttekeningen bij Regtien' dat, met tekeningen van F. Behrendt, verscheen in 1969 en werd gebundeld in 'Marius wil niet in Joegoslavië wonen' (Amsterdam, Van Oorschot, 1970).

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden