Kansrijk neemt kansarm op sleeptouw

Leerlingen van de Nijmeegse basisschool De Wieken (Koen Verheijden) Beeld
Leerlingen van de Nijmeegse basisschool De Wieken (Koen Verheijden)

De ideale, gemengde klas bevat 30 procent kansarme en 70 procent kansrijke kinderen. Goede leerlingen gaan in zo’n klas niet onder de zwakke gebukt, zeggen onderwijskundigen. Maar is dit echt zo?

Neem Ahmed en Sanne, allebei vier jaar oud. Ahmed is een typisch achterstandskind: zijn moeder heeft alleen lagere school, zijn vader doet productiewerk in een fabriek. Ook al is Ahmed een slim ventje, toch maakt hij minder kans op een glansrijke schoolcarrière dan Sanne.

Want Sannes vader is architect, haar moeder huisarts. Dit kansrijke meisje groeit op met kunst aan de muur, boeken in de kast en ouders die al sinds haar babytijd met haar praten: ’Welke appel is het grootst?’, ’Pak jij die rode beker even uit de kast?’

Het verschil tussen de twee kleuters wordt niet bepaald door hun etniciteit, maar door het opleidingsniveau van hun ouders. Hoe hoger dat is, des te groter de onderwijskansen van een kind, zo weten sociologen, leraren en beleidsmakers al vele decennia. Ook het antwoord op deze vraag is al lang bekend: hoe kan de achterstand van Ahmed (die ook Jayden of Rob kan heten) worden verkleind?

Dat antwoord luidt: door hem met Sanne in één klas te stoppen. Want hoe hoger het gemiddelde niveau in een klas, des te beter álle leerlingen gaan presteren. Dat komt onder meer doordat leerkrachten hun onderwijs vaak afstemmen op de gemiddelde leerling. Scholen met veel kansrijke leerlingen trekken bovendien vaak betere leraren aan. En kinderen leren ook van elkaar.

Waarbij meteen een andere, en voor hoog opgeleide ouders prangende vraag opduikt: wat betekent Ahmeds aanwezigheid in de klas voor de prestaties van Sanne? Of, iets anders geformuleerd: wanneer krijgen de kansrijke leerlingen ’last’ van hun kansarme klasgenoten?

In het debat over onderwijssegregatie klinken de laatste tijd deze getallen: 30 en 70. De ideale gemengde klas zou 30 procent kansarme leerlingen bevatten en 70 procent kansrijken. Ook de gemeente Nijmegen, die de segregatie wil bestrijden met een nieuw schoolkeuzesysteem, schermt met deze percentages.

Ze zijn afkomstig van Bowen Paulle, van geboorte Amerikaan en onderwijssocioloog aan de Universiteit van Amsterdam. „Er zijn steeds meer indicaties dat dit de ideale mix is”, zegt hij. „Die kansrijke 70 procent hoeft nauwelijks of helemaal niks in te leveren, terwijl de kansarmen beter gaan presteren.” Die indicaties, zegt Paulle, komen vooral uit de Verenigde Staten. Want in Nederland is nog maar weinig onderzoek gedaan naar het precieze omslagpunt.

Paulle haalt het bewijs voor de 30-70 mix onder meer uit het werk van onderzoeker Richard Kahlenberg, verbonden aan The Century Foundation in Washington. Kahlenberg pleit voor gemengde scholen, waarbij hij niet doelt op een mix van leerlingen uit verschillende etnische groepen, maar van arme en rijke kinderen. Tussen die twee gaapt in de VS een enorme kloof: arme (vaak zwarte) kinderen zitten op arme scholen en krijgen daar doorgaans veel slechter onderwijs dan hun meer bevoorrechte leeftijdsgenoten.

In 60 van de in totaal 14.000 Amerikaanse schooldistricten zitten arme kinderen nu met een meerderheid van modale of rijkere kinderen in de klas. En dat werkt, vertelt Kahlenberg per telefoon vanuit Washington: „De arme leerlingen en de Afro-Amerikanen doen het bijvoorbeeld in Wake County, één van die zestig districten, beter dan elders.”

Hun (kans)rijkere klasgenoten lijden hier niet onder, zegt Kahlenberg met grote stelligheid: „Zij presteren volgens verwachting, zolang ze maar in de meerderheid zijn. Uit onderzoek blijkt dat je maximaal 50 procent arme kinderen in een klas kunt hebben. Met 30 procent zit je aan de veilige kant.”

Maar zijn deze Amerikaanse resultaten zomaar over te hevelen naar de Nederlandse situatie? Dat is zeer de vraag, zegt onderwijskundige Geert Driessen van het Nijmeegse instituut ITS. Want in Amerika is arm ook écht arm: „Mensen liggen daar nog in de goot.”

Nederlandse scholen krijgen allemaal een vergelijkbaar budget van de centrale overheid, in Amerika komt het geld uit lokale belastingen. Dat betekent dat een Amerikaanse school in een rijk district ook echt meer financiële armslag heeft. „Een arme school in de Verenigde Staten is veel slechter dan een zwarte school hier”, aldus Driessen. Voor de kansarme Amerikaanse leerling is een gemengde school daarom ook een veel grotere sprong voorwaarts.

Driessen typeert de verhouding 30-70 als nattevingerwerk, waarvoor in Nederland (nog) geen wetenschappelijk bewijs is. Al blijkt uit de masterscriptie van Jolien van Haalen, die vorige zomer als sociologe afstudeerde aan de Radboud Universiteit van Nijmegen, wel dat goede achtstegroepers gemiddeld twee Cito-punten slechter gaan presteren als er veertig procent of meer kansarmen in de klas zitten.

Als de ideale mix van kansarm en kansrijk al bestaat, dan zou die bovendien best kunnen verschillen per vak, zegt Driessen. Voor taal zijn medeleerlingen bijvoorbeeld erg belangrijk: van hen leert Ahmed op dit terrein misschien wel meer dan van de juf. Maar bij rekenen doen klasgenoten er weer minder toe: legt de juf de stof goed uit, dan heeft Ahmed hun hulp helemaal niet nodig.

Driessen plaatst meer vraagtekens bij de stelling dat kinderen als Ahmed überhaupt profiteren van een meerderheid van Sannes in de klas. Hij deed de afgelopen jaren uitgebreid onderzoek naar het effect van de klassamenstelling op de schoolprestaties van de individuele leerlingen. Zijn conclusie: dat effect is zeer gering.

De school bepaalt sowieso maar maximaal twintig procent van de onderwijskansen van een leerling, zegt Driessen. Andere factoren spelen een veel belangrijker rol: de intelligentie van het kind, de opleiding van de ouders, het gezinsinkomen, het gezinsmilieu. Stimuleren ouders hun kinderen bijvoorbeeld om huiswerk te maken en hun best te doen?

Binnen de school zijn ook weer verschillende krachten te onderscheiden, zegt emeritus hoogleraar onderwijspedagogiek Jan Terwel. Zoals de pedagogisch-didactische onderwijskoers van het team én de talenten van die ene geniale of juist zwakke leerkracht. Pas daarna komt wat Terwel de ’klascompositie’ noemt: de mix van leerlingen. Die bepaalt volgens hem maar ’een fractie’ van de scores van de leerlingen.

Maar let wel, zegt Terwel, het gaat elk jaar om een fractie, en al die fracties bij elkaar opgeteld zijn wel degelijk belangrijk: „Het maakt verschil of ik in een domme klas of een knappe klas zit. Hoe beter mijn klas, hoe beter ik leer.” Dat betekent dat de gemengde klas voor Ahmed een stap vooruit is, al is die stap niet zo heel groot. Maar is dezelfde 30-70 klas ook ideaal voor Sanne?

Ja, zeggen voorstanders van de gemengde school, als je kijkt naar Sannes sociaal-emotionele ontwikkeling. Door naast Ahmed in de klas te zitten, wordt zij beter voorbereid op de multiculturele samenleving. En dankzij Jayden en Rob maakt de dochter van de huisarts kennis met kinderen uit andere sociale milieus.

Die 30-70 klas is ook toe te juichen vanuit een groter, maatschappelijk onderwijsideaal, zegt Terwel: dat van gelijke, of zo min mogelijk ongelijke kansen voor alle kinderen. „Ik sta voor honderd procent achter de gemengde school. Het is bijna misdadig om achterstandskinderen allemaal bij elkaar te zetten, en witte en zwarte scholen te laten ontstaan.”

En als er een goede docent staat voor zo’n gemengde klas, die oog heeft voor de verschillen, die zowel Sanne als Ahmed weet uit te dagen, dan is er volgens hem „best leerwinst voor iedereen te behalen”. Maar eerlijk is eerlijk, verzucht Terwel: „Die zeventig procent zou nóg beter af zijn als hun klas uit honderd procent kansrijken zou bestaan.”

Dat zegt ook Paul Jungbluth, onderwijssocioloog aan de Universiteit van Maastricht. Maar dat komt volgens hem niet doordat kinderen zoveel van hun leeftijdsgenoten leren. Maar doordat hoog opgeleide ouders zich gaan bemoeien met de organisatie van de school, de benoeming van leerkrachten, de buitenschoolse activiteiten: „Ze spekken die school soms ook stiekem. Scholen worden beter van zulke ouders.”

Maar wat moeten de vader en moeder van Sanne nu doen? Of de ouders van Fatima, die ook hoog opgeleid zijn? Kun je het ze kwalijk nemen als zij hun dochters toch naar dat eliteschooltje sturen? Nee, zegt Terwel: „Je kunt ouders nooit verwijten dat ze het beste zoeken voor hun kinderen. Maar de overheid moet ze een andere kant op sturen.”

Die moet volgens Jungbluth níet luisteren naar pedagogen die zeggen dat het voor alle kinderen – dus ook de (toekomstige) vmbo’ers – beter is om ’onder elkaar’ te zijn. Omdat scholen het pedagogisch-didactische klimaat, zo redeneren zij, dan helemaal kunnen afstemmen op die homogene doelgroep. „Dat is het politiek acceptabel maken van segregatie.”

Natuurlijk is het goed als leerlingen les krijgen op hun eigen niveau – en liefst iets daarboven. Maar professionele leraren moeten binnen één heterogene klas ook kunnen differentiëren, vindt Jungbluth: „Je kunt van hen verwachten dat zij zowel de kansarme als de kansrijke leerling voldoende bieden. En dus niet afzakken naar het gemiddelde niveau.”

Een gemengde school kan grote groepen kansrijke ouders vermoedelijk maar op één manier winnen, zegt hij: „Met uitstekende leraren, zodat je jouw vwo-kindje zonder risico in één klas kunt zetten met veertig procent kansarmen. Dat moet de school jou beloven. Dat is professionaliteit.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden