Kampioene in keurslijf

Kea Bouman won 80 jaar geleden Roland Garros op vleeskleurige sokken en werd plots een icoon van emancipatie. De eerste Nederlandse Grand Slam-kampioene komt in een boek weer tot leven.

Edward van Cuilenborg

Kea Bouman stapte met haar racket in het oog van de aandacht. Ongewild. Ze pionierde, omdat haar dagen alleen om tennis draaiden. Ze vocht haar eigen gevecht tegen de zenuwen. „Men denkt weleens dat het uitsluitend een pleziertje is om veel op wedstrijden te komen; men moest maar eens weten hoeveel inspanning dit vergt, hoe weinig men meester is over zijn tijd en hoe men zich soms physiek gevoelt na een zware match, waarin men zich tot het uiterste heeft moeten geven. Ik ben dan ook niet van plan, dit leven een groot aantal jaren voort te zetten, want voor alles wil ik toch wel graag ’gewoon mensch blijven’.”

Als allereerste Nederlander won Kea Bouman in 1927 een Grand Slam-toernooi – tot 1996 zou ze de enige blijven. Bouman vervulde vanwege haar succes een voorbeeldfunctie voor de vrouwenbeweging waar zij nooit om had gevraagd. Ze gaf het Nederlandse tennis internationaal aanzien en daarmee werd ze een pion in de emancipatie. In een tijd waarin de etiquette regeerde, durfde zij het aan om vleeskleurige sokken te dragen. Dat was gewaagd, omdat het net leek alsof haar benen bloot waren.

Sportieve vrouwen waren in de jaren twintig nog een curiositeit. De redactie van het tijdschrift De vrouw en haar huis schreef in 1927: ’De tijd waarin men te hoop liep om een dame op een rijwiel te bewonderen of er schande van te spreken, is gelukkig lang voorbij. Wielrennen en sport in het algemeen werden vrijwel overal als onvrouwelijke bezigheden beschouwd; het jonge meisje dat aan sport deed, gaf zichzelf daardoor een brevet van ondegelijkheid, waarmede natuurlijk verminderde huwelijkskansen hand in hand gingen.’

En van alle sporten was tennis nog wel het meest geschikt voor vrouwen, zo beschrijft het tijdschrift. ’Een van de eerste sporten, waaraan de dames ijverig zijn gaan deelnemen, is wel het lawn tennis, en het is waarlijk niet alleen meer dat schoolmeisje, de bakvisch of de ongetrouwde vrouw, die geregeld haar tennismiddagen of –avonden heeft, neen, ook de gehuwde vrouw heeft haar vaste uren voor de sport uitgetrokken. Sportiviteit is, in tegenstelling met de vroegere periode, in de waardeering van den man nu een aanbeveling voor het huwelijk geworden.’

Kea Bouman wilde dan wel een ’gewoon mensch blijven’, maar haar sportieve succes maakte dat moeilijk. De verwachtingen op en naast de tennisbaan benauwden haar. Kea maakte geen feministisch statement met haar kledingkeuze, in ieder geval niet bewust. Ze was een extraverte vrouw, uitbundig en enthousiast, die van een grapje hield. Het was haar hart geweest dat ze volgde naar de tennisbaan. Het zou haar lach zijn waar ze mee betaalde.

In de wetenschap dat titelverdedigster Suzanne Lenglen niet deelnam, reisde de 23-jarige Bouman in mei 1927 naar Parijs. Ook de opvolgster van Lenglen als ’s werelds beste, Helen Wills, ontbrak op de Open Franse tenniskampioenschappen. De overgebleven concurrentie was aan elkaar gewaagd. Via haar eeuwige rivale, de Duitse kampioene Friedleben, en twee op dat moment succesvolle Zuid-Afrikaanse speelsters bereikte Kea de eindstrijd. Daarin wachtte de Zuid-Afrikaanse Irene Peacock.

Bouman speelde niet perfect. Volgens de verslaggever van het Nederlandse tijdschrift Lawn Tennis nam ze in het begin van de wedstrijd de forehand veel te dicht bij zich en duwde ze haar backhand. Gelukkig voor haar was de vrouw aan de andere kant van het net evenmin op haar best. Halverwege de eerste set hervond Bouman haar slagen en dat gaf haar een ’sprekend overwicht’, aldus de verslaggever.

Ze behaalde haar overwinning in het Stade Français dat in de wijk Saint-Cloud lag. Een jaar later verhuisde het circus naar het Bois de Boulonge, waar het Stade de Roland Garros verrees (vernoemd naar een gesneuvelde piloot uit de Eerste Wereldoorlog). De glans van haar overwinning was er niet minder om.

Maar zelfs voor een kampioene bleek het onmogelijk om iedereen te vriend te houden. Een deel van het publiek zag haar liever nóg fanatieker, anderen hadden juist kritiek op het moderne tennis waar zij een uithangbord van was, getuige de mening van een columnist in een van de landelijke dagbladen.

’Persoonlijk heb ik het trouwens niets op die actiekieken begrepen; de tennisspeelster ziet er mij te bloeddorstig op uit, met haar zwaaiende armen, en oogen die glinsteren als die van een tijgerin. En ik heb mij wel eens afgevraagd, wat er moet omgaan in den verloofde van zulk een speelster als hij zoo’n foto ziet. Als de man een beetje verbeelding heeft, kan hij in plaats van het racket een koekepan in haar handen denken, en zichzelf in de plaats stellen van den bal.

De heele tennissport is tegenwoordig onwelwillend geworden, de tijden waarin het beleefd was den bal zoo gemakkelijk speelbaar mogelijk over het net te wippen, is voorbij, wie tegenwoordig gaat tennissen doet verstandig als hij eerst zijn testament maakt, en informeert of de ambulance wel bij de hand is.’

Als kind van haar tijd was Kea Bouman gevoelig voor dit soort kritiek. Al dan niet gestuurd door de buitenwacht liet ook zij zich leiden door wat kon en wat niet kon, door hoe het hoorde en hoe niet. Opvallend genoeg zou later John McEnroe haar favoriet worden. Zijn emotionele uitbarstingen begreep ze goed. „Deze man zit zo onder de zenuwen, die moet hij ergens op afreageren. Die stress is zo erg. Dat is nu zo, maar vroeger ook.”

Het zegt veel dat ze van McEnroe hield vanwege zijn fratsen en temperament. Zoon Lex verklaart: „Dat theater van hem bestond in haar tijd nog niet. Misschien zat moeder wel iets teveel in een keurslijf. Misschien had ze haar eigen uitbundigheid al die jaren op de tennisbaan moeten intomen.”

In 1928 verloor ze in de halve finale van de Open Franse kampioenschappen. Haar titel was ze kwijt en ze wist toen al hoe dat kwam: „Zoodra je een reputatie krijgt, speel je nooit meer voor je plezier. Dan wordt het een dure plicht. Je reputatie wordt een voortdurende druk, onder den wedstrijd. In Parijs nu ook weer. De voorspellingen in de bladen, dat ik winnen zou Ik was ’t zóó beu –ik kon er niets meer van! En dat geeft je in deze sport zulke buitengewoon sterke desillusies”.

Een bewerkt fragment uit: ’Achter de Baseline. De bijzondere levens van de twaalf grootste Nederlandse tennissers’, Edward van Cuilenborg en Esther Scholten. ISBN-nummer: 908096765-3, 39,50. Verschijnt binnenkort bij uitgeverij De Buitenspelers.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden