Kampdoden als pion

In het concentratiekamp Jasenovac in Kroatië werden in de Tweede Wereldoorlog tienduizenden, mogelijk honderdduizenden mensen vermoord, en niet door de nazi’s zelf. Maar de naoorlogse regimes hadden elk een eigen, voor zichzelf voordelig verhaal over de kampdoden. Pas nu is er een serieuze poging om de werkelijkheid over het aantal slachtoffers en hun lot te achterhalen.

Nicole LucasJasenovac en Kroatië

Op twee tegenover elkaar hangende beeldschermen rollen namen voorbij, in een schier eindeloze reeks. Er naar kijken maakt een beetje duizelig en dat is ook precies de bedoeling, zegt Djordje Mihovilovic.

Tienduizenden slachtoffers van een fascistische ideologie, onder wie bijna 20.000 kinderen jonger dan 14 jaar, worden op deze manier herdacht. „Het kost bijna elf uur om ze allemaal voorbij te zien komen.”

De jonge historicus geeft een rondleiding door het herdenkingscentrum van Jasenovac, een klein plaatsje in midden-Kroatië aan de oevers van de Sava-rivier. In dit gehucht begonnen Kroatische Ustasha’s eind juli 1941 met de bouw van een complex van concentratiekampen. Enkele maanden daarvoor hadden ze de Nezavisna Drzava Hrvatska (NDH) uitgeroepen, de Onafhankelijke Staat Kroatië, die behalve Kroatië ook het grootste deel van Bosnië omvatte. Ze deden dit met goedkeuring van de nazi’s. Die waren Joegoslavië in april 1941 binnengevallen en hadden daarmee een einde gemaakt aan de gezamenlijke staat van de Zuid-Slaven.

Jasenovac is een werkkamp, zo wilden de Ustasha’s tegenover de buitenwereld nog weleens beweren. En propagandafoto’s uit die tijd tonen inderdaad mensen die hard aan het werk zijn in onder meer een steenfabriek. Maar, zegt Mihovilovic, Jasenovac was in de eerste plaats een vernietigingskamp. Het speelde, aldus een tekst in het museum, een centrale rol bij het streven om van de NDH een in etnisch, raciaal en ook in religieus opzicht homogene staat te maken. Net als elders waar nazisme en fascisme hoogtij vierden, betekende dat: vrij van Roma en Joden. Maar hier betekende het ook, en vooral: vrij van Serviërs.

De Ustasha’s hadden van de nazi’s de organisatie van het kamp afgekeken, maar er was een belangrijk verschil. Mihovilovic: „Jasenovac had geen gaskamers. In Auschwitz was de dood een industrieel bedrijf, hier was het handwerk.” Gevangenen werden doodgeschoten, doodgeslagen, opgehangen, de keel doorgesneden, of ze werden, met ijzeren platen om de nek, in de Sava gegooid. Er was zelfs een tijdje een plek in het kamp waar gevangenen werden opgesloten zonder eten en drinken. Het bordje ’nema vode’ (geen water) herinnert er nog aan.

Het is maar klein, het herdenkingscentrum, dat deze week een jaar open is. Maar het toont op geserreerde wijze Jasenovac als oord met een huiveringwekkende geschiedenis. Waar het centrum over zwijgt, is de strijd die werd gevoerd om de herinnering van het kamp levend te houden. Van die strijd lijkt het einde nog niet in zicht.

In Kroatië kun je nog weleens horen zeggen dat Jasenovac onder het bewind van president Tito werd gebruikt om de Kroaten klein te houden. In Servië zeggen sommigen juist dat over Jasenovac niet mocht worden gepraat.

De werkelijkheid, aldus de Duitse historicus Heike Karge, is veel ingewikkelder. Jasenovac was geen taboe-onderwerp, zegt ze, ook in Tito’s tijd werd er het nodige over gezegd en geschreven. Tijdens de oorlog al kwamen Serviërs die aan het Ustasha-regime hadden weten te ontvluchten, met gruwelijke verhalen. Die werden bevestigd door Duitsers in de regio die herhaaldelijk hun afschuw over de wreedheid van de Kroatische fascisten uitspraken. En die zich er bovendien aan ergerden. Volgens hen dreven de Ustasha-daden de Serviërs massaal naar het partizanenverzet.

Al vrij kort na de oorlog werd Jasenovac in verband gebracht met ’honderdduizenden slachtoffers’. Ze werden deel van de in totaal 1,7 miljoen slachtoffers die de oorlog volgens de partizanen had geëist.

Karge, die uitgebreid onderzoek heeft gedaan in de archieven van de Joegoslavische Unie van Oorlogsveteranen: „Dat getal werd al vrij snel na de oorlog als onomstotelijk feit gepresenteerd. Ook toen uit onderzoek bleek dat het werkelijke aantal lager lag.” Tegenwoordig wordt in wetenschappelijke kringen een schatting aangehouden van omstreeks een miljoen slachtoffers voor heel Joegoslavië ten tijde van de Tweede Wereldoorlog.

Onder Tito werd in de officiële geschiedschrijving echter vastgehouden aan dat veel hogere aantal. „Om pragmatische redenen: vanwege herstelbetalingen. En ook om ideologische redenen: om te benadrukken hoe zwaar de strijd was geweest voor de nieuwe staat”.

Waar in de loop der tijd veel van de slachtoffers een eerbetoon kregen in de vorm van een klein of groot monument, moesten de doden van Jasenovac het echter lang zonder enig aandenken doen. Karge, die promoveerde aan het gerenommeerde Europese Universiteitsinstituut in Florence en die nu aan het Georg Eckert Instituut in Braunschweig onderzoek doet naar schoolboeken op de Balkan, tekent aan: „Joegoslavië was daarin niet uniek: ook elders in Europa lag de herdenking van de concentratiekampen moeilijk. Maar in Joegoslavië kwam daar wel een heel specifiek probleem bij: dat van de daders zelf.”

Tito’s partizanen wilden een beeld creëren van de oorlog dat zowel het gezag van de communistische partij legitimeerde, als de vorming van de nieuwe Joegoslavische veelvolkerenstaat. Dus werd de oorlog gepresenteerd als een heroïsche strijd van verschillende naties die samen vochten voor het socialisme én voor broederschap en eenheid, tegen de fascistische bezetters (Duitsers, Italianen) en hun interne collaborateurs.

Met die laatsten werden met name Kroatische Ustasha’s en Servische Chetniks bedoeld, wier misdaden doorgaans ook in één adem werden genoemd. Ze zijn even schuldig, was steeds de boodschap, aldus Karge. „Maar Jasenovac vormde een probleem. Dat was uitzonderlijk”. Of, zoals Natasa Jovicic, directeur van het museum, enkele jaren geleden schreef: „Jasenovac was het grootste kamp in de NDH, met de meeste slachtoffers, en het was het enige in het door het Derde Rijk overheerste Europa waar liquidaties werden uitgevoerd zónder directe deelname van Duitse nazi’s.’’

De vele pogingen, vanaf het begin van de jaren vijftig, van overlevenden en nabestaanden om op de plek van het voormalige concentratiekamp een monument op te richten, stuitten aanvankelijk op tegenwerking van het regime. Maar de herinnering liet zich niet wegdrukken. Steeds meer mensen bezochten Jasenovac op 4 juli, de nationale Dag van de Oorlogsveteranen. De pleidooien voor een monument werden steeds sterker. Een belangrijk argument haalden de pleitbezorgers uit de officiële geschiedenis: de honderdduizenden doden die hier zouden zijn gevallen.

Eind jaren zestig ging de partij overstag. In 1968 kwam er een klein museum, waarin de wreedheid van het regime aan de kaak werd gesteld. Tegelijkertijd, weet Karge, werden de Ustasha’s nadrukkelijk gepresenteerd als verlengstuk van de nazi’s, als een kleine bourgeois minderheid.

Bij het museum kwam ook een monument. De Servische architect Bogdan Bogdanovic kreeg de opdracht. Hij bedacht een grote betonnen bloem. „Een symbool waaraan niemand zich kon ergeren”, zo zegt hij in de documentaire Circle of Memory van de Italiaanse filmmaker Andrea Rossini die onlangs in de Amsterdamse Balie werd vertoond. „Een symbool dat op geen enkele manier haat kon oproepen.”

Maar zo werkte het niet. Want in de loop van de jaren tachtig zou juist Jasenovac onderwerp worden van een verbeten strijd tussen Serviërs en Kroaten, zoals David Bruce MacDonald laat zien in zijn boek ’Balkan holocausts?’. Het centrale thema van het boek is het aantal slachtoffers. Franjo Tudjman - voormalig partizaan, ex-JNA-generaal en later de eerste president van Kroatië - speelde daarin een centrale rol. Jasenovac, beweerde hij, was veel groter gemaakt dan het was geweest.

Er waren misschien 20.000, hooguit 30.000 slachtoffers gevallen, oordeelde Tudjman, maar daaronder ook veel gewone misdadigers, en bovendien ook heel wat Kroaten die zich tegen het fascisme hadden verzet. Andere Kroaten lieten zich meeslepen in de redenering van Tudjman. Ustasha-misdaden werden gebagatelliseerd en gerelativeerd, deels ook in een poging om de NDH te rehabiliteren. Dat was immers wel de eerste onafhankelijke Kroatische staat.

In Servië leidden deze pogingen om het leed van Jasenovac uit te wissen tot hevige verontwaardiging. In de hitte van het debat - waarin ook Vojislav Seselj, die deze dagen terecht staat voor het Joegoslaviëtribunaal, luidruchtig aanwezig was - werden de ’honderdduizenden slachtoffers’ er steeds meer. Het werden bovendien ook steeds meer vrijwel alleen Serviërs. Jasenovac werd niet alleen het symbool van het leed dat de Serviërs was aangedaan. Het kamp belichaamt ook het lijden dat ze wederom te wachten zou staan, namelijk als de Kroaten opnieuw hun zin zouden krijgen en een onafhankelijke staat zouden stichten.

Zo voedde de bittere discussie om de herinnering van de oorlog uiteindelijk een nieuwe strijd.

In het nieuwe onafhankelijke Kroatië bestond aanvankelijk weinig animo om het museum van Jasenovac, in de oorlog zwaar beschadigd en leeggehaald, in ere te herstellen. Pas na de dood van Franjo Tudjman kwam er voorzichtig, en deels onder internationale druk, ruimte om deze zwarte bladzijde van de geschiedenis opnieuw onder ogen te zien. Hierbij speelden ook adviezen uit Nederland, van de Anne Frank Stichting, het Joods Historisch Museum en het Centrum voor Holocaust- en Genocidestudies, een rol.

Het nieuwe museum wil, zegt Djordje Mihovilovic, de slachtoffers een gezicht geven, niet alleen maar een nummer laten zijn. Op verschillende plekken in het museum doen overlevenden op televisieschermen hun verhaal. De namen op de beeldschermen zijn de namen van mensen waarvan vast staat dat ze hier hun einde hebben gevonden. Hun namen komen terug in grote glazen platen die aan het plafond hangen. In het verleden zijn nogal eens mensen die elders zijn gestorven, op „rekening” van Jasenovac geschreven, verklaart de historicus. „Op deze manier willen we proberen allerlei mythes over aantallen van hun kracht te ontdoen.”

Bijna 70.000 mensen weten zich zo herinnerd, een meerderheid Serviërs, zegt Mihovilovic. Hij is verantwoordelijk voor het bijhouden van de lijst van slachtoffers. Er komen, zegt hij, nog steeds namen binnen. Aan de hand van verschillende bronnen probeert hij vast te stellen of die mensen inderdaad hier zijn gestorven, of dat ze wellicht al op de lijst staan. Juist deze week publiceerde het museum een overzicht met bijna drieduizend doden méér dan bij de bouw van het museum bekend was. Hun namen zullen alsnog in het museum worden bijgeschreven. Maar Mihovilovic heeft niet de illusie ooit volledigheid te bereiken: „Het werkelijke aantal slachtoffers van Jasenovac zullen we waarschijnlijk nooit weten.”

„Jullie willen het niet weten”, is de impliciete beschuldiging van een bezoeker uit Belgrado, die in het gastenboek schrijft dat het allemaal wel hip is, dit museum, met al die computers en tv’s, maar dat ’de waarheid’ ontbreekt. Marinko en Silvija gaan met een ander gevoel weg. Zij houden het kort: „Laat het zich niet herhalen”.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden