Kamp Holland in de Tartaarse woestijn Van Doorn

De Nederlandse militaire aanwezigheid in de Afghaanse provincie Uruzgan is bezig voor de tweede keer in korte tijd van karakter te veranderen. De eerste transformatie kwam neer op de geleidelijke omzetting van een vredesmissie in een vechtmissie. Eerst werd gesproken van lichte complicaties. Het mooie opbouwwerk zou zeker doorgaan maar wat extra beveiliging leek raadzaam. Maar die beveiliging werd sluipenderwijs steeds ’robuuster’, zoals de mode-uitdrukking luidt. De luchtmacht werd versterkt, zwaarder gepantserde voertuigen werden aangeschaft, zelfs houwitsers - zwaar veldgeschut - werden nodig geacht, en het einde van het liedje was dat onze waterputexperts achter het moderne wapentuig beginnen te verdwijnen.

Sinds kort is een nieuwe fase ingegaan. Niet alleen blijken de Taliban in veel groteren getale aanwezig dan ooit voor mogelijk werd gehouden, maar ze hebben ook greep gekregen op de bevolking. Er is sprake van schaduwbesturen waarvan de samenstelling en invloed onduidelijk zijn. De leiding van de International Security Assistance Force (Isaf) begint het spoor bijster te raken. Een Britse officier op het Isaf-hoofdkwartier bekende niet precies te weten wie de vijand is. Zijn het krijgsheren, drugscriminelen of religieuze fanaten die ons aanvallen? Het is niet altijd duidelijk.

De commandant van de Isaf, luitenant-generaal David Richards, toonde de andere kant van de medaille: de houding van de bevolking. Zo’n 20 procent is anti-Taliban en slechts weinigen zijn zonder meer pro, maar 70 procent van de bevolking is gewend zich te schikken naar de sterkste partij. Dat is pijnlijk want de druk die de Taliban op de bevolking uitoefenen zal zeker zwaarder zijn dan die van de passerende buitenlandse militairen.

Een Nederlandse officier maakte deze week in de Volkskrant het plaatje compleet met de laconieke opmerking: ’De vijand is vloeibaar. Hij is de bevolking. ’s Ochtends werkt hij op zijn akker, ’s avonds pakt hij zijn wapens op’.

Het beeld is heel herkenbaar: dit is een guerrilla-oorlog aan het worden, ook wel ’asymmetrisch’ genoemd, omdat tegenover modern bewapende troepen een licht uitgerust, maar ongrijpbaar verzet staat dat in de bevolking kan wegduiken.

Dit type oorlog is zo moeizaam om dat het van de buitenlandse troepen vraagt zich aan de inheemse situatie aan te passen. Met bombardementen en artilleriebeschietingen bereik je niets. Ook grote sweeps door het gebied halen weinig uit. Slechts twee dingen zijn effectief: opereren in kleine eenheden en beschikken over inlichtingen.

Allereerst is het nodig dat de beschikbare grote eenheden zich opsplitsen in kleine, die zelfstandig opereren en zich over een zo groot mogelijk gebied bewegen. Alleen het consequent uitkammen van dorpen en kleine steden leidt tot successen, met verrassingsaanvallen als favoriete tactiek.

De tweede voorwaarde voor succes vormt goed inlichtingenwerk. Daarvoor is veel personeel nodig dat de taal, het land en het volk kent en nog betrouwbaar is ook. Ook inheemse spionnen die zich onder de bevolking mengen, zijn onontbeerlijk. Precies zo hebben we in Nederlands-Indië geopereerd tijdens de jarenlange guerrilla-oorlog die de eindstrijd om de macht over de archipel zou beslissen. Het was het Indisch leger, het Knil, dat – anders dan de uit Nederland afkomstige troepen – op lange ervaring kon teruggrijpen, opgedaan in vroegere ’inlandse oorlogen’ en vastgelegd in een zeer gedetailleerd instructieboek, het Voorschrift voor de uitoefening van de Politiek Politionele Taak van het Leger (V.P.T.L.). Het werd voor de oorlog in Atjeh ontwikkeld en werd in 1945-1949 in aangepaste vorm opnieuw aan de troepen verstrekt.

Ik vrees dat deze gecomprimeerde ervaring in de Haagse burelen is zoekgeraakt. En wat erger is: ze is in Afghanistan maar deels bruikbaar. Het Knil bestond uit officieren en soldaten die de taal spraken en de bevolking kenden. In Afghanistan is dat uitgesloten, zodat de onmisbare vergaring van informatie over het inheems verzet vrijwel onmogelijk is. Het blijft hulpeloos tasten in het duister.

Helaas is ook de tweede voorwaarde voor succes niet vervuld: de gespreide opstelling en het befaamde (Indisch!) ’rusteloos achtervolgen van de vijand’. Het is door generaal Richards al gesignaleerd want het was duidelijk aan het Nederlandse detachement geadresseerd toen hij onlangs een flexibele troepeninzet adviseerde die neerkomt op de stationering van militairen op plaatsen waar zich veel guerrillastrijders ophouden. Statische, grote bases zijn overbodig.

Zoals Kamp Holland, dat mooie bouwwerk waarin al honderdduizenden euro’s zijn verdwenen en waaraan nog altijd verder wordt geknutseld. Je kunt er veilig eten achter gepantserde muren en veilig slapen in gepantserde containers maar helaas worden oorlogen niet gewonnen door de schuilkelder op te zoeken maar door die juist te verlaten en je nek uit te steken.

Kamp Holland doet steeds meer denken aan Fort Bastiani uit de meesterlijke roman ’De Tartaarse woestijn’ van Dino Buzzati: een grensvesting waarvan de bezetting over een maanlandschap uitkijkt waar zich jaar na jaar geen levende ziel, laat staan een vijand vertoont.

Fort Holland: er zit een tragikomische film in.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden