Kalimijnen / Geen rechter kon de lozingen stoppen

Het heeft wat rampen gekost om de mens duidelijk te maken dat hij een verwoestende invloed heeft op zijn omgeving. Milieu is van actiepunt beleidsterrein geworden. In een serie artikelen blikt Hans Schmit terug op de vermaarde milieuproblemen waarmee die ontwikkeling begon. Aflevering 5: zoutlozingen.

Bijna een eeuw terug, in 1904, werden in de ondergrond van de Franse Elzas zoutlagen ontdekt. Zes jaar later begonnen de winning en de productie van kunstmest. Het zout dat als afval overbleef, werd opgeslagen in oude mijnschachten. In 1931 echter verleende de Franse overheid het staatsbedrijf Mines Dominiales de Potasse d'Alsace vergunning het afvalzout in de Rijn te lozen.

Nederland protesteerde heftig: het water van de Rijn is immers een belangrijke bron voor drinkwater. Het protest was echter tevergeefs en is dat tot op heden gebleven: de kalimijnen lozen nu al bijna driekwart eeuw, in strijd met alle (on)geschreven regels, hun afvalzout in de Rijn. Overleg binnen de Internationale Rijncommissie leverde weinig op. Het in 1976 gesloten Zoutverdrag, dat voorzag in vermindering van de lozing door een deel van het afvalzout in diepe kalksteenlagen te injecteren, is nooit uitgevoerd.

Grensoverschrijdende vervuiling is een onrechtmatige daad, zegt prof.mr. Ulli Jessurun d'Oliveira, oud-hoogleraar internationaal privaatrecht en migratierecht aan de universiteit van Amsterdam. Jessurun d'Oliveira: ,,Al 23 eeuwen terug schreef Plato in 'De Wetten' dat wanneer iemand andersmans water onbruikbaar maakt, de benadeelde de vervuiler kan aanklagen. Volgens Plato is vergoeding van de schade niet voldoende, maar moet ook de bron in oude toestand worden hersteld. Daarnaast kennen we het uitgangspunt Sic utere tuo ne alienum ledas: je moet het jouwe zo gebruiken dat je anderen niet schaadt. Het ongeschreven volkenrecht kent normen en beginselen over grensoverschrijdende vervuiling. Zo is er de beroemde Trail Smelter-zaak uit 1941: een hoogoven in Canada veroorzaakte vervuiling in de Verenigde Staten, waarna een internationale arbitragecommissie Canada veroordeelde tot schadevergoeding omdat een staat verantwoordelijk is als schade op het grondgebied van een andere staat ontstaat door giftige lozingen.''

In het begin van de jaren zeventig ontstond het idee de kalimijnen langs de weg van het internationale recht aan te pakken. Jessurun d'Oliveira: ,,Een oud-secretaris van een waterschap, mr. D. Lasonder, richtte de stichting Reinwater op en begon in 1974 met drie tuinders uit het Westland, die schade ondervonden van de verzilting van de Rijn, een civiele procedure tegen de kalimijnen. In 1975 werd ik voorzitter van Reinwater. De civiele procedure raakte mijn professionele oriëntatie: ik had net een monografie over de internationale onrechtmatige daad geschreven. Het internationaal milieurecht stond nog in de kinderschoenen en deze zaak was een toetssteen voor de grondslagenstrijd in het internationaal privaatrecht. Maar de zaak zelf raakte me ook: ik ben altijd een waterjongen geweest en heb van huis uit de zorg voor de omgeving meegekregen.''

Het eerste probleem was de vraag welke rechter bevoegd zou zijn. Jessurun d'Oliveira: ,,Die vraag hing samen met het Verdrag van Brussel over internationale bevoegdheden van rechters dat in 1974 in werking was getreden. Moet je naar de rechter op de plaats waar de onrechtmatige daad plaats vindt of naar de rechter op de plaats waar schade wordt geleden? We hadden geen trek in een procedure in Mulhouse, in het hol van de leeuw, en zijn naar de rechtbanken in Den Haag en Rotterdam gestapt - de arrondissementen waar de tuinders hun bedrijf hadden.''

Via de rechtbank in Rotterdam, die zich onbevoegd verklaarde, en het gerechtshof in Den Haag werd de zaak voorgelegd aan het Europese hof in Luxemburg, dat zich voor de eerste keer over het Verdrag van Brussel boog. Jessurun d'Oliveira: ,,Het Hof bepaalde dat zowel de rechter op de plaats van de onrechtmatige daad als de rechter op de plaats van de schade, bevoegd is. Dus wij weer terug naar Rotterdam. Uiteindelijk is het in 1988, toen in hoogste instantie was vastgesteld dat er sprake is van een onrechtmatige daad, tot een schikking gekomen tussen de tuinders en de kalimijnen. Daarmee werd een langdurig vervolg over de hoogte van de schadevergoeding voorkomen. Vanuit de tuinders begrijpelijk (zij kregen vier miljoen gulden), maar Reinwater was teleurgesteld. De stichting, die niet-ontvankelijk was verklaard, ging het in de eerste plaats om het stopzetten van de lozingen. En die gingen gewoon door.''

Ondertussen was Reinwater de juridische strijd, met nieuwe bondgenoten, op twee andere fronten aangegaan: ,,Met drinkwaterbedrijven en waterschappen hebben we in 1981 in een administratieve procedure de lozingsvergunning aangevochten en zijn we in 1983 een strafzaak tegen de kalimijnen begonnen. Anders dan in Nederland kun je in Frankrijk als slachtoffer een strafproces aanspannen. De strafzaak is in 1998 afgesloten: de directie van de kalimijnen kon niet worden vervolgd. In de andere procedure is de lozingsvergunning niet vernietigd, vanwege ernstige sociale en economische problemen bij sluiting van de mijnen. Om de procedure te vereenvoudigen hebben in 2000 acht partijen het verzoek om schadevergoeding ingetrokken; twee drinkwaterbedrijven, PWN en Gemeentewaterleiding Amsterdam, zetten de procedure wel door en hebben in januari 2001 50 miljoen francs gekregen.''

De procedures besloegen een periode van bijna dertig jaar en nog steeds wordt er afvalzout in de Rijn geloosd. Toch ziet Jessurun d'Oliveira duidelijke winstpunten: ,,Er is een afkoopsom aan de tuinders betaald, drinkwaterbedrijven hebben een schadevergoeding gekregen. De lozingsvoorwaarden zijn aangepast aan de normen die in het Rijnoverleg zijn afgesproken. De zaken hebben een enorme spinoff gehad. Iedereen kan zien dat je met recht iets kunt bereiken. De processen hebben internationaal grote aandacht gekregen, de kalimijnen werden bedolven onder negatieve publiciteit. We hebben het pad gebaand, het ijs gebroken. Het internationaal recht is door deze processen doorontwikkeld. Er is duidelijkheid gekomen over de bevoegdheid van rechters: het slachtoffer heeft de keus. En de milieubeweging is inmiddels ontvankelijk in het civiele recht en kan voor milieubelangen opkomen.''

De kalimijnen sluiten waarschijnlijk volgend jaar de poorten. Niet vanwege de onrechtmatigheid van de lozing, maar omdat het zout zo diep uit de bodem moet worden gehaald dat winning niet meer rendabel is. De enorme bergen afvalzout zullen nog jaren stukje bij beetje in de Rijn worden geschoven. In zodanige hoeveelheden dat het Rijnwater bij Lobith niet meer dan 200 milligram chloride per liter bevat, zoals afgesproken in de Rijncommissie. De norm voor drinkwater ligt op 150 milligram chloride.

Eerdere afleveringen van deze serie stonden in Trouw van 22, 28 en 31 juli en 5 augustus.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden