Kale steenpuist waarop je steeds naar adem hapt

Als auto's er al stranden wegens zuurstofgebrek, wat heeft een fietser er dan te zoeken. De Mont Ventoux, die kale steenpuist in de Provence, met zijn witte kiezelstenen. Sinds Tom Simpson op 13 juli 1967 op de flanken van die helse berg het leven verloor, is de Ventoux nog maar sporadisch beklommen in de Tour. Vandaag is de berg, waar de wind heerst, na zeven jaar weer in het schema opgenomen. Op veertig kilometer van finishplaats Carpentras. Net als in 1967.

JOHAN WOLDENDORP

Na hem volgden velen die min of meer gek werden van de heilloze klim, die speciaal ontworpen lijkt voor hen die de kwellende pijnen van het martelaarsschap als hobby hebben gekozen. Eén coureur moest de helse tocht over het maanlandschap zelfs met de dood bekopen: Tom Simpson. In 1983 liet, ter hoogte van het monument ter nagedachtenis aan de Brit, een wielertoerist - een zekere Krümer - het leven. Hij is voorlopig de laatste in de rij, die ongetwijfeld langer dan twee zal zijn. De Mont Ventoux. Een verslaving voor halve gekken, of zoals vanmiddag: een passage in de vijftiende etappe van de Tour de France.

De in 1991 overleden Franse schrijver Antoine Blondin volgde bijna dertig jaar de Tour de France als columnist van de organiserende krant L'Equipe. Blondin leek in zijn leven slechts twee attributen nodig te hebben: een drankfles en een kroontjespen. De schrijfmachine moet er al geweest zijn toen hij met schrijven begon, de opkomst van de gruwel die voor hem de portable computer was, heeft hij nog van nabij meegemaakt. Maar in een hoekje in de perszaal hield hij zich er altijd ver van. De morsige, ongeschoren en sjofel geklede Blondin placht met zijn prozaüche gedachten enkele uren boven een blanco vel papier te verwijlen om diep in de avond uiteindelijk een aantal betoverend mooie volzinnen af te scheiden. Stond er de volgende dag maar een klein stukje in L'Equipe, dan had de alcohol een deel van de inspiratie verdampt. Stond er in de sportkrant op zijn plek iets anders, dan was helaas de geest in de fles verdwenen.

Blondin was in 1951 nog niet ter plekke om de diepere gevoelens van de heldhaftige Lazarides te verwoorden. Twintig jaar geleden was hij er wel om ter gelegenheid van de negende passage van “die woestijnachtige grafheuvel, die in de lucht zwevende Sahara” in de geschiedenis van de Tour, publiekelijk zijn liefdesverklaring jegens de Ventoux af te leggen:

“Er zijn weinig gelukkige herinneringen met deze helling verbonden, eerder tragediën, of in ieder geval drama's. Ze biedt de schittering en de ellende van het wielerbestaan een prachtig toernooiveld. We hebben er met rede begiftigde renners half gek zien worden, anderen de haarspeldbochten zien afdalen in de stellige mening dat ze omhoog gingen en weer anderen die met hun fietspomp naar ons hoofd uithaalden en ons, God weet waarom, toeschreeuwden dat we moordenaars waren. Het is een heksenkookpot in reliëf die men niet met een opgewekt gemoed voor zich ziet liggen. De meest doorgewinterde leden van het gezelschap verdringen de gedachte liever tot het laatste moment, de novieten in het peloton, die nog niet zijn gewijd, zoeken hem daarentegen in het landschap, met schuinse en angstige blik. Is het die berg die ik daar zie, of die andere, iets verderop?”

De kale steenpuist in de Provence, met zijn witte kiezelstenen, kent zijn gelijke niet. Hij meet nog geen tweeduizend meter, maar is in every inch een ondefinieerbare natuurgril. Aan de voet bloeit vegetatie zoals men die in Afrika ook tegenkomt. Op 1200 meter steken geurige papavers uit de grond. Er is één land ter wereld waar die plant ook groeit: Groenland. In de winter maakt de mistral (met windsnelheden tot 240 kilometer per uur) er het leven volstrekt onmogelijk.

Maar ook in de zomer biedt de top van de Ventoux de aanblik van een sado-masochistisch avonturenpark. De ijle lucht lijkt iedere stap op de 1912 meter hoge kruin tot een halve marathon te maken. Het gebrek aan zuurstof beneemt overigens niet alleen menselijke wezens praktisch de adem. Voordat de Tour de Ventoux ontdekte, werden er al autorally's gehouden. Altijd waren er wel voertuigen, waarvan de motor het begaf. “Dat is niet alleen het beeld van het verleden,” weet Eric Caritoux. “Hedentendage stranden nog steeds auto's wegens zuurstofgebrek”, zegt de kopman van Chazal, die in La Rouselle woont, aan de voet van de beminde en vooral gehate berg.

“De cicaden zongen; de karavaan trekt voorbij, we verlieten de Provence met haar masker van ondankbaarheid om in stilte de Ventoux te gaan beklimmen, die tegen de Alpilles afsteekt als een roestkleurig, ruw en rood aangelopen monster tegen een witte achtergrond. Tijdens de bestijging werd de groep mannen gedecanteerd: de renners vielen met uit de mond hangende tong neer, verkochten hun ziel voor een beetje water, een beetje schaduw. We zagen hoe Van Genechten op een zeker moment dwars over de weg reed en schreeuwde: 'Laat me met rust! Ik word gek!' Malléjac bood nog slechts een beeld van incoherentie, als een spiegel die te veel heeft gezien. En uit de blik van Stablinski sprak moordlust. De enige gedachte waaraan ze zich tijdens de klim overgaven - namelijk dat ze erna weer zo'n beetje naar de vertrekpunt moesten afdalen - onderstreept de absurditeit van de hele onderneming. Had ze dan echt geen dieper doel, geen verborgen zin?”

Chroniqueur Antoine Blondin schreef het in 1955 in L'Equipe, in het jaar dat Ferdi Kübler min of meer gek werd. Alsof het een polderweg was, zo blind voor zich uitstarend raasde de Zwitser de helling van de Ventoux op. Zijn ploeggenoot Raphael Géminiani waarschuwde hem nog: “Ferdi, pas op, de Ventoux is geen berg als alle andere.” Waarop Kübler het gedenkwaardige antwoord retour gaf: “Maar Ferdi is ook geen coureur als alle andere.” Kübler betaalde een hoge prijs voor zijn overmoed. Hij verspeelde op de laatste vier kilometer naar de top liefst elf minuten en verscheen de volgende ochtend niet meer aan het vertrek. In het verdere verloop van zijn sportieve carrière waren ereplaatsen nog maar de op vingers van de spreekwoordelijke ene hand te tellen.

Jean Malléjac was er in '55 nog erger aan toe. Om het iets minder prozaéch dan Blondin hierboven te schilderen: het schuim van de drog krulde op uit de mondhoeken. Zeker een kwartier lang lag de Fransman buiten bewustzijn op de witte kiezels. In het ziekenhuis vochten artsen maar net met succes voor zijn leven. Die hulp mocht Tom Simpson op 13 juli 1967 niet meer baten. De geschrokken Tourdirectie - geconfronteerd met het tweede dodelijke ongeval, nadat in 1935 de Spanjaard Francisco Cepeda drie dagen na een val bij Bourg d'Oisans aan de gevolgen van een schedelbreuk was bezweken - nam in 1970 gepaste maatregelen, toen de Mont Ventoux andermaal in het routeschema werd opgenomen. De aankomst op de top werd laat op de avond geprogrammeerd. De hitte in de Provence is dan niet zo verzengend meer, en de lucht is meer met zuurstof gevuld dan overdag. Eddy Merckx won de etappe, maar moest met een zuurstofmasker weer worden bijgebracht. De kannibaal zei vaak aan Simpson te hebben gedacht.

Mont Ventoux. De berg waar de wind heerst, volgens de Latijnse vertaling. Het uit rots gehouwen gekkenhuis als de enige col in een etappe, die, als je er omheen zou mogen rijden, de massasprinters vandaag een uitgelezen kans op een ritzege had geboden. Het stijgingspercentage varieert van 7,6 tot 14. Daarna is er nog een veertig kilometer lange afzink naar Carpentras.

Mont Ventoux. De besneeuwde kruin, in het oud-Keltisch. Ieder jaar wordt Antoine Blondin geëerd met een speciale prijs voor het beste Franstalige artikel over de Tour de France. De geniale zwerver-schrijver is er niet meer bij, maar de winnende column zal, in zijn geest gecomponeerd, ongetwijfeld over de Ventoux gaan.

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden