Kale lente

De afgelopen dagen voltrok zich aan de hemel een grootse gebeurtenis. De wolken verdwenen, de wind zwakte af, de temperaturen stegen.

Zulke dagen, de allereerste dagen van licht aan het einde van een lange natte periode van kilte en grijsheid, moeten welhaast tot de mooiste van een mensenleven behoren.

Die mens gaat op zulke dagen afwijkend gedrag vertonen.

„Ik wil heel veel zakken tuinaarde kopen en een mooie magnolia en de hele dag in de aarde wroeten”, zei mijn vrouw die verder een heel normaal leven leidt. Toen was al een deel van het weekend opgegaan aan het snoeien, knippen en zagen van de rozemarijnstruiken, de hortensia, de bruidsluier, de hop, de lavendel en de moerbeibomen, want zo werkt dat met die eerste lentezon: in combinatie met de snoeischaar bereiken we onze hoogste vorm van geluk.

Om de essentie van dit geluk te doorgronden wil ik voor dit kleine verslag even leunen op een klassiek werk van de landschapsarchitect Pieter Verhagen (1882-1950), die in 1945, aan het eind van een kille, grijze periode, een boek publiceerde onder de titel ’Het geluk van de tuin’. Het was niet eens metafysisch bedoeld, nee, het was juist uitermate fysisch, met je handen wroeten in de aarde.

Wat schreef hij over dat geluk?

’Het is onze natuurlijke vreugde het wonder te zien van groeien en bloeien, hoe met de kringloop der seizoenen de kringloop van het plantenleven samenvalt, even vast en stellig gebonden in zijn gestelde baan en tijd. Wij zijn blij als we hen innig mogen meemaken, daarbij ernstig mogen helpen, maar nog niet tevreden daarmee, willen wij daarvan bovendien in onze tuin een nieuwe heerlijkheid maken van groter orde.’

Een nieuwe heerlijkheid, zoiets moet het zijn. Daar staan we, aan het eind van de winter, op de nog vochtige, donkere, veerkrachtige grond. Verhagen schrijft: ’O, die eerste spade in de grond! Als de spade als door boter snijdt en de omgeworpen aarde ook zo lekker geurt en kruimelig brokkelt.’

Een kale lente is het nog, al staan de bladknoppen van de hortensia al op springen. En naar de indeling van Jac. P. Thijsse volgen nog de koele en de zoele lente, van hoge noordenwinden tot het eerste bloemengedrang.

Het tij is om. Er is de laatste dagen ook meer te horen, in de vroege ochtend. Het gezang van merels en lijsters.

Hoe dit te beschrijven?

We vragen het een dichter. C. O. Jellema, die er in zijn ’Seizoenen op Oosterhouw’ naar lag te luisteren.

’Alsof het echte, het eigenlijke, dat waarop het in het leven buiten alle menselijke berekening op aankomt, zich openbaart in die vogelzang, meer nog dan in het boven de grond komen van krokus en narcis, dan in het bladzetten weer van de bomen.’

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden